Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12447

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten: 23 januari 2023 met kenmerken UHT-DCH en UHT-O OGS B

Hoorzitting: 8 september 2025 om 11:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 14 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit UHT-DCH te herroepen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: de bestreden besluiten).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 22.931 voor de jaren 2006, 2007 (juni tot en met augustus en december) en 2009 (januari tot en met april).

Aan belanghebbende is geen compensatie toegekend voor de jaren 2005, 2007 (januari tot en met mei en september tot en met november), 2009 (mei tot en met december) en 2010.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 29 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005, 2006, 2007, 2009 en 2010.
  • UHT heeft bij besluit van 1 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • UHT heeft bij de herbeoordeling gekeken naar de toeslagjaren 2005, 2006, 2007, 2009 en 2010 en haar voorgenomen besluiten voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (hierna: CvW).
  • De CvW heeft de voorgenomen besluiten op 22 november 2022 beoordeeld en geconcludeerd dat belanghebbende over de toeslagjaren 2005, 2009 (mei tot en met december) en 2010 niet in aanmerking komt voor compensatie.
  • UHT heeft aan belanghebbende bij de bestreden besluiten medegedeeld:
    • dat zij geen compensatie zal toekennen over de toeslagjaren 2005, 2009 (mei tot en met december) en 2010;
    • dat een compensatie zal toekennen van € 22.931 over de jaren 2006, 2007 (juni tot en met augustus en december) en 2009 (januari tot en met april) wegens vooringenomenheid;
    • dat zij een compensatie zal toekennen van € 2204 over de jaren 2009 (mei tot en met december) en 2010 wegens een onterechte O/GS-kwalificatie.
  • Bij schriftelijke en digitale correspondentie van 1 maart 2023, 27 oktober 2023, 19 juni 2024 en 15 juli 2025 heeft gemachtigde (aanvullend) bezwaar gemaakt tegen de bestreden besluiten.
  • UHT heeft op 2 september 2024 schriftelijk gereageerd.
  • Op 8 september heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 15 september 2025 een nadere schriftelijk reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 23 september 2025 op gereageerd. UHT heeft vervolgens op 30 oktober 2025 een schriftelijke reactie ingediend.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vragen of:

  • UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de toeslagjaren 2005, een deel van 2007 (januari tot en met mei en september tot en met november), een deel van 2009 (mei tot en met december) en 2010 af te wijzen;
  • UHT de toegekende compensatie over de toeslagjaren 2006, 2007 (juni tot en met augustus en december), 2010 (juli tot en met december) en 2011 op de juiste wijze heeft berekend.

Gemachtigde heeft in bezwaar en ter zitting aangevoerd dat de jaren 2008 en 2011 tot en met 2019 ook beoordeeld zouden moeten worden en dat over deze jaren recht bestaat op compensatie. Het jaar 2010 is niet meer in geschil nu belanghebbende heeft verklaard over dit jaar geen opvang te hebben afgenomen.

UHT heeft ter zitting verklaard dat de beoordeling van genoemde jaren op 31 juli 2025 heeft plaatsgevonden. Deze beoordeling zat niet in het dossier en is na de hoorzitting door UHT toegezonden.

UHT heeft in haar aanvullende beschouwing van 15 september 2025 deze beoordeling nogmaals getoetst en geconcludeerd dat belanghebbende over het toeslagjaar 2007 (januari tot en met mei) en 2008 wegens vooringenomenheid zal worden gecompenseerd. Tevens zullen de bedragen over de reeds gecompenseerde maanden juni, juli, augustus en december 2007 in het voordeel van belanghebbende worden aangepast. UHT draagt zorg voor een nieuwe compensatieberekening in de beslissing op bezwaar. Hiermee zijn de toeslagjaren 2007, 2008 en 2010 tussen partijen niet meer in geschil.

Afgewezen toeslagjaren 2005

De Commissie constateert op basis van het dossier dat er over het jaar 2005 geen aanvraag kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) is ingediend bij Belastingdienst/ Toeslagen (hierna: B/T) door belanghebbende en dat er geen KOT beschikkingen zijn afgegeven door B/T. Ook volgt uit het dossier niet dat er sprake was van één of meerdere terugvorderingen, hardheid van het stelsel of een onterechte opzet/ grove schuld kwalificatie (hierna: O/GS).

Gemachtigde stelt dat er in 2005 wel degelijk opvang is afgenomen en heeft op 23 september 2025 een tweetal formulieren overlegd. Volgens UHT betreffen dit inschrijfformulieren voor opvang en de peuterspeelzaal met een voorkeur voor locatie en gewenste dagdelen. Het zijn geen formele overeenkomsten met juridische binding.

Daarnaast wijst het aankruisen van SMI (sociaal medische indicatie) op het formulier erop dat er mogelijk via de gemeente een vergoeding is verstrekt voor deze opvang. Deze gemeentelijke vergoeding valt buiten de verantwoordelijkheid van B/T. Dit sluit aan bij het ouderverhaal waarin wordt aangegeven dat de opvanginstelling de zaken heeft geregeld en dat de opvang direct is betaald. Eventuele terugbetalingen zouden dan ook niet via B/T zijn verlopen. Gemachtigde geeft aan dat belanghebbende nimmer een vergoeding vanuit de gemeente heeft ontvangen, hetgeen overeenkomt met het eerdere ouderverhaal.

De Commissie acht het niet aannemelijk, gelet op de stukken in het dossier, dat er door belanghebbende KOT is aangevraagd bij en ontvangen van B/T over het jaar 2005, noch dat er terugvorderingen door B/T hebben plaatsgevonden. De Commissie acht het bezwaar daarom ongegrond.

2009, 2011, 2012

Met betrekking tot het toeslagjaar 2009 constateert de Commissie dat de KOT is verlaagd vanwege wijzigingen van de aanvraag door belanghebbende. Over het jaar 2009 heeft belanghebbende een jaaropgave ingestuurd en was er sprake van een gewijzigd toetsingsinkomen. Volgens de ingediende jaaropgave is opvang genoten van januari tot en met april 2009.

Er zijn geen gegevens beschikbaar die aanleiding geven om te veronderstellen dat deze periode niet juist zou zijn. Voor de periode mei tot en met december 2009 bestond dus geen recht op KOT.

De Commissie is van oordeel dat de door B/T doorgevoerde wijzigingen reguliere wijzigingen betreffen die niet voor compensatie op grond van de Wht in aanmerking komen. B/T mocht uitgaan van de ontvangen informatie die tot de wijzigingen hebben geleid. Het bezwaar is ongegrond.

Met betrekking tot de jaren 2011 en 2012 constateert de Commissie op basis van het dossier dat er geen aanvragen KOT zijn ingediend bij B/T door belanghebbende en dat er geen KOT beschikkingen zijn afgegeven door B/T. Ook volgt uit het dossier niet dat er over deze jaren sprake was van één of meerdere terugvorderingen, hardheid van het stelsel of een onterechte opzet/ grove schuld kwalificatie.

Daarnaast heeft de Commissie in het dossier geen aanknopingspunten gevonden die erop wijzen dat belanghebbende gekwalificeerde kinderopvang heeft genoten over de genoemde jaren. De conclusie van UHT dat geen recht op compensatie bestaat acht de Commissie daarom juist. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

2013 tot en met 2019

De Commissie constateert op basis van het dossier dat belanghebbende over het jaar 2013 op 6 oktober 2013 een KOT aanvraag heeft ingediend bij B/T per 1 januari 2013. Op 18 november 2013 stuurde B/T belanghebbende een informatiebrief met het verzoek om gegevens van de afgenomen kinderopvang in te leveren. Belanghebbende gaf vervolgens op 27 november 2013 telefonisch een stopzetting van de KOT door per 1 januari 2013. Op 5 december 2013 gaf belanghebbende telefonisch nogmaals door dat zij geen KOT wenste te ontvangen en dat zij geen aanvraag KOT had gedaan. B/T stuurde belanghebbende op 18 december nogmaals een informatiebrief met het verzoek om gegevens. Belanghebbende heeft niet gereageerd op de informatiebrieven van B/T. Op 10 januari 2014 verwerkte B/T de stopzetting. Voor het jaar 2013 is geen beschikking KOT afgegeven. Ook hebben er geen uitbetalingen van KOT plaatsgevonden.

Gemachtigde stelt in zijn reactie van 23 september 2025 dat belanghebbende zich niet kan herinneren dat zij de KOT telefonisch heeft stopgezet. Belanghebbende heeft een formulier wijziging kindplaats overlegd van 22 mei 2013 waaruit zou moeten blijken dat er over de periode april tot en met december 2013 opvang is geweest. Volgens UHT werd met indienen van het formulier echter geen overeenkomst van plaatsing gesloten. UHT geeft aan dat het mogelijk is dat er in 2013 belanghebbende kinderopvang heeft genoten op grond van een sociaal medische indicatie (SMI). Daarvoor kan de gemeente een vergoeding verstrekken, maar deze opvang geeft geen recht op KOT en werd volledig buiten B/T om geregeld. Verder wijst UHT erop dat belanghebbende vanaf 2011 tot en met 2019 geen inkomen uit werk ontving maar een uitkering op basis van de Participatiewet. Dit is niet door belanghebbende betwist. Volgens UHT zijn dit aanwijzingen waarom belanghebbende mogelijk niet voldeed aan het recht op KOT.

De Commissie is van oordeel dat over het jaar 2013 geen recht bestaat op compensatie op basis van de Wht aangezien er geen KOT beschikking is afgegeven en geen KOT is uitbetaald door B/T. De stopzetting van de KOT door belanghebbende is een reguliere wijziging. De B/T mocht uitgaan van deze wijziging. Er is geen sprake van vooringenomen handelen door B/T. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Voor de jaren 2014 tot en met 2019 constateert de Commissie op basis van het dossier dat er géén KOT aanvragen over deze jaren zijn. De Commissie is van oordeel dat over de jaren 2014 tot en met 2019 daarom geen recht bestaat op compensatie op basis van artikel 2.1 Wht. Daaraan doet niet af dat de KOI viewer gegevens bevat over genoten kinderopvang.

Die opvang kan hebben plaatsgevonden op grond van een sociaal medische indicatie, in welk geval de kosten van de opvang zouden worden betaald door de gemeente in plaats van door B/T. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling forfaitaire compensatieberekening

UHT heeft in haar schriftelijke reactie van 2 september 2024 de compensatieberekening op onjuistheden getoetst en geconcludeerd dat de bedragen van componenten n en o onjuist zijn vastgesteld. De herberekende bedragen vallen zowel in het nadeel als in het voordeel van belanghebbende uit. Daarnaast heeft UHT ter zitting en in haar schriftelijke reactie van 15 september 2025 geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2007 (januari tot en met mei) en 2008 wegens vooringenomenheid behoort te worden gecompenseerd. De reeds gecompenseerde maanden juni, juli, augustus en december 2007 zullen qua bedragen worden aangepast in het voordeel van belanghebbende.

Nu is vast komen te staan dat de compensatieberekening onjuist is, acht de Commissie het bezwaar gegrond. Zij adviseert UHT de compensatieberekening in de beslissing op bezwaar te corrigeren overeenkomstig haar schriftelijke reactie van 15 september 2025. De Commissie ziet aanleiding UHT te adviseren de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade van belanghebbende te berekenen tot de datum van de beslissing op bezwaar.

O/GS beoordeling 2009 en 2010

Belanghebbende is het niet eens met de beslissing ten aanzien van de compensatie wegens O/GS voor wat betreft het niet uitkeren van deze compensatie, omdat het bedrag niet uitkomt boven het bedrag van de Catshuisregeling (€ 30.000). Belanghebbende is van mening dat deze compensatie los staat van de Catshuisregeling en aanvullend dient te worden verstrekt.

De Commissie stelt voorop dat voor een O/GS-tegemoetkoming vereist is dat een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd vanwege een onterechte O/GS-kwalificatie. De Commissie heeft hiervoor in het dossier aanwijzingen gevonden voor de jaren 2009 en 2010. Als de ouder het minimumbedrag van € 30.000 reeds heeft ontvangen, dan volgt alleen een nabetaling als het compensatiebedrag, waarvan de O/GS tegemoetkoming deel uitmaakt, het minimumbedrag overschrijdt. De O/GS tegemoetkoming bedraagt € 2.204,-. Aan belanghebbende is een forfaitair compensatiebedrag van € 22.931,- toegekend. De Commissie sluit niet uit dat er mogelijk een nabetaling aan belanghebbende dient plaats te vinden, aangezien de forfaitaire vergoeding door UHT opnieuw zal worden berekend in de beslissing op bezwaar. Zij adviseert UHT om een eventuele nabetaling in haar in haar beslissing op bezwaar mee te nemen. Het bezwaar is gegrond.

Schending motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel

Nu de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH niet in stand kan blijven, staat daarmee vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar dient te worden verbeterd.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gedeeltelijk gegrond is adviseert de Commissie UHT de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (indienen van een bezwaarschrift en bijwonen van de hoorzitting).

Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen (wegingsfactor twee).

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en als volgt te herroepen:
  • belanghebbende over het toeslagjaar 2007 (januari tot en met mei) en 2008 compensatie toe te kennen wegens vooringenomen handelen;
  • de compensatieberekening in de beslissing op bezwaar als volgt te corrigeren:
    • de berekening over het toeslagjaar 2007 (januari tot en met mei) en 2008 opnieuw vast te stellen;
    • de maanden juni, juli, augustus en december qua bedragen aan te passen in het voordeel van belanghebbende overeenkomstig de schriftelijke reactie van UHT d.d. 15 september 2025;
    • de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot de datum van de beslissing op bezwaar;
    • de rentevergoeding voor gemiste KOT opnieuw vast te stellen;
    • de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal van het compensatiebedrag aan te passen;
  • indien het forfaitaire compensatiebedrag boven de € 30.000,- uitkomt, aan belanghebbende een nabetaling te doen;
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van 2 procespunten met een wegingsfactor 2. De Commissie adviseert daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter