BAC 2023-12214
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 18 januari 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 27 mei 2025
Overdracht advies aan UHT: 25 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gericht tegen het besluit van 18 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het volgende door UHT genomen besluit.
De beschikking van 18 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHA, waarin UHT heeft beslist - dat belanghebbende voor de jaren 2013 tot en met 2015 niet in aanmerking komt voor compensatie. De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) geen fouten heeft gemaakt bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) dan wel de regels te streng heeft toegepast
Procesverloop
- Op 9 februari 2021 heeft belanghebbende verzocht om een herbeoordeling van de KOT. De herbeoordeling ziet op de jaren 2013 tot en met 2015.
- Bij beschikking van 30 april 2021 heeft UHT belanghebbende geinformeerd dat zij op basis van de eerste toets vooralsnog niet in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- Bij beschikking van 18 januari 2023 heeft UHT meegedeeld dat belanghebbende geen compensatie krijgt toegekend voor de jaren 2013 tot en met 2015.
- Op 24 januari 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend.
- Op 23 oktober 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 27 mei 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij het advies gevoegd.
- Op 16 juni 2025 heeft gemachtigde, daartoe in de gelegenheid gesteld door de Commissie, aanvullende stukken toegestuurd. Op 2 juli 2025 heeft UHT hierop gereageerd. Op 24 juli 2025 heeft UHT een aanvullend stuk toegestuurd. Op 1 augustus 2025 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid heeft dit advies behandeld.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen. Tevens zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar. Ter zitting heeft gemachtigde aangevoerd dat zij geen bezwaargronden heeft voor toeslagjaar 2013. Dit toeslagjaar zal daarom in dit advies buiten beschouwing worden gelaten.
Afgewezen toeslagjaren
Uit het bezwaardossier volgt dat in toeslagjaar 2014 de KOT neerwaarts is gecorrigeerd, omdat belanghebbende niet op de verzoeken om informatie zou hebben gereageerd. De informatieverzoeken zijn niet meer terug te vinden in de systemen. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht, komt een ouder in aanmerking voor compensatie wanneer aannemelijk is dat bij de vaststelling van de KOT er sprake is geweest van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel. UHT stelt zich echter op het standpunt dat in het geval van belanghebbende compensatie achterwege blijft, nu belanghebbende in toeslagjaar 2014 geen werkzaamheden verrichtte, een studie volgde of deelnam aan een re-integratie- of participatietraject (artikel 2.1, lid 2, van de Wht). Ter zitting heeft gemachtigde de stelling opgeworpen dat belanghebbende in dit jaar via de gemeente Rotterdam een taalcursus volgde en daarom in aanmerking dient te komen voor compensatie. Op 16 juni 2025 heeft belanghebbende te kennen gegeven niet meer over stukken te beschikken waaruit volgt dat zij een taalcursus heeft gevolgd. Belanghebbende heeft in dit kader verschillende onderzoeken toegestuurd die onder andere zien op de verplichte tegenprestatie voor bijstandsgerechtigden. Daarnaast heeft belanghebbende aangevoerd dat zij in dit toeslagjaar slachtoffer is geworden van fraude door een derde en het Rabobank-rekeningnummer waarop de KOT in dit jaar is overgemaakt niet aan haar toebehoort.
De Commissie ziet in de stellingen van belanghebbende geen aanknopingspunten om UHT niet te volgen in het standpunt dat er geen reden is voor compensatie.
De Commissie overweegt in dit kader dat uit de door belanghebbende toegestuurde algemene informatie niet aannemelijk is geworden dat zij ook feitelijk een taalcursus heeft gevolgd en aldus als doelgroeper kan worden aangemerkt. Voorts overweegt de Commissie dat volgens beleid van UHT er in uitzonderlijke situaties sprake kan zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. De Commissie heeft in de enkele stelling van gemachtigde dat belanghebbende slachtoffer is geworden van fraude door een derde, onvoldoende aanknopingspunten gevonden om hier anders over te oordelen. Daarbij tekent de Commissie aan dat uit de Registratie Bank Gegevens (RBG) volgt dat het rekeningnummer waarop de KOT in toeslagjaar 2014 is overgemaakt, aan belanghebbende toebehoort. De Commissie adviseert dan ook om de bezwaren op dit punt ongegrond te verklaren.
Ten aanzien van toeslagjaar 2015 overweegt de Commissie dat op grond van artikel 1.1, lid 1, sub b, van de Wet kinderopvang een ouder recht heeft op KOT tot de eerste dag van de maand waarop het kind naar het voortgezet onderwijs gaat. Uit het bezwaardossier volgt dat het kind van belanghebbende in 2015 de leeftijd van veertien jaar had bereikt en naar het voortgezet onderwijs ging, waardoor er geen recht op KOT bestond. De verplichting tot de terugbetaling van de KOT is het gevolg geweest van een reguliere correctie, welke niet kan worden aangemerkt als vooringenomen handelen. De reguliere correctie wijst ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast.
Voorts is de Commissie van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reacties, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad. Nog los van de vraag of dat beginsel als zodanig van toepassing is in de bezwaarfase, volgt de Commissie gemachtigde daarom niet in de stelling dat het beginsel van 'equality of arms' geschonden zou zijn.
Persoonlijk verhaal
Ten aanzien van de stelling van belanghebbende dat er geen rekening is gehouden met haar persoonlijk verhaal en zij nimmer een persoonlijk zaakbehandelaar heeft gesproken, overweegt de Commissie dat er verschillende malen is getracht om met belanghebbende contact op te nemen. Uiteindelijk heeft de persoonlijk zaak-behandelaar met de bewindvoerder en de dochter van belanghebbende gesproken. Hoewel dit niet de aangewezen gang van zaken is, heeft belang-hebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid gekregen om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. De door belanghebbende in dit kader opgeworpen bezwaren, treffen dan ook geen doel.
Niet herbeoordeelde toeslagjaren
Belanghebbende is van mening dat ook de toeslagjaren 2009 tot en met 2012 dienen te worden herbeoordeeld. De Commissie kan daarover pas een advies uitbrengen, als UHT na herbeoordeling van dit jaar een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen. Indien deze herbeoordeling niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, dan kan zij, indien zij dat wenst, tegen die beschikking een bezwaarschrift indienen.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gericht tegen het besluit van 18 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening] [handtekening]
Secretaris Fungerend voorzitter