Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12212

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 december 2022 (UHT-DC-I A, UHT-DH5 A, UHT-DC I) en
5 april 2023 (UHT-O OGS B)

Hoorzitting: 7 juli 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 14 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 7 december 2022 (UHT-DC-I A; UHT-DH5 A; UHT-DC I) en 5 april 2023 (UHT-O OGS B).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 43.674,- voor de jaren 2010 en 2011 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 en 2012. Voor toeslagjaar 2012 is wel een O/GS-tegemoetkoming verleend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 19 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2012.
  • UHT heeft bij beschikking van 23 juni 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 juni 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies vermeld dat B/T zich terecht op het standpunt stelde dat de compensatieregelingen over de jaren 2009 en 2012 met betrekking tot de institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden niet van toepassing zijn.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikkingen met kenmerken UHT-DH5A en UHT-DC-I A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 en 2012.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 43.674,- voor de jaren 2010 en 2011.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 17 januari 2023, ingekomen op 19 januari 2023, tegen de drie bestreden beschikkingen van 7 december 2022 een bezwaarschrift ingediend
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een OG/S-tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van €1.059,- voor het jaar 2012.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 15 mei 2023, ingekomen op 26 mei 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 11 december 2023 de bezwaarschriften aangevuld.
  • UHT heeft op 10 februari 2023 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 7 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2010 en 2011 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belang-hebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2009 en 2012 af te wijzen.

Motivering- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat sprake is van schending van het motiveringsbeginsel. Zonder volledig dossier is het voor haar niet inzichtelijk hoe UHT tot de weigering van compensatie heeft besloten en hoe UHT de wel toegekende compensatie heeft berekend.

UHT heeft het dossier en een schriftelijke reactie aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft gelegenheid gehad om de ontvangen gegevens te beoordelen en de gronden van haar bezwaar zo nodig verder aan te vullen. Op de hoorzitting heeft belanghebbende de bovendien de mogelijkheid gehad om nader te reageren op de ontvangen gegevens en hierop een toelichting te vragen.

De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikkingen voldoende heeft toegelicht. Hiernaast geldt dat door het schriftelijke verweer, de uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het "Landelijk Incasso Centrum" (hierna: LIC) en de overige producties de bestreden beschikkingen voldoende zijn onderbouwd.De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Geen vooringenomen handelen of hardheid
Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de verlagingen van de KOT voor de toeslagjaren 2009 en 2012 zijn gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen en toegezonden jaaropgaven, inkomenswijzigingen en/of op de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.

In 2009 blijkt dat uiteindelijk minder opvang is afgenomen dan waarvan bij de voorschotverlening was uitgegaan. Het definitieve KOT-bedrag is gecorrigeerd op basis van gegevens van belanghebbende zelf, de KOI-viewer en een gebleken hoger toetsingsinkomen.

Voor 2012 geldt dat de KOT voor het oudste kind van belanghebbende is gestopt omdat dit kind te oud was voor dagopvang. Voor het jongste kind is de KOT per 1 juli 2012 gestopt. Het definitieve KOT-bedrag is gebaseerd op gegevens van belanghebbende zelf, de KOI-viewer en een gebleken hoger toetsingsinkomen.

B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT-voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag vertrouwen op de inkomensgegevens van ouders zoals deze in het systeem van de belastingdienst worden verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.

De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaren 2009 en 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvorderingen KOT waren het gevolg van een achteraf te hoog gebleken voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Voor het toeslagjaar 2009 is er verder ook geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) geweest, zodat ook geen aanspraak bestaat op een tegemoetkoming daarvoor. Voor het toeslagjaar 2012 is wel sprake van een O/GS-tegemoetkoming.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening 2010 en 2011
Gemachtigde heeft de juistheid van de compensatieberekening betwist. UHT stelt dat het bezwaar op dit punt gegrond is omdat voor de berekening van component o, de gemiste toeslagrente, voor ieder toegewezen toeslagjaar verkeerde data zijn gebruikt. Belanghebbende heeft als gevolg hiervan minder gemiste rente gecompenseerd gekregen dan waar zij recht op heeft en UHT heeft aangekondigd dit te zullen herstellen in de beslissing op bezwaar.

Het is de Commissie gebleken dat de rentevergoeding over de gemiste KOT voor ieder toegewezen toeslagjaar inderdaad onjuist is vastgesteld. De correcte data en de daarop gebaseerde renteberekeningen zijn door UHT vermeld bij haar schriftelijke reactie.

De Commissie merkt op dat de aanpassingen in de berekening tot gevolg hebben dat ook andere bedragen wijzigen: de vergoeding van de immateriele schade dient te worden doorberekend tot de datum van de beslissing op bezwaar en ook de aanvullende vergoeding van 1% zal moeten worden aangepast.

De Commissie adviseert UHT, aansluitend bij haar eigen standpunt, het bezwaar gegrond te verklaren en om aan haar toezeggingen gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar.

Standaardvergoedingen
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de toekenning van een vaste ("forfaitaire") vergoeding voor materiele en/of immateriele schade niet voldoende is om haar schadeloos te stellen.

De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van forfaitaire vergoedingen. De Commissie heeft in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om te oordelen dat het in de Wht neergelegde compensatiestelsel in een geval als het onderhavige buiten toepassing zou moeten blijven. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. Van belang hierbij is dat de Wht ook voorziet in vergoeding van de werkelijke (im)materiele schade via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade en dat in alle fases van toekenning in rechtsbescherming wordt voorzien.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en het advies van de Commissie ertoe strekt om de beschikking met kenmerk UHT-DC I gedeeltelijk te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • de beschikking met kenmerk UHT-DC I te herroepen en de compensatie-berekening aan te passen conform bovenstaande overwegingen;
  • de overige beschikkingen ongewijzigd te laten; en
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee tegen de hoogste vergoeding per procespunt.

[handtekening] [handtekening]

Secretaris Fungerend voorzitter