BAC 2023-12421
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 13 december 2022 (UHT-DCH) en 14 juni 2023 (UHT-DCHA)
Overdracht advies aan UHT: 28 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift tegen de definitieve compensatie voor toeslagjaar 2017 en
2018 deels gegrond te verklaren en het bezwaarschrift gericht tegen afgewezen
toeslagjaar 2019, ongegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een
vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de volgende met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) genomen besluiten:
- De beschikking van 13 december 2022, waarin UHT aan belanghebbende een compensatiebedrag van € 8.237 toekent voor de toeslagjaren 2017 en 2018. De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag voor deze jaren fouten gemaakt. Op grond van de Catshuisregeling is het bedrag aangevuld tot €30.000.
- De beschikking van 14 juni 2023, waarin UHT compensatie voor toeslagjaar 2019 afwijst.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 17 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) van de toeslagjaren 2017 en 2018.
- Bij beschikking van 20 december 2021 heeft UHT aangegeven dat het op basis van de eerste lichte toets nog geen reden ziet om aan belanghebbende €30.000 toe te kennen en dat de integrale beoordeling nog moet worden uitgevoerd.
- Op 10 november 2022 heeft UHT als vooraankondiging het voorlopige
compensatiebedrag voor de toeslagjaren 2017 en 2018 bepaald op €8.202. - Op 13 december 2022 heeft UHT het definitieve compensatiebedrag voor de
toeslagjaren 2017 en 2018 vastgesteld op €8.237. Het bedrag is op grond van de
Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000. - Op 11 januari 2023 heeft gemachtigde hiertegen een bezwaarschrift ingediend.
- Naar aanleiding van het bezwaarschrift is op 17 april 2023 ook de herbeoordeling van toeslagjaar 2019 gestart.
- Op 2 juni 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) als advies uitgebracht dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op toeslagjaar 2019.
- Op 14 juni 2023 heeft UHT compensatie voor toeslagjaar 2019 afgewezen.
- Op 25 juli 2023 heeft gemachtigde een bezwaarschrift ingediend tegen het afwijzen van compensatie voor toeslagjaar 2019.
- Op 1 augustus 2024 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
- Op 7 oktober 2024 heeft UHT aan belanghebbende een schikkingsvoorstel gedaan. Het schikkingsvoorstel was geldig tot 4 november 2024. Belanghebbende heeft hier niet mee ingestemd.
- Op 8 april 2025 is belanghebbende uitgenodigd voor een hoorzitting op 3 juni 2025.
- Op 2 juni 2025 heeft de gemachtigde de Commissie per e-mail verzocht of
belanghebbende alsnog akkoord kan gaan met het eerder door UHT gedane
schikkingsvoorstel. Het verzoek van gemachtigde is doorgestuurd aan UHT. - Op 2 juni 2025 heeft UHT het schikkingsvoorstel opnieuw aangeboden.
- Op 3 juni 2025 heeft gemachtigde per e-mail aangegeven dat belanghebbende
akkoord wenst te gaan met het schikkingsvoorstel en dat na ondertekening het
bezwaar wordt ingetrokken. Partijen zijn niet verschenen op de geplande hoorzitting van 3 juni 2025. - Op 18 augustus 2025 heeft de Commissie van UHT vernomen dat belanghebbende het schikkingsvoorstel niet heeft ondertekend en de bezwaarprocedure wenst voort te zetten. Tevens is de Commissie gebleken dat bij de rechtbank voor een tweede maal een beroep is ingesteld dat niet tijdig is beslist in onderhavige bezwaarprocedure.
- Op 19 augustus 2025 heeft de Commissie gemachtigde laten weten over te gaan tot advisering. Gemachtigde is in de gelegenheid gesteld om, indien gewenst, uiterlijk op 21 augustus 2025 nog een nadere reactie in te dienen. Er is geen reactie ontvangen.
- De Commissie, bestaande uit voorzitter en leden heeft dit advies behandeld.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2017 en 2018 op de juiste wijze heeft berekend en compensatie voor toeslagjaar 2019 terecht heeft afgewezen. Voorts zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.
Compensatieberekening
De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In de schriftelijke beschouwing heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht. Daarbij is UHT tot de conclusie gekomen dat de te vergoeden toeslagrente gemiste KOT (regel o van de compensatieberekening) voor toeslagjaar 2017 onjuist is berekend. Dit had €523 moeten zijn in plaats van € 406. UHT acht het bezwaar op deze punten gegrond en zal de compensatieberekening aanpassen in de beslissing op bezwaar en de aanvullende vergoeding van 1% (component p van de compensatieberekening) berekenen over het nieuwe bedrag.
De Commissie adviseert UHT om aan deze toezegging gevolg te geven en de
compensatieberekening aan te passen conform de in de schriftelijke beschouwing
opgenomen toezeggingen. UHT heeft de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. De Commissie adviseert UHT daarom dit beleid ook in dit geval toe te passen.
De overige bedragen in de compensatieberekening zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen en definitieve beschikkingen. De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reactie, de toelichting tijdens de hoorzitting en de overige producties, de compensatieberekening en het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand gekomen.
Afgewezen toeslagjaar 2019
Met betrekking tot het afgewezen toeslagjaar 2019 overweegt de Commissie als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.
In de schriftelijke beschouwing, het bestreden besluit en het informatie- en
beoordelingsformulier is voor de toeslagjaar 2019 uitgebreid beschreven en toegelicht welke neerwaartse en opwaartse wijzigingen in de KOT hebben plaatsgevonden. De KOT is neerwaarts bijgesteld van als gevolg door belanghebbende zelf gedane stopzetting van de KOT. Tevens is geen sprake van een weigering tot het toekennen van een betalingsregeling als gevolg van een kwalificatie opzet/grove schuld.
Geplaatst tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden overweegt de
Commissie dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor
toeslagjaar 2019 geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. Het betreffen allen reguliere correcties die zijn gebaseerd op door belanghebbende doorgegeven wijzigingen. De beschreven wijzigingen worden ondersteund door de stukken in het bezwaardossier. De Commissie overweegt verder dat het inherent is aan het systeem van toeslagen dat, zolang het recht op toeslag nog niet definitief is vastgesteld, B/T door tussentijdse wijzingen in het inkomen of het aantal opvanguren die een ouder doorgeeft op basis van zijn informatieplicht, het
voorschot KOT kan aanpassen. Deze systematiek maakt niet dat de terugvordering van het teveel uitbetaalde voorschot ten onrechte heeft plaatsgevonden.
Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het advies van de CvW en het standpunt van UHT met betrekking tot afgewezen toeslagjaar 2019 onjuist te achten. De Commissie is verder van oordeel dat met het indienen van het schriftelijke verweer en de overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand is gekomen. De Commissie acht het bezwaar ongegrond.
Beslagvrije voet
Belanghebbende heeft bij gebrek aan wetenschap gesteld dat B/T in het verleden geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet en neemt daarom het standpunt in dat sprake is van hardheid van het stelsel. De Commissie begrijpt de stellingname van belanghebbende aldus dat bij een eventuele verrekening geen rekening met de beslagvrije voet is gehouden. De Commissie overweegt dat het verrekenen van terechte terugvorderingen geen compensatie op grond van hardheid oplevert.
Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GSkwalificatie
waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet
gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het
ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14). Aan de bezwaargrond dat de B/T bij de verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, komt de Commissie gelet op wat hiervoor is overwogen niet meer toe. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het
bezwaar ongegrond te verklaren.
Bezwaardossier
Met betrekking tot het bezwaardossier overweegt de Commissie dat op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht heeft op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift, met alle van belang zijnde producties is aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
'Equality of arms'
Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde
bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn
geweest bij het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad. Nog los van de vraag of dat beginsel als zodanig van toepassing is in de bezwaarfase, volgt de Commissie gemachtigde daarom niet in haar stelling dat het beginsel van 'equality of arms' geschonden zou zijn.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaarschrift gericht tegen het besluit met kenmerk UHT-DCH deels gegrond is, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (één bezwaarschrift). De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie:
- het bezwaarschrift tegen het besluit met kenmerk UHT-DCH deels gegrond te verklaren en de compensatieberekening aan te passen conform bovenstaande overweging;
- het bezwaarschrift tegen het besluit met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren; én
- een proceskostenvergoeding tot te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter