BAC 2023-12433
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 4 januari 2023 (UHT DCH) en 24 februari 2023 (UHT O OGS B)
Hoorzitting: 21 januari 2025
Overdracht advies aan UHT: 5 maart 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaarschriften gericht tegen het definitieve compensatiebedrag, de afgewezen toeslagjaren 2011 en 2013 en de tegemoetkoming opzet/grove schuld gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de volgende, met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht), door UHT genomen beschikkingen:
- De beschikking genomen op 4 januari 2023 met kenmerk UHT DCH, waarin UHT aan belanghebbende een definitief compensatiebedrag van € 17.153 toekent voor toeslagjaar 2012. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft voor dit toeslagjaar fouten gemaakt bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Het bedrag is op basis van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000. Compensatie voor de toeslagjaren 2011, 2013 en 2014 is afgewezen.
- De beschikking genomen op 24 februari 2023 met kenmerk UHT-O OGS B, waarin UHT aan belanghebbende een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GStegemoetkoming) toekent van €11.001 voor de toeslagjaren 2011 en 2013. De reden is dat B/T in het verleden ten onrechte niet heeft meegewerkt aan het verzoek van belanghebbende om een betalingsregeling. Omdat het bedrag lager is dan het surplus van de Catshuisregeling, wordt geen extra bedrag uitbetaald.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 21 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT voor de toeslagjaren 2016 en 2017. Omdat belanghebbende in die jaren geen kinderopvang heeft afgenomen, is de periode van herbeoordeling in overleg met belanghebbende aangepast en ziet deze op de toeslagjaren 2011 tot en met 2014.
- Bij beschikking van 1 april 2021 heeft UHT op basis van de uitgevoerde lichte toets €30.000 toegekend.
- Op 12 september 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) als advies
uitgebracht dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van
toepassing zijn op de toeslagjaren 2011, 2013 en 2014. - Op 7 november 2022 heeft UHT als vooraankondiging het voorlopige
compensatiebedrag voor toeslagjaar 2012 bepaald op €16.485. - Op 4 januari 2023 heeft UHT het definitieve compensatiebedrag voor toeslagjaar 2012 vastgesteld op €17.153 en compensatie voor de toeslagjaren 2011, 2013 en 2014 afgewezen.
- Op 24 februari 2023 heeft UHT voor de toeslagjaren 2011 en 2013 een O/GStegemoetkoming van totaal €11.001 toegekend. Omdat het bedrag lager is dan het surplus van de Catshuisregeling, is geen extra bedrag uitbetaald.
- Op 30 januari 2022 en 13 maart 2023 heeft gemachtigde tegen beide beschikkingen een separaat bezwaarschrift ingediend.
- Op 18 juli 2024 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
- Op 21 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- De Commissie bestaande uit voorzitter en leden heeft dit advies behandeld.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend, compensatie voor de toeslagjaren 2011, 2013 en 2014 terecht is afgewezen en de O/GS-tegemoetkoming op de juiste manier tot stand is gekomen.
Compensatieberekening
Gemachtigde voert aan dat niet inzichtelijk is hoe het compensatiebedrag voor
toeslagjaar 2012 is vastgesteld en vraagt zich af waarom component i (de in rekening gebrachte invorderingsrente) op nul is gesteld.
UHT heeft in haar schriftelijke reactie en tijdens de hoorzitting uiteen gezet hoe de
compensatieberekening is opgebouwd. UHT stelt met betrekking tot component i dat uit het overzicht van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC-overzicht) blijkt dat destijds geen invorderingsrente in rekening is gebracht bij belanghebbende. Wel is er een onjuist bedrag aan de rentevergoeding over de gemiste KOT (component o) berekend. Dit had € 5.010 moeten zijn in plaats van €4.623. UHT acht het bezwaar op dit punt gegrond en zal de compensatieberekening aanpassen in de beslissing op bezwaar en de aanvullende vergoeding van 1% (component p van de compensatieberekening) berekenen over het nieuwe bedrag. De Commissie adviseert UHT om aan deze toezeggingen gevolg te geven en de compensatieberekening op dit onderdeel aan te passen.
Afgewezen toeslagjaren 2011, 2013 en 2014
Gemachtigde heeft tijdens de hoorzitting toegelicht dat de bevindingen van UHT met betrekking tot de toeslagjaren 2011 en 2013 niet kloppen. Belanghebbende heeft in 2011 bij meerdere kinderopvanginstellingen opvang afgenomen. Gemachtigde vermoedt dat de kinderopvang bij kinderdagverblijf [naam] destijds onterecht door B/T niet is meegenomen in de berekening van KOT. Voor toeslagjaar 2013 stelt UHT dat belanghebbende de KOT zelf op 10 december 2013 heeft stopgezet. Gemachtigde stelt dat dit niet klopt en ook niet logisch is. Belanghebbende heeft bijna geheel 2013 wel kinderopvang afgenomen, dat heeft ze ook gesteld in een bezwaarschrift gedateerd op 14 augustus 2014. Gemachtigde heeft voorafgaand aan de hoorzitting een jaaropgaaf van [naam] Kinderopvang Zoetermeer overlegd. De jaaropgaaf is gedateerd op 10 februari 2014 en hieruit blijkt dat belanghebbende van 1 januari 2013 tot 15 oktober 2013 in totaal afgerond 1.054 uur aan kinderopvang heeft afgenomen. Volgens gemachtigde had
B/T het in 2014 ingediende bezwaarschrift ook als herzieningsverzoek voor toeslagjaar 2013 moeten opvatten. Gemachtigde stelt dat belanghebbende voor de toeslagjaren 2011 en 2013 alsnog gecompenseerd dient te worden op basis van vooringenomenheid dan wel hardheid.
UHT stelt dat voor toeslagjaar 2011 één neerwaartse correctie heeft plaatsgevonden die is gebaseerd op door belanghebbende aangeleverde informatie. Het betreft volgens UHT een reguliere correctie. Voor toeslagjaar 2013 stelt UHT dat belanghebbende de KOT zelf heeft stopgezet. Omdat deze stopzetting heeft plaatsgevonden voordat belanghebbende geconfronteerd werd met de terugvorderingen voor toeslagjaar 2012, is er volgens UHT geen causaal verband tussen de door belanghebbende gedane stopzetting en de terugvordering voor toeslagjaar 2012 op 15 augustus 2014.
De Commissie overweegt met betrekking tot toeslagjaar 2011 als volgt. Uit het
bezwaardossier volgt dat voor toeslagjaar 2011 aan belanghebbende in eerste instantie een voorschot van €14.960 aan KOT is toegekend. Op 5 februari 2014 heeft B/T de KOT neerwaarts bijgesteld naar €9.091 en een bedrag van €5.869 teruggevorderd bij belanghebbende. Verder blijkt uit het dossier dat belanghebbende middels een antwoordformulier, gedateerd op 15 augustus 2012, heeft aangegeven dat in toeslagjaar 2011 voor 2244 uur aan opvang is afgenomen (productie 21). Als bijlage heeft belanghebbende een plaatsingsovereenkomst meegestuurd van kinderdagverblijf [naam]. De plaatsingsovereenkomst is gedateerd op 20 september 2011. In de plaatsingsovereenkomst staat dat de ingangsdatum van de plaatsing 16 september 2011 is. Uit de tijdlijn van het Informatie- en beoordelingsformulier (productie 4) valt ook te herleiden dat belanghebbende het antwoordformulier en de plaatsingsovereenkomst destijds heeft toegestuurd aan B/T. Voorts valt uit de tijdlijn op te maken dat volgens de KOI-viewer voor toeslagjaar 2011 van 1 januari 2011 tot 15 september 2011 gebruik is gemaakt van kinderopvanginstelling [naam] en van 1 december 2011 tot 30 december 2011 van kinderopvanginstelling [naam]. De Commissie constateert
dat de plaatsing bij kinderdagverblijf [naam] voor de periode van 16 september
2011 tot december 2011 hier niet wordt vermeld en ook niet is meegerekend door B/T bij het vaststellen van de KOT voor toeslagjaar 2011, terwijl deze informatie wel is aangeleverd door belanghebbende. B/T heeft destijds blijkbaar ook geen aanleiding gezien om hierover nadere informatie op te vragen bij belanghebbende. Volgens het Handboek Integrale Beoordeling is het niet correct verwerken van door belanghebbende aangeleverde stukken verwijtbaar aan B/T en wordt daarom aangemerkt als vooringenomen handelen. Derhalve adviseert de Commissie het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en belanghebbende ook voor toeslagjaar 2011 te compenseren wegens vooringenomenheid.
Met betrekking tot toeslagjaar 2013 overweegt de Commissie als volgt. Voor toeslagjaar 2013 werd in eerste instantie een voorschot van €6.140 aan belanghebbende toegekend. Naar aanleiding van een hoger toetsingsinkomen is het voorschot op 23 april 2013 neerwaarts bijgesteld naar €5.599. Volgens UHT blijkt uit productie 49 dat belanghebbende op 10 december 2013 telefonisch de KOT per 1 februari 2013 heeft stopgezet. Een medewerker van B/T heeft dit destijds als zodanig in de systemen geregistreerd. Er is geen telefoonnotitie van dit gesprek in het dossier. Volgens het Informatie- en beoordelingsformulier blijkt uit de gegevens van KOI-viewer dat in 2013 negen en halve maand lang voor 111,1 uur opvang is genoten. Dit komt overeen met de door gemachtigde voor de hoorzitting ingebrachte jaaropgaaf voor toeslagjaar 2013. Voorts volgt uit het bezwaardossier dat belanghebbende op 15 augustus 2014 een bezwaarschrift heeft ingediend (productie 28). In het bezwaarschrift geeft belanghebbende aan dat haar zoon tot 2014 opvang heeft gehad. Bij het bezwaarschrift heeft belanghebbende de terugvordering over toeslagjaar 2012, gedateerd op 9 augustus 2014 gevoegd en daar met de hand ook de jaren 2011, 2013 en 2014 bijgeschreven. Tevens heeft belanghebbende kopieën van de plaatsingsovereenkomsten voor de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013 bijgevoegd. Gemachtigde stelt derhalve dat dit bezwaarschrift ook als herzieningsverzoek dan wel als bezwaarschrift voor toeslagjaar 2013 had moeten worden aangemerkt. Voorts heeft gemachtigde tijdens de hoorzitting benadrukt dat belanghebbende in december 2013 niet zelf heeft verzocht om het stopzetten van de KOT voor toeslagjaar 2013 omdat ze bijna het gehele jaar opvang heeft afgenomen, een eventuele stopzetting had mogelijk betrekking op toeslagjaar 2014.
Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, zoals onder andere dat bijna het gehele toeslagjaar 2013 opvang is afgenomen, de door een medewerker van B/T handmatig doorgevoerde stopzetting in december 2013 voor toeslagjaar 2013 naar aanleiding van een telefonisch contact met belanghebbende waarvan geen
gespreksnotitie is aangetroffen en welke door belanghebbende wordt betwist, en het door belanghebbende in 2014 ingediende bezwaarschrift waarin zij uitdrukkelijk aangeeft ook in 2013 opvang te hebben afgenomen en hiervan stukken heeft bijgevoegd, is de Commissie van oordeel dat ook voor toeslagjaar 2013 sprake is geweest van het niet correct verwerken van door belanghebbende aangeleverde stukken. Derhalve adviseert de Commissie het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en belanghebbende ook voor toeslagjaar 2013 te compenseren wegens vooringenomenheid.
Voor toeslagjaar 2014 is de Commissie gebleken dat geen KOT is aangevraagd en ook geen KOT is teruggevorderd. Derhalve acht de Commissie dat compensatie voor toeslagjaar 2014 terecht is afgewezen.
UHT heeft de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie adviseert UHT daarom dit beleid ook in dit geval toe te passen.
O/GS-tegemoetkoming (UHT-O OGS B)
Nu de Commissie adviseert om belanghebbende voor de toeslagjaren 2011 en 2013 te compenseren wegens vooringenomenheid, brengt dit met zich mee dat tevens de beschikking over de O/GS-tegemoetkomingen herzien moet worden. Op grond van artikel 2.6 lid 4 Wht blijft toekenning van een O/GS-tegemoetkoming immers achterwege indien ten aanzien van de terugvordering recht bestaat op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 over hetzelfde berekeningsjaar bestaat.
Proceskostenvergoeding
Nu de bezwaren naar de mening van de Commissie gegrond zijn en het advies van de Commissie ertoe strekt om beide beschikkingen te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (twee bezwaarschriften en één hoorzitting). De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- het bezwaarschrift gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT DCH gegrond te verklaren, de compensatieberekening voor toeslagjaar 2012 aan te passen conform bovenstaande overwegingen en belanghebbende te compenseren voor de toeslagjaren 2011 en 2013;
- het bezwaarschrift gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT O OGS B gegrond te verklaren en de beschikking te herzien; en
- een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter