Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12256

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 22 februari 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 20 januari 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 23 april 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 22 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 7.066,- voor het jaar 2011 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2016, 2017 en 2018.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 19 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010, 2011, 2016, 2017 en 2018.
  • UHT heeft bij beschikking van 22 januari 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,- op grond van de zogenoemde Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende voor de toeslagjaren 2011, 2016, 2017 en 2018 op 5 juli 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat alleen gedurende het jaar 2011 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende voor toeslagjaar 2010 op 14 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in dit advies geoordeeld dat gedurende het jaar 2010 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 22 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van
    € 7.066,- voor het jaar 2011 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2016, 2017 en 2018.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 25 februari 2023, ingekomen op 1 maart 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 15 augustus 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 15 januari 2025 haar bezwaarschrift aangevuld.
  • Op 20 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 31 januari 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 2 april 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Ambtshalve toetsing UHT
UHT heeft de toegekende compensatie voor toeslagjaar 2011 ambtshalve opnieuw getoetst en daarbij vastgesteld dat in de eerdere berekening fouten zijn gemaakt.

Zo is bij de berekening van component n, de immateriele schade, een verkeerde einddatum gebruikt. De berekening is uitgegaan van 22 december 2022 als einddatum terwijl dit 22 februari 2023 had moeten zijn.

Bij de berekening van component o, toeslagrente gemiste KOT, blijken zowel de start- als einddatum verkeerd te zijn. De berekening ging uit van 25 januari 2013 als startdatum terwijl dit 1 juli 2012 had moeten zijn. Als einddatum werd
22 december 2022 gebruikt terwijl dit 22 februari 2023 had moeten zijn.

Ondanks deze fouten is UHT echter niet voornemens de bestreden beschikking te herzien omdat het compensatiebedrag hoe dan ook onder de reeds toegekende €30.000,- van de Catshuisregeling zou blijven.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2011 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2010, 2016, 2017 en 2018 af te wijzen. De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen besproken tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.

Toeslagjaar 2010
Uit de stukken in het dossier volgt dat de verlaging van de KOT voor toeslagjaar 2010 is gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen. Er zijn geen aanwijzingen dat de gegevens die zij zelf heeft doorgegeven onjuist of onvolledig zijn. De uiteindelijke definitieve beschikking voor dit toeslagjaar is gelijk aan de bijgestelde voorschotbeschikking.

De belastingdienst/toeslagen (hierna B/T) heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag vertrouwen op de inkomensgegevens van ouders zoals die in het systeem van de belastingdienst worden verwerkt en op de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.

De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2010 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering was gelegen in een te hoog voorschot dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. De bijstelling is conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld (O/GS), zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt.

Toeslagjaren 2016 tot en met 2018
Dat de nihilstelling voor de toeslagjaren 2016, 2017 en 2018 als vooringenomen handelen zijdens B/T moet worden beschouwd, staat niet ter discussie. De vraag is vervolgens of belanghebbende recht had op KOT gedurende deze jaren of niet.

Als voor een berekeningsperiode institutionele vooringenomenheid wordt vastgesteld, dan is de compensatieregeling van toepassing. Op grond van artikel 2.1 lid 2 Wht is de vervolgvraag of wellicht sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan een belanghebbende is toe te rekenen.
Compensatie blijft achterwege indien dat het geval is. Van zulk een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als blijkt dat de belanghebbende evident geen recht op kinderopvangtoeslag had in het onderzochte berekeningsjaar.

Volgens UHT had belanghebbende evident geen recht op KOT in de toeslagjaren 2016, 2017 en 2018, nu belanghebbende in die periode geen inkomen uit werkzaamheden heeft gehad of anderszins als 'doelgroeper' zou kwalificeren in de zin van art. 1.6 van de Wet kinderopvang. Belanghebbende stelt daarentegen in de toeslagjaren in kwestie gewerkt te hebben in haar zorgboerderij en als mantelzorger voor haar (inmiddels overleden) grootmoeder te hebben gezorgd.

De Commissie overweegt als volgt. Uit de door UHT overgelegde aangiftes inkomstenbelasting voor de jaren 2016, 2017 en 2018 blijkt dat belanghebbende in die jaren geen inkomsten heeft opgegeven. Uit de door UHT overgelegde aangiftes inkomstenbelasting voor de jaren 2016, 2017 en 2018 van de echtgenoot van belanghebbende blijkt dat hij inkomen uit arbeid genoot maar niet dat er sprake is van een eigen onderneming die mogelijk een zorgboerderij exploiteert waarin belanghebbende onbezoldigd zou meewerken. Belanghebbende heeft de juistheid hiervan niet bestreden.

Uit de door belanghebbende overgelegde stukken is op te maken dat zij waarschijnlijk langdurige zorg verleende aan haar grootmoeder. Het verlenen van dergelijke zorg anders dan in het kader van inkomensvoorziening in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001, geldt niet als kwalificatie voor doelgroeperschap voor de aanspraak op KOT in de zin van artikel 1.6 van de Wet kinderopvang. Belanghebbende komt voor de jaren 2016, 2017 en 2018 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening 2011
Wat betreft de berekening van de compensatie voor toeslagjaar 2011 overweegt de Commissie als volgt.

In haar schriftelijke beschouwing schrijft UHT dat zij ambtshalve de compensatieberekening opnieuw heeft bekeken en dat zij enkele fouten heeft geconstateerd. In de bijlage compensatieberekening is vervolgens per onderdeel vermeld wat er niet goed is gegaan in de oorspronkelijke compensatieberekening.

Dat UHT hier vervolgens de conclusie aan verbindt dat zij de primaire beschikking niet zal herroepen omdat het correct berekende compensatiebedrag lager is dan de eerder toegekende € 30.000,- acht de Commissie niet juist. Omdat het compensatiebedrag van invloed is op een eventuele vervolgstap van belanghebbende bij de Commissie Werkelijke Schade, dient UHT de bestreden beschikking aan te passen conform de juiste compensatieberekening.

Component o - Toeslagrente
Ingevolge artikel 2.2 aanhef en onder g Wht wordt over het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van KOT of het beeindigen van de voorschotverlening KOT, rente vergoed. Ingevolge artikel 2.3 lid 7 in samenhang gelezen met lid 1 Wht wordt deze rente berekend over het bedrag dat als gevolg van een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT niet is toegekend of is teruggevorderd, met overeenkomstige toepassing van artikel 27 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). Ingevolge artikel 27 Awir wordt de rente enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op 1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar en is het rentepercentage gelijk aan het percentage dat ingevolge artikel 30hb Algemene wet inzake rijksbelastingen ten aanzien van de inkomstenbelasting wordt gehanteerd.

De Commissie meent dat, gelet op het voorgaande, de rentevergoeding over de gemiste KOT (regel o van de compensatieberekening) voor toeslagjaar 2011 niet correct is vastgesteld. UHT heeft de juiste data en de daarop gebaseerde renteberekeningen vermeld in haar schriftelijke reactie.

De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en om de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar. De Commissie merkt op dat die aanpassing tevens tot gevolg heeft dat ook andere bedragen wijzigen: de vergoeding van de immateriele schade en de aanvullende vergoeding van 1% dienen te worden doorberekend tot de datum van de beslissing op bezwaar.

Niet alle KOT-jaren beoordeeld
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT ten onrechte niet alle jaren waarin zij kinderopvangtoeslag heeft ontvangen opnieuw heeft beoordeeld. Aansluitend bij de recente jurisprudentie van de rechtbank Rotterdam (zie bijv. Rb. Rotterdam 17 december 2024, ECLI:NL:RBOT:2024:13134) stelt belanghebbende dat haar aanvraag als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 Wht ziet op alle jaren voor oktober 2019 waarin zij kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en niet alleen op de thans door UHT beoordeelde (toeslag)jaren.

De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden om te kunnen concluderen dat belanghebbende haar aanvraag wenste te beperken tot de wel beoordeelde toeslagjaren. In deze omstandigheden zal de Commissie UHT adviseren het bezwaar van belanghebbende tegen de bestreden beschikking, voor zover betrekking hebbend op de niet-beoordeelde toeslagjaren, gegrond te verklaren en om de niet-beoordeelde toeslagjaren alsnog te onderzoeken.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaarschrift naar het oordeel van de Commissie gegrond is en het advies van de Commissie ertoe strekt om de beschikking met kenmerk UHT-DCH te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en om:

  • de beschikking met kenmerk UHT-DCH te herroepen en de compensatieberekening voor het toeslagjaar 2011 aan te passen conform bovenstaande overwegingen;
  • de niet-beoordeelde toeslagjaren alsnog te beoordelen; en
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee tegen de hoogste vergoeding per procespunt.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter