Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12216

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 13 december 2022 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 10 oktober 2024

Overdracht advies aan UHT: 7 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 13 december 2022 genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DCHA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2015.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 3 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 en 2013. In overleg met belanghebbende zijn de toeslagjaren waarop het herbeoordelingsverzoek ziet uitgebreid naar de jaren 2012 tot en met 2015.
  • UHT heeft bij beschikking van 8 mei 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende medegedeeld dat hij in ingevolge de Catshuisregeling in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 en dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 oktober 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft op grond van het Informatie- en beoordelingsformulier en overige voorhanden informatie geoordeeld dat er in de toeslagjaren 2012 tot en met 2015 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHA afgezien van de toekenning van compensatie of een tegemoetkoming aan belanghebbende voor de jaren 2012 tot en met 2015 omdat er in de betreffende jaren geen sprake is geweest van vooringenomen handelen jegens belanghebbende of hardheid van het stelsel.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 24 januari 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 20 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft het bezwaarschrift op 2 oktober 2024 aangevuld.
  • Op 10 oktober 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 3 december 2024 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 14 februari 2025 op gereageerd.
  • Dit advies is behandeld door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Recht op Kot en LRK-registratie
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van compensatie voor het jaar 2012.

Op 1 september 2012 vroeg belanghebbende met terugwerkende kracht met ingang van 27 maart 2012, kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) aan. Aan hem werd een voorschot KOT toegekend voor KOT over de periode 27 maart 2012 tot en met 31 december 2012. Destijds kon slechts KOT worden aangevraagd met ingang van een maand voorafgaand aan de aanvraag, in het geval van belanghebbende met ingang van 1 augustus 2012. Daarom werd de KOT van belanghebbende op 13 maart 2013 neerwaarts bijgesteld. De KOT werd aan belanghebbende toegekend vanaf 16 augustus 2012.

Belanghebbende heeft erop gewezen dat de onmogelijkheid om in de jaren 2012 en 2013 met terugwerkende kracht (over een langere periode dan een maand) KOT aan te vragen in 2013 is herzien. Belanghebbende meent dat de omstandigheid dat de beslissing om het verzoek om KOT met ingang vanaf 27 maart 2012 te weigeren niet is hersteld, hetgeen onevenredig hard is en aanleiding geeft tot compensatie op grond van de hardheidsregeling.

De Commissie overweegt dat belanghebbende, zoals UHT in haar Informatie-en beoordelingsformulier heeft gesteld, medio 2013 alsnog met terugwerkende kracht KOT had kunnen aanvragen voor de periode vanaf 27 maart 2012 en dat hij van de mogelijkheid daartoe geen gebruik heeft gemaakt.

Aan de bestreden beschikking ligt ook het oordeel ten grondslag dat belanghebbende tot 16 augustus 2012 geen recht had op KOT omdat hij in de periode daarvoor opvang afnam bij een gastouderbureau dat niet geregistreerd was in het Landelijk Register Kinderopvang (hierna: LRK). Mede tegen deze achtergrond werd de KOT van belanghebbende op 13 maart 2023 naar beneden bijgesteld.

Tussen partijen is niet in geding dat de betrokken kinderopvanginstelling (hierna: KOI) voor 16 augustus 2012 geen LRK-registratie had.

Belanghebbende heeft naar voren gebracht dat UHT, in strijd met haar eigen beoordelingskader, heeft geoordeeld dat er in zijn geval geen sprake is geweest van hardheid van het stelsel. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft belanghebbende verwezen naar hoofdstuk 3.1.10 van het handboek Integrale beoordeling van UHT.

Om in aanmerking te komen voor KOT is op grond van artikel 1.5 lid 2 van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) vereist dat gebruik wordt gemaakt van een KOI die geregistreerd is in het LRK. Belanghebbende vroeg in september 2012 KOT aan, terwijl zijn kinderen al gedurende enige maanden werden opgevangen, maar de KOI pas enkele weken in het LRK geregistreerd stond. Uit het door belanghebbende in het aanvullend bezwaarschrift aangehaalde citaat uit het handboek Integrale beoordeling volgt dat van ouders in het algemeen mag worden verlangd dat zij bij aanvang van de opvang, in het geval van belanghebbende in maart 2012, enig onderzoek verrichten naar de LRK-registratie van een KOI.

Tegen deze achtergrond stelt de Commissie vast dat belanghebbende in de periode van 27 maart 2012 tot 16 augustus 2012 niet voldeed aan de voorwaarde van art. 1.5 lid 1 van de Wko en er evident geen recht op KOT bestond.

De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, niet aannemelijk is geworden dat bij de aanpassing van de KOT voor toeslagjaar 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De bijstelling, die volgt uit de beschikking van 13 februari 2012, is conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft, ook in de omstandigheid dat belanghebbende voorafgaand aan deze beschikking niet eerder door B/T zou zijn aangeschreven, geen aanknopingspunten gevonden om hierover ten aanzien aan belanghebbende anders te oordelen.

De Commissie adviseert UHT de hiervoor besproken onderdelen van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Invordering van teveel ontvangen KOT
Belanghebbende heeft over de beoordeelde toeslagjaren teveel ontvangen KOT moeten terugbetalen. De Commissie begrijpt dat daardoor, zoals belanghebbende stelt, grote financiele druk op belanghebbende en zijn gezin is komen te staan.

In het aanvullend bezwaarschrift heeft belanghebbende naar voren gebracht dat de invordering onevenredig zware gevolgen voor hem heeft gehad doordat hem een persoonlijke betalingsregeling werd geweigerd. Hij meent daarom op grond van de hardheidsregeling voor compensatie in aanmerking te komen.

Uit het aanvullend bezwaarschrift blijkt niet hoe en op welk(e) moment(en) belanghebbende om een betalingsregeling heeft verzocht. Uit het dossier blijkt evenmin dat UHT een document heeft aangetroffen waarin een dergelijk verzoek is neergelegd. Ook uit andere omstandigheden is deze stelling niet aannemelijk geworden.

De terugvorderingen van de KOT hielden verband met een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen in de betrokken jaren opnieuw is berekend. De bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover ten aanzien van belanghebbende anders te oordelen. Verder is ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hieraan geen aanspraak op enige tegemoetkoming kan worden ontleend.

Belanghebbende heeft wel gesteld dat hij regelmatig om een afbetalingsregeling heeft verzocht maar heeft die stelling tegenover de mededeling van UHT dat er in het dossier geen enkele melding van een dergelijk verzoek blijkt, niet aannemelijk gemaakt.

Alles overziend adviseert de Commissie UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskosten
Nu de Commissie adviseert om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het primaire besluit in stand te laten, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening] [handtekening]

Secretaris Fungerend voorzitter