BAC 2023-12455
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 17 februari 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 2 december 2024 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 13 maart 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te herroepen en in de beslissing op bezwaar aan te passen. Verder adviseert de Commissie het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 17 februari 2023 genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) met kenmerk UHT-DCHA (hierna ook te noemen: de bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 25 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2010, 2011 en 2012.
- UHT heeft bij beschikking van 15 maart 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 31 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 17 februari 2023 aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010, 2011 en 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 21 februari 2023, ingekomen op 28 februari 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 13 augustus 2024 bij beschouwing schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 2 december 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gehecht.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 20 januari 2025 een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft daar op 3 februari 2025 schriftelijk op gereageerd.
- Op 10 februari 2025 heeft gemachtigde aanvullende stukken ingediend. UHT heeft daar op 11 februari 2025 schriftelijk op gereageerd. Gemachtigde heeft vervolgens op 11 februari 2025 schriftelijk gereageerd op deze reactie van UHT.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 8 oktober 2024 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Afwijzing compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2011
UHT stelt vast dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in de jaren 2010 en 2011 individueel vooringenomen heeft gehandeld, omdat er onvoldoende uitvraag is gedaan voorafgaand aan de nihilstelling. Hierdoor kon belanghebbende haar recht op KOT niet voldoende aantonen. Echter, UHT stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet voldoet aan het zogenoemde doelgroepvereiste van artikel 1.6 van de Wet kinderopvang (Wko), omdat zij niet daadwerkelijk heeft deelgenomen aan een re-integratietraject en daardoor evident geen recht had op KOT in 2010 en 2011. Volgens UHT vormt dit een ernstige onregelmatigheid die toekenning van compensatie in de weg staat.
Belanghebbende betwist dat er evident geen recht was en meent dat zij voor de jaren 2010 en 2011 wel in aanmerking komt voor compensatie.
Niet ter discussie staat dat belanghebbende in 2010 en 2011 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand ontving en dat zij in deze periode geen betaalde werkzaamheden verrichtte. De Commissie leidt uit de beschikbare stukken af dat, zoals belanghebbende ook tijdens de hoorzitting verklaarde, de gemeente voorwaarden stelde aan de bijstandsuitkering, waaronder een verplichte tegenprestatie. De overgelegde bescheiden tonen aan dat belanghebbende tot 26 februari 2010 vanwege (arbeids)medische omstandigheden was ontheven van arbeidsverplichtingen.
Belanghebbende verklaarde dat zij heeft gesolliciteerd en aan onderzoeken heeft meegewerkt. Op 19 augustus 2010 volgde uit onderzoek dat belanghebbende in staat mocht worden geacht deel te nemen aan een activeringstraject. Uit de beschikbare informatie blijkt echter niet dat de re-integratietrajecten ook werkelijk zijn aangevangen. Uit artikel 1.6 Wko volgt dat het niet deelnemen aan een re-integratietraject eraan in de weg staat dat belanghebbende met kans op succes in deze periode KOT kon aanvragen. Daardoor is niet voldaan aan een essentieel vereiste voor het kunnen verkrijgen van KOT. Dit is in het stelsel van de wet een ernstige onregelmatigheid die op zichzelf bezien toekenning van compensatie uitsluit.
De Commissie heeft zich gebogen over de vraag of er in dit geval niettemin bijzondere omstandigheden zijn die ertoe hebben geleid dat het stelsel te hard heeft uitgepakt in het nadeel van belanghebbende.
Op grond van artikel 9.1, lid 1, van de Wht kan UHT bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van artikel 2.1, voor zover toepassing van dit artikel gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die heeft verzocht om de toekenning. Daarbij volgt uit de wetsgeschiedenis bij artikel 9.1 van de Wht dat de hardheidsclausule is bedoeld voor een bijzondere situatie waarin niet is voorzien en waarin toepassing van de wetsbepaling tot een zeer onbillijke uitkomst leidt. Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat vasthouden aan de toepassing van de desbetreffende bepaling voor de degene die heeft verzocht om toekenning van een van de genoemde herstelregelingen, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De Commissie meent dat zo’n bijzondere situatie zich hier voordoet en dat belanghebbende door de gestelde gang van zaken in de betrokken jaren gedupeerd is door onverkorte toepassing van artikel 2.1 van de Wht.
De Commissie weegt in haar oordeel het volgende mee. Belanghebbende heeft toegelicht dat zij op verzoek van de gemeente, conform gemeentelijk beleid, KOT moest aanvragen, zodat zij zich volledig kon richten op haar re-integratie. De gemeente heeft namens haar de KOT aangevraagd. Belanghebbende had geen andere keuze dan om hieraan mee te werken, omdat weigering gevolgen kon hebben voor haar bijstandsuitkering. Dat belanghebbende hier reële vrees voor kon hebben blijkt ook uit het door haar ingebrachte persbericht van 12 januari 2010 (“Rotterdam in 4 jaar “werkloosheidsvrij”). De KOT werd op 9 september 2010 met ingang van 1 januari 2010 aangevraagd. Belanghebbende heeft verklaard dat zij ervan uitging dat de toeslag rechtstreeks aan de opvanginstelling werd overgemaakt, omdat zij de gelden nooit zelf heeft ontvangen. Uit een tenaamstellingscheck blijkt dat het bij de aanvraag opgegeven rekeningnummer op naam van haar kind stond en dat de toeslag altijd hierop werd gestort. Het is de Commissie niet bekend geworden wie de rekening van het destijds minderjarige kind heeft geopend. Het is niet duidelijk geworden wie er indertijd toegang had tot het geld op deze rekening en hoe de gelden zijn besteed. Naar het oordeel van de Commissie staat het in deze omstandigheden niet met de hier vereiste hoge mate van waarschijnlijkheid vast dat de KOT aan belanghebbende ten goede is gekomen.
Op de hoorzitting heeft belanghebbende ook verklaard over andere schulden en toeslagen. Zij stelt dat zij nooit kindgebonden budget heeft ontvangen, terwijl er wel schulden zijn ontstaan. Ook zijn er bedragen van haar teruggevorderd voor periodes waarin zij niet in Nederland verbleef. Daarnaast verklaart belanghebbende dat zij haar toeslagen niet kan inzien. Ook ontbreekt informatie wanneer er wordt gezocht via haar BSN-nummer. De Commissie heeft de overtuiging gekregen dat veel buiten de kennis en betrokkenheid van belanghebbende om is gebeurd. De Commissie is van oordeel dat UHT onvoldoende heeft onderbouwd hoe de uitbetaling en de terugvordering van de KOT in het geval van belanghebbende hebben plaatsgevonden en of de uitbetaling ten gunste van belanghebbende is gekomen. Ondanks het gegeven dat de KOT is gestort op de rekening van eerstegraads bloedverwant is niet vastgesteld dat belanghebbende de KOT heeft ontvangen of feitelijk over deze gelden heeft beschikt, terwijl de bedragen wel bij haar werden teruggevorderd. Overigens is de stopzetting van 17 januari 2011 per 1 december 2010 niet doorgevoerd, waardoor de KOT-uitbetaling op het rekeningnummer van haar kind is doorgegaan en de terugvordering bij belanghebbende opliep.
Bovendien is aannemelijk dat belanghebbende niet wist dat zij vanwege haar (arbeids)medische beperkingen geen recht had op KOT, maar wel door de gemeente werd geacht deze aan te vragen. De Commissie acht het aannemelijk dat zij heeft gehandeld op duidelijke instructie van de gemeente. Bij gebreke aan aanwijzingen van het tegendeel mocht belanghebbende er naar de overtuiging van de Commissie op vertrouwen dat de gemeente in lijn met de geldende regelgeving handelde. De Commissie meent ook dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de gemeente in elk geval voor een deel is tekortgeschoten in haar verplichting belanghebbende correct te informeren over haar rechten en over alternatieve mogelijkheden voor kinderopvangondersteuning. Naast B/T heeft immers ook de gemeente mogelijkheden om te kunnen voorzien in kinderopvang, bijvoorbeeld door een vervangende bijdrage in de opvangkosten te verlenen. Dit alles mag niet in het nadeel van belanghebbende uitwerken.
De terugvorderingen hebben belanghebbende hard geraakt. De Commissie is van oordeel dat de hier vermelde bijzondere omstandigheden – gegeven ook de vereiste ‘menselijke maat’ bij de toepassing van deze regels en de ruimhartigheid die de herstelwetgeving kenmerkt – ertoe hebben geleid dat in het geval van belanghebbende het stelsel te hard heeft uitgepakt. Hoewel de Commissie niet miskent dat sprake is van ernstige onregelmatigheden in de zin van de wet, hebben de terugvorderingen geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die buiten de opzet van de wet vallen. De Commissie adviseert UHT daarom om belanghebbende aan te merken als gedupeerde en haar compensatie te verlenen over toeslagjaren 2010 en 2011.
Afwijzing compensatie voor het toeslagjaar 2012
Vanaf januari 2012 kon belanghebbende als gevolg van een vrijheidsbeperkende maatregel niet werken of voldoen aan het doelgroepvereiste. Echter, in 2012 is de KOT van belanghebbende op 9 maart 2012 door B/T met terugwerkende kracht per 1 januari 2012 ambtshalve bijgesteld naar aanleiding van contra-informatie.
De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T of van hardheid van het stelsel. Uit de informatie is gebleken dat beide kinderen van belanghebbende de leeftijd van 14 jaar of ouder hebben bereikt. Vanaf het jaar nadat een kind 14 jaar is geworden, mag B/T ervan uitgaan dat geen sprake meer is van basisonderwijs en dat er daarom geen recht meer bestaat op KOT voor buitenschoolse opvang. De Commissie oordeelt dat B/T heeft mogen vertrouwen op de informatie en de KOT terecht heeft stopgezet. De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2012 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Nu het primaire besluit (de bestreden beschikking) volgens dit advies dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tevens om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie om het bezwaar tegen het besluit van 17 februari 2023 met kenmerk UHT-DCHA gegrond te verklaren, het bestreden besluit te herroepen en om:
- alsnog compensatie over de jaren 2010 en 2011 toe te kennen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
Secretaris
Fungerend voorzitter