Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12442

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 28 december 2022 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 9 juli 2025

Overdracht advies aan UHT: 1 september 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor het jaar 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 8 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2013.
  • UHT heeft bij beschikking van 19 april 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat na een eerste beoordeling van de KOT over 2013 zij niet in aanmerking komt voor een vergoeding van €30.000,- en haar verzoek nader zal worden beoordeeld.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW is van oordeel dat gedurende het jaar 2013 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Ook heeft B/T bij de controle over toeslagjaar 2013 niet in strijd gehandeld met de beginselen van behoorlijk bestuur.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 28 december 2022 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor het jaar 2013.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 7 februari 2023, tegen deze beschikking een pro-forma bezwaarschrift ingediend.
  • Belanghebbende heeft op 28 juni 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 6 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Een op 21 mei 2025 geplande hoorzitting is op verzoek van belanghebbende uitgesteld.
  • Op 9 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft namens belanghebbende bij e-mails van 9 en 18 juli 2025 verzocht om een nadere hoorzitting, omdat zij niet is gehoord op 9 juli 2025.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Belanghebbende heeft wegens ziekte om uitstel van de hoorzitting van 21 mei verzocht. Zij wilde vervolgens per videoverbinding deelnemen aan de hoorzitting op 9 juli 2025.

Omdat deze hoorzitting niet op het geplande tijdstip kon beginnen, hebben belanghebbende en haar gemachtigde hier niet aan deelgenomen. Belanghebbende acht het onjuist dat de hoorzitting zonder haar heeft plaatsgevonden en verzoekt alsnog te worden gehoord. Dit verzoek wordt afgewezen.

Na het geplande aanvangstijdstip op 9 juli 2025 is gemachtigde geïnformeerd over de vertraging. Op dat moment kon echter nog niet worden aangegeven wanneer de hoorzitting precies zou beginnen. Toen de hoorzitting circa 30 minuten na het aanvangstijdstip alsnog kon worden gestart, is geprobeerd contact op te nemen met gemachtigde, onder andere telefonisch. Gemachtigde bleek toen niet bereikbaar. Nu de hoorzitting nog binnen de gebruikelijke tijdsspanne kon plaatsvinden, komt dit voor eigen risico.

Standpunt belanghebbende

In 2013 vroeg belanghebbende, als alleenstaande en werkende moeder, KOT aan in verband met de opvang van haar kind. Door verhalen uit haar omgeving over onverwachte terugvorderingen, problematische schulden en uithuisplaatsingen ontwikkelde ze een sterke angst voor problemen met toeslagen. Uit onzekerheid en wantrouwen tegenover de Belastingdienst besloot ze de toeslag stop te zetten en haar baan op te geven, zodat ze zelf voor haar kind kon zorgen. Deze beslissing was niet vrijwillig, maar werd ingegeven door angst. Hierdoor liep ze vertraging op in de afbetaling van haar studieschuld, waarmee ze nu nog steeds te maken heeft.

Belanghebbende is bovendien van mening dat het jaar 2012 ook moet worden beoordeeld.

Standpunt UHT

UHT is van mening dat terecht alleen het jaar 2013 is beoordeeld. Dat is namelijk het enige jaar waarvoor KOT is aangevraagd en waarover een beschikking is afgegeven. Voor dat jaar is een voorschot KOT toegekend, dat later is aangepast nadat belanghebbende de toeslag had stopgezet.

Hoewel UHT het betreurt dat belanghebbende aangeeft dat zij uit angst de KOT te hebben stopgezet, ziet zij daarin geen grond voor compensatie op basis van de herstelregelingen. In de beschouwing naar aanleiding van het bezwaar is beschreven hoe de gang van zaken is geweest. De voorschotbeschikking van 23 april 2013 met een jaarbedrag van €7.632,- is verlaagd bij beschikking van 21 september 2013.

De reden hiervan is de stopmelding van belanghebbende van 19 augustus 2013 met ingang van 29 november 2013. Dit leidde tot de beschikking die is vastgesteld over de periode van 15 maart 2013 tot en met 28 november 2013. Dit betreft een reguliere wijziging op basis van nieuwe gegevens.

Verder is geen sprake van hardheid. Er is geen sprake van een terugvordering van €1.500,- of meer (productie 0900001, pagina 2) of voldaan aan de overige vereisten, terwijl evenmin blijkt dat sprake is van een O/GS-kwalificatie (productie 1300001). Derhalve heeft belanghebbende geen recht op een tegemoetkoming.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2013 heeft afgewezen. Verder moet beoordeeld worden of toeslagjaar 2012 terecht niet is beoordeeld.

De Commissie overweegt dat een belanghebbende op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb inzagerecht in haar dossier heeft en voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht heeft op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken.

UHT heeft gedurende de bezwaarprocedure een uitgebreid bezwaardossier overgelegd en bijbehorende producties. Het komt de Commissie daarmee voor dat belanghebbende kan beschikken over de op haar zaak betrekking hebbende stukken.

Voorts stelt belanghebbende dat de bestreden beschikking onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd tot stand is gekomen.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. . In de beschouwing van 6 november 2024 heeft UHT nader toegelicht waarom belanghebbende geen recht heeft op compensatie. Het bezwaar slaagt niet.

Reguliere bijstellingen over toeslagjaar 2013

Belanghebbende stelt dat zij over toeslagjaar 2013 gecompenseerd dient te worden. Zij heeft de KOT direct zelf stopgezet uit angst om in de problemen te komen met de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).

De Commissie stelt vast dat belanghebbende reeds op 19 augustus 2013 de KOT heeft stopgezet per 29 november 2013, dus drie maanden later (productie 2700003). Hieruit blijkt niet dat er sprake is geweest van een directe stopzetting zoals belanghebbende aanvoert. De Commissie heeft bovendien in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2013 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over toeslagjaar 2013 vond uitsluitend zijn oorzaak in een te hoog gebleken voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanleiding om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.

Aanknopingspunten daarvoor ontbreken en de stopzetting in augustus 2013 op een termijn van ruim drie maanden biedt evenmin aanknopingspunt dat handelen van B/T daaraan ten grondslag heeft gelegen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt (productie 1300000). De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2012 niet beoordeeld

Belanghebbende stelt dat toeslagjaar 2012 ten onrechte niet is herbeoordeeld en verzoekt UHT om dit alsnog te doen.

Vaststaat dat belanghebbende voor het jaar 2012 geen KOT heeft aangevraagd (productie 0900001). Ingevolge artikel 2.1, lid 1, Wht wordt compensatie toegekend aan de aanvrager van KOT. Belanghebbende voldoet niet aan dit vereiste. Belanghebbende heeft in dit jaar niet betaald voor gekwalificeerde opvang. Evenmin blijkt dat over 2012 door B/T een beschikking is afgegeven. Het dossier bevat over 2012 slechts een aantekening over kindgebonden budget en kinderbijslag (pagina 127 dossier).

Daarom heeft UHT toeslagjaar 2012 terecht niet herbeoordeeld.

De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Discriminatie

Belanghebbende heeft in haar bezwaar om verduidelijking gevraagd met betrekking tot haar zorgen over mogelijke etnische profilering en of sprake is geweest van vooroordelen op basis van haar afkomst of dubbele nationaliteit.

De Commissie overweegt dat het dossier geen aanknopingspunten bevat die de geuite zorgen ondersteunen.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter