BAC 2023-12356
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 1 februari 2023 met kenmerken UHT-DCH en UHT-O OGS B
Hoorzitting: 11 november 2024 om 10:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 20 februari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking met
kenmerk UHT-DCH op onderdelen te herroepen, de compensatie opnieuw te
berekenen met inachtneming van dit advies en een proceskostenvergoeding toe
te kennen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag en de definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 24.405 voor het toeslagjaar 2015 en de maanden januari tot en met maart 2018 en een tegemoetkoming voor O/GS voor een bedrag van €9.430 voor de toeslagjaren 2016, 2017 en april tot en met december 2018.
Procesverloop
- UHT heeft op 11 juni 2020 het verzoek van belanghebbende om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) voor de toeslagjaren
2010 tot en met 2020 ontvangen. In overleg met belanghebbende is een
herbeoordeling uitgevoerd over de toeslagjaren 2015 tot en met 2018. - UHT heeft bij beschikking van 30 april 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 aan
belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van
€30.000. - De Commissie van Wijzen (hierna: Cvw) heeft haar beoordeling van het verzoek
van belanghebbende op 6 oktober 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
geoordeeld dat gedurende het toeslagjaar 2017 geen sprake is geweest van
institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). In het toeslagjaar 2016 en april tot en met december 2018 was sprake van vooringenomen handelen door B/T, maar had belanghebbende evident geen recht op KOT. Daarom komt zij niet in aanmerking voor compensatie. Ook is geen sprake geweest van bijzondere omstandigheden. - UHT heeft bij vooraankondiging van 14 november 2022 met kenmerk UHT-VC I
aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van €24.321. - UHT heeft bij de bestreden beschikking van 1 februari 2023 met kenmerk UHT DCH aan belanghebbende voor het toeslagjaar 2015 en januari tot en met maart 2018 een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van €24.405.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 1 februari 2023 met kenmerk UHT-O
OGS B aan belanghebbende voor de toeslagjaren 2016, 2017 en april tot en met
december 2018 een tegemoetkoming voor O/GS toegekend voor een bedrag €9.430. - Gemachtigde heeft bij brieven van 1 maart 2023 namens belanghebbende tegen
de voornoemde beschikkingen bezwaarschriften ingediend. - UHT heeft op 26 maart 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Gemachtigde heeft op 6 november 2024 de gronden van bezwaar aangevuld.
- Op 11 november 2024 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden in
aanwezigheid van partijen. Een verslag hiervan is achter dit advies gevoegd. - UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 17 december 2024 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
- Gemachtigde heeft op 14 januari 2025 schriftelijk gereageerd op de nadere
schriftelijke reactie van UHT. - De Commissie, bestaande uit voorzitter en leden, heeft de bezwaren behandeld en dit advies uitgebracht.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie en de O/GS-tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor het toeslagjaar 2016 en de maanden april tot en met december 2018 af te wijzen.
Motiveringsbeginsel
De Commissie is van oordeel dat ter motivering van de bestreden beschikkingen gewezen kan worden op het bezwaardossier en het schriftelijke verweer van UHT. in het bezwaardossier zijn voorschotbeschikkingen, definitieve vaststellingen van de KOT, SAS-, RKT- en LIC-overzichten opgenomen. De Commissie is van oordeel dat UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikkingen weliswaar niet voldoende heeft toegelicht, maar dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van LIC-overzichten en overige producties de bestreden beschikkingen voldoende zijn onderbouwd.
Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zij niet beschikt over haar persoonlijk dossier. Op grond van het bepaalde in artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar te beslissen de op de zaak betrekking hebbende stukken aan gemachtigde ter beschikking stellen. Het betreft hier onder meer de LIC-overzichten van de toeslagjaren 2015 tot en met 2018. De Commissie meent dat gemachtigde op 2 juli 2024 in het bezit is gesteld van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verzoek van belanghebbende om haar persoonlijk dossier staat daarmee niet in de weg aan de behandeling van en beslissing op haar bezwaar. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Equality of arms
Belanghebbende voert aan dat het volledige dossier niet is verstrekt en dat UHT daardoor in strijd heeft gehandeld met het beginsel van 'equality of arms' in de zin van artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. Belanghebbende is hierdoor in haar processuele belangen geschaad. De Commissie meent, zoals hiervoor al is overwogen, dat belanghebbende in het bezit is gesteld van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarmee is in deze bezwaarprocedure gewaarborgd dat partijen in een gelijkwaardige positie ten opzichte van elkaar verkeren ('equality of arms'). De Commissie adviseert om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Afwijzing compensatie toeslagjaar 2016
Belanghebbende stelt dat zij dient te worden gecompenseerd voor het toeslagjaar 2016, omdat in dit jaar vooringenomen is gehandeld door B/T. Zij betwist de stelling van UHT dat zij in het toeslagjaar 2016 geen kinderopvang heeft afgenomen. UHT baseert zich op de gegevens uit de KOI-viewer. Belanghebbende stelt dat niet kan worden uitgegaan van de KOI-viewer en dat haar verhaal als uitgangspunt moet worden genomen.
De Commissie overweegt dat in het toeslagjaar 2016 sprake is geweest van
vooringenomen handelen door B/T. Belanghebbende gaf op 3 augustus 2016 door dat twee van haar kinderen vanaf 1 juli 2016 werden opgevangen bij een andere
kinderopvanginstelling. Van deze kinderopvanginstelling ontbraken gegevens in de KOIviewer. B/T had daarom uitvraag moeten doen bij belanghebbende om de situatie te beoordelen. UHT heeft echter geen uitvraagbrief kunnen vinden in de systemen van B/T. Een en ander levert vooringenomen handelen van B/T jegens belanghebbende op.
Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zij kinderopvang heeft afgenomen na januari 2016. UHT stelt dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens in de KOI-viewer en belanghebbende daarom van februari tot en met december 2016 evident geen recht had op KOT. De Commissie overweegt hierover als volgt. In het toeslagjaar 2017 heeft belanghebbende kinderopvang afgenomen bij dezelfde kinderopvanginstelling als waarvoor zij op 3 augustus 2016 vanaf 1 juli 2016 KOT heeft aangevraagd. In de KOI-viewer van het toeslagjaar 2017 staan, evenals in 2016, geen gegevens van deze kinderopvanginstelling. Voor de maanden januari tot en met augustus 2017 is wel KOT aan belanghebbende toegekend nadat zij op verzoek van B/T bewijsstukken had aangeleverd. Voor het jaar 2016 heeft belanghebbende geen bewijsstukken van afgenomen kinderopvang aangeleverd. De Commissie ziet echter geen aanleiding om te twijfelen aan het verhaal van belanghebbende dat zij in 2016 kinderopvang heeft afgenomen. Dat de KOI-viewer daarover geen gegevens bevat, is geen reden om het
verhaal van belanghebbende in twijfel te trekken. Uit het vorenstaande volgt immers dat in het geval van belanghebbende B/T zelf de informatie in de KOI-viewer niet doorslaggevend achtte. Dat zo zijnde meent de Commissie dat niet aannemelijk is dat bij belanghebbende sprake was van ernstige onregelmatigheden die aan haar kunnen worden toegerekend. Dus kan niet worden geconcludeerd dat zij evident geen recht had op KOT. De Commissie adviseert daarom het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2016.
Afwijzing compensatie april tot en met december 2018
Belanghebbende stelt dat zij geheel 2018 kinderopvang heeft afgenomen en daarom voor het gehele jaar dient te worden gecompenseerd. UHT heeft compensatie toegekend voor de maanden januari tot en met maart 2018 en stelt dat het voor de overige maanden niet aannemelijk is dat belanghebbende gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen.
De Commissie overweegt als volgt. De kinderopvanginstelling waar belanghebbende opvang afnam staat per 22 maart 2018 niet meer in het Landelijk Register Kinderopvang ingeschreven en voldoet daardoor niet meer aan de wettelijke eisen. Daarnaast heeft belanghebbende aangegeven dat zij tot en met mei 2018 heeft gewerkt en dat haar zusje meehielp met de opvang van haar kinderen. De Commissie heeft daarmee geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat ervan moet worden uitgegaan dat belanghebbende in de maanden april tot en met december 2018 gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening januari tot en met maart 2018 (component a)
Belanghebbende stelt dat bij de berekening van de compensatie voor de maanden
januari tot en met maart 2018 dient te worden uitgegaan van de daadwerkelijke
maandbedragen onder component a. UHT heeft ter zitting toegezegd dat van deze
bedragen zal worden uitgegaan en dit nader toegelicht in de aanvullende schriftelijke reactie. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en de compensatie voor het toeslagjaar 2018 opnieuw te berekenen zoals zij heeft toegelicht in haar aanvullende schriftelijke reactie.
In rekening gebrachte rente
Belanghebbende stelt dat zij niet kan nagaan of het correct is dat component d (de in rekening gebrachte rente) over de maanden januari tot en met maart van het toeslagjaar 2018 op nihil is gesteld, terwijl onder component i (de betaalde rente en kosten) een bedrag is opgenomen van €187. UHT stelt in haar schriftelijke verweer dat uit het LIC en SAS-overzicht niet kan worden afgeleid dat belanghebbende heffingsrente heeft betaald. Het bedrag onder component i heeft betrekking op de kosten die zijn gemaakt bij het innen van de terugvorderingen, zoals aanmaningskosten. De Commissie meent dat UHT is uitgegaan van de correcte bedragen en adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Rentevergoeding over gemiste KOT
Belanghebbende voert aan dat niet inzichtelijk is hoe de rentevergoeding over gemiste KOT is berekend. UHT stelt in haar schriftelijke verweer dat de rentevergoeding over de gemiste KOT onjuist is berekend.
De Commissie acht het bezwaar op dit punt gegrond en adviseert UHT de
rentevergoeding voor het toeslagjaar 2015 aan te passen van €2.446 naar €2.720.
Aangezien de grondslag van de compensatie voor het toeslagjaar 2018 wijzigt, dient de rentevergoeding voor de maanden januari tot en met maart 2018 doorberekend te worden tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar.
Vergoeding van immateriële schade
Belanghebbende stelt dat niet inzichtelijk is of de correcte startdatum is gebruikt bij de berekening van de vergoeding van immateriële schade. UHT stelt dat het gebruik van de verkeerde aanvangsdatum bij deze berekening in het voordeel van belanghebbende is, waardoor van deze datum zal worden uitgegaan.
De Commissie kan zich verenigen met de door UHT gehanteerde startdatum omdat dit voordelig voor belanghebbende is.
Aangezien het bezwaar gedeeltelijk gegrond is, dient de periode waarover de immateriële schade wordt berekend door te lopen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar. De aanpassing van de diverse componenten heeft ook gevolgen voor de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal.
O/GS-tegemoetkoming
Belanghebbende stelt dat de O/GS-tegemoetkoming onjuist is berekend en dat de
wijziging van component a bij de berekening van de compensatie voor de maanden januari tot en met maart 2018 inhoudt dat deze tegemoetkoming hoger dient te zijn. UHT heeft de O/GS-tegemoetkoming voor de maanden april tot en met december 2018 berekend door de terugvordering waarvoor O/GS is vastgesteld (O/GS-grondslag) te delen door twaalf en de uitkomst te vermenigvuldigen met het aantal maanden waarvoor geen compensatie is toegekend.
De Commissie is van oordeel dat UHT de O/GS-tegemoetkoming voor het toeslagjaar 2017 op juiste wijze heeft berekend. Het bezwaar is dus in zoverre ongegrond. De wijze waarop UHT de O/GS tegemoetkoming voor de maanden april tot en met december 2018 berekend, is weliswaar niet geheel correct maar valt uit in het voordeel van belanghebbende. De Commissie adviseert daarom het bezwaar ook op dit punt ongegrond te verklaren.
Herbeoordeling toeslagjaren 2010 tot en met 2014
Belanghebbende heeft UHT verzocht om alsnog een herbeoordeling over de toeslagjaren 2010 tot en met 2014 uit te voeren. UHT heeft belanghebbende geïnformeerd dat het herbeoordelingsverzoek in behandeling zal worden genomen. Omdat de toeslagjaren 2010 tot en met 2014 geen onderwerp zijn van deze bezwaarprocedure laat de Commissie deze toeslagjaren buiten beschouwing.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar gericht tegen de beschikking met het kenmerk UHT-DCH naar het
oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de Commissie UHT de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en bijwonen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te
verklaren en:
- alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2016;
- in de compensatieberekening voor het toeslagjaar 2018 component a aan te
passen naar €1.357 en de compensatie op grond hiervan opnieuw te berekenen
zoals is uiteengezet in de aanvullende schriftelijke reactie van UHT; - in de compensatieberekening de rentevergoeding over gemiste KOT voor het
toeslagjaar 2015 aan te passen naar €2.720 en bij de berekening van de
rentevergoeding voor het toeslagjaar 2018 uit te gaan van de einddatum waarop
de beslissing op bezwaar wordt genomen; - de vergoeding voor de immateriële schade opnieuw te berekenen en uit te gaan
van de einddatum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen; - de aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal) aan te passen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe
te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste
tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter