BAC 2023-12431
Publicatiedatum 11-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 13 januari 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 27 november 2024 om 14:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 3 februari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 13 januari 2023. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor het jaar 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft 22 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2011.
- UHT heeft bij beschikking van 16 februari 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- Met betrekking tot het bezwaar van belanghebbende tegen voornoemde beschikking van 16 februari 2022 heeft de Commissie aan UHT geadviseerd om bij de integrale beoordeling nader onderzoek te doen over de gang van zaken in 2011 en 2012. Op 22 oktober 2022 heeft UHT overeenkomstig het advies van de Commissie op het bezwaar beslist.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende ten behoeve van de integrale beoordeling op 3 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat ten aanzien van het jaar 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 13 januari 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor het jaar 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 27 januari 2023, ingekomen op 30 januari 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 26 juli 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 27 november 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over het jaar 2011 af te wijzen.
Belanghebbende is van mening dat zij over het jaar 2011 ten onrechte niet is gecompenseerd. Zij stelt dat sprake is van vooringenomen handelen en voert daartoe, samengevat weergegeven, aan dat haar in 2012 in een telefoongesprek met B/T is gezegd dat er een fout is gemaakt bij de toekenning van de KOT, dat belanghebbende nimmer KOT had mogen ontvangen en dat de toegekende KOT zou worden teruggevorderd omdat sprake zou zijn van fraude, gepleegd door belanghebbende.
Bovendien heeft belanghebbende meermaals een aanvraag in 2011 gedaan, zonder dat zij een reactie ontving. Pas nadat zij in januari 2012 een digitale aanvraag indiende, ontving zij een beschikking van B/T. Van de gehele gang van zaken heeft belanghebbende veel last gehad. Naast de omstandigheid dat belanghebbende gedurende enige tijd de kosten voor opvang heeft moeten voorschieten omdat zij op de eerdere aanvragen in 2011 geen reactie ontving, heeft zij na het telefoongesprek met B/T waarin werd aangekondigd dat de toegekende KOT zou worden teruggevorderd de opvang stopgezet en heeft zij daarna ook geen KOT meer durven aanvragen, terwijl zij daar wel recht op had.
UHT meent, samengevat weergegeven, dat niet gebleken is van vooringenomen handelen door B/T over het jaar 2011. De enige aanvraag die bij UHT bekend is, is de aanvraag van 21 januari 2012. Naar aanleiding van de desbetreffende aanvraag is bij beschikking van 2 mei 2012 aan belanghebbende een voorschot toegekend en uitbetaald. Er is nimmer sprake geweest van een neerwaartse correctie, terugvordering of stopzetting van de KOT.
De Commissie overweegt als volgt.
De Commissie stelt allereerst vast dat niet in discussie is dat belanghebbende over elf maanden van 2011 (februari tot en met december 2011) terecht KOT heeft ontvangen. Zij en haar partner werkten en er is volgens de jaaropgave van het gastouderbureau in 2011 geregistreerde kinderopvang afgenomen. Verder blijkt uit het dossier dat de over 2011 toegekende KOT correspondeert met de afgenomen opvang en er is niet gebleken dat belanghebbende daarin is tekort gedaan. Evenmin blijkt van een beschikking tot vermindering of beëindiging van KOT over 2011, zodat in zoverre geen sprake is van schade als gevolg van vooringenomenheid in de zin van artikel 2.1 lid 1 van de Wht, die in een procedure als deze voor compensatie in aanmerking komt.
Gelet op wat belanghebbende heeft aangevoerd, overweegt de Commissie voorts als volgt.
Dat voor het jaar 2011 voorafgaand aan de schriftelijke aanvraag voor KOT op 21 januari 2012 een aanvraag is ingediend en daarover telefonische contacten tussen belanghebbende en B/T zijn geweest, is ondanks onderzoek door UHT niet gebleken. UHT heeft ter zitting verklaard dat geen enkel gegeven bekend is over contacten met belanghebbende voorafgaand aan de aanvraag van 21 januari 2012. Ook belanghebbende heeft geen informatie verstrekt die haar – op zich genomen consistente – verklaring over schriftelijke aanvragen en telefonische contacten in 2011 ondersteunen. De feitelijke gezinssituatie van belanghebbende geeft geen aanleiding die verklaring niet serieus te nemen. Belanghebbende voldeed immers in 2011 aan alle voorwaarden voor toekenning van de KOT. Zij en haar echtgenoot waren beiden fulltime werkzaam en zij had opvang nodig voor haar zoon die in december 2010 was geboren. De gastouder waarvan belanghebbende gebruik maakte voor de noodzakelijke opvang is de zus van belanghebbende, die, zo blijkt uit de dossierstukken, met ingang van 15 februari 2011 stond ingeschreven in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). De kosten voor de opvang heeft belanghebbende, omdat een beslissing door B/T op de aanvraag (of aanvragen) in 2011 uitbleef, naar zij stelt noodgedwongen moeten voorschieten en zijn blijkens de jaaropgave daadwerkelijk gemaakt. Echter, nu noch van de kant van belanghebbende, noch van de kant van UHT en B/T gegevens zijn ingebracht die aanknopingspunten kunnen bieden over de gang van zaken en de gestelde contacten in het jaar 2011, kan de Commissie op deze grond geen aanwijzing zien dat sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T.
Dat belanghebbende op 21 januari 2012 een (digitale) aanvraag heeft ingediend (productie 19) en dat B/T die aanvraag in behandeling heeft genomen, is tussen partijen niet in geschil. Bij voorschotbeschikking van 2 mei 2012 is de KOT over 2011 toegekend. Uit de tijdlijn in het dossier blijkt dat een notitie is gemaakt op 25 januari 2012. De notitie luidt als volgt: “uitval d12 opvangsoort onbekend in lrk, uitval doorgezet naar ito”. Op de hoorzitting heeft de behandelend ambtenaar van UHT desgevraagd aangegeven waar de bewoordingen in deze notitie op duiden. Volgens de behandelend ambtenaar is deze notitie voor de beoordeling van de onderhavige zaak niet relevant, omdat het slechts een interne notitie betreft en B/T verder geen uitvoering hieraan heeft gegeven. De Commissie overweegt dienaangaande dat op zichzelf genomen denkbaar is dat, nu de aanvraag van belanghebbende is gedaan in januari 2012, terwijl de opvang reeds in februari 2011 is aangevangen, van de zijde van B/T een notitie wordt gemaakt ter zake een toezichtshandeling, waar verder geen uitvoering aan is gegeven zoals door de behandelend ambtenaar van UHT ter zitting is verklaard.
Voorts is ter gelegenheid van de hoorzitting door de Commissie aan UHT verzocht om duidelijkheid te verschaffen over de omstandigheid dat de reeds toegekende KOT voor het jaar 2011 niet automatisch is gecontinueerd in 2012. Belanghebbende heeft immers verklaard dat zij de KOT wegens de mededelingen in een telefoongesprek met B/T niet opnieuw durfde aan te vragen en zij de opvang heeft stopgezet. Belanghebbende stelt hier nadeel van te hebben ondervonden.
De Commissie overweegt dat de KOT over het jaar 2011 voor het eerst als aanvraag in het systeem vindbaar is met de aanvraag van 21 januari 2012. Dat betekent dat een automatische continuering voor het jaar 2012 gelet op de datum van de aanvraag al niet meer mogelijk was. Daarnaast vermeldt het XML-bestand van de aanvraag een einddatum van 31 december 2011 (door belanghebbende zelf ingevuld). De notitie in de tijdlijn is daarom eveneens onvoldoende om daarin een aanwijzing te zien van vooringenomen handelen. Deze notitie heeft niet geleid tot een stopzetting, terugvordering of niet verlenen van de KOT. Daarnaast is de door belanghebbende gestelde schade ten gevolge van de geschetste gang van zaken onvoldoende onderbouwd. In 2012 is geen nieuwe aanvraag KOT gedaan. Belanghebbende heeft zich ook niet op het standpunt gesteld dat zij in 2012 geen kinderopvang meer kon aanvragen of dat aanvragen daartoe niet in behandeling werden genomen door B/T.
De Commissie concludeert gelet op al het voorgaande dat het bezwaar geen doel kan treffen.
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en een vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter