Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

BAC 2023-12146

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]

Primair besluit: 3 maart 2022 (UHT-HD CWS)

Hoorzitting: 22 februari 2024

Overdracht advies aan UHT: 28 december 2024

Samenvatting

Samenvattend adviseert de Commissie UHT om het bezwaar tegen de
beschikking met kenmerk UHT-HD CWS gegrond te verklaren, het bestreden
besluit te herroepen en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te
wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende op 5 april 2022 ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 3 maart 2022 genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) met kenmerk UHT-HD CWS.

Met toepassing van de destijds geldende Compensatieregeling CAF 11 van 28 augustus
2020 (met ingang van 5 november 2022 opgenomen in afdeling 2.1 van de Wet
Hersteloperatie Toeslagen (hierna: Wht)) is aan belanghebbende een aanvullend bedrag van € 37.875 toegekend.

Op 5 november 2022 is de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) in werking
getreden (Stb. 2022, 433). Gelet op artikel 8.6 en artikel 9.2 Wht wordt de bestreden
beschikking geacht te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 10 februari 2020 bij UHT een verzoek ingediend tot
    herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • Bij beschikking van 23 april 2021 (met kenmerk UHT-DC I) is aan
    belanghebbende medegedeeld dat de definitieve compensatie over de toeslagjaren
    2006 tot en met 2009 is vastgesteld op € 136.503.
  • Op 2 augustus 2021 heeft belanghebbende een verzoek om aanvullende
    schadevergoeding ingediend bij CWS.
  • Bij brief van 27 januari 2022 heeft CWS aan UHT geadviseerd over aanvullende
    schadevergoeding.
  • Bij beschikking van 3 maart 2022 (met kenmerk UHT-HD CWS) heeft UHT,
    overeenkomstig het advies van CWS een aanvullende schadevergoeding toegekend
    van € 37.875.
  • Tegen deze beschikking is op 5 april 2022 bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is
    door UHT ontvangen op 7 april 2022.
  • UHT heeft de ontvangst van het bezwaarschrift bij brief van 14 april 2022 bevestigd
  • Bij brief van 4 juli 2022 heeft gemachtigde een aanvullend bezwaarschrift ingediend met bijbehorende producties, door UHT ontvangen op 6 juli 2022.
  • Bij brief van 6 juli 2022 heeft gemachtigde aanvullend nogmaals producties
    ingediend, door UHT ontvangen op 11 juli 2022.
  • UHT heeft op 13 september 2023 een schriftelijke reactie ingediend op het
    bezwaarschrift.
  • Op 22 februari 2024 heeft de Commissie de bezwaren van belanghebbende
    behandeld op een hoorzitting in aanwezigheid van partijen. Een verslag hiervan is
    achter dit advies gevoegd. Tijdens de zitting is afgesproken dat gemachtigde een
    termijn van twee weken kreeg om stukken aan te leveren over de BKR-registratie, de
    immateriële schadevergoeding (bouwsteen D) en het pensioenoverzicht. Vervolgens
    kregen zowel UHT als gemachtigde een termijn van vier weken om op elkaar te
    reageren.
  • Op 5 maart 2024 heeft gemachtigde de informatie verschaft.
  • Op 11 april 2024 heeft UHT de Commissie bericht eerst overleg te willen met
    gemachtigde alvorens te reageren.
  • Op 26 april 2024 heeft UHT de Commissie bericht nadere informatie te hebben
    ontvangen van de gemachtigde. UHT heeft gemachtigde gevraagd de informatie te
    onderbouwen met stukken. Omdat UHT op dat moment in overleg was met
    gemachtigde, verzocht UHT de Commissie om voorlopig haar advies aan te houden.
  • Op 1 mei 2024 heeft de Commissie partijen bericht dat het advies 4 weken zal
    worden aangehouden en verzocht de Commissie partijen om hun reacties uiterlijk 30 mei 2024 aan de Commissie te doen toekomen.
  • Op 7 juni 2024 heeft gemachtigde de Commissie verzocht om over te gaan tot
    adviseren.
  • Op 7 juni 2024 heeft UHT de Commissie bericht dat UHT op 6 juni 2024 aan
    belanghebbende een schikkingsvoorstel heeft gedaan, dat op 7 juni is afgewezen door belanghebbende en dat zij op 10 juni 2024 een aanvullende reactie zal kunnen
    indienen.
  • Op 10 juni 2024 heeft UHT een aanvullende reactie ingediend.
  • Op 19 juni 2024 heeft gemachtigde daarop gereageerd.
  • Op 12 juli 2024 heeft de Commissie UHT nog een extra week (uiterlijk 19 juli 2024)
    gegeven om te reageren op de punten aangevoerd in de brief van gemachtigde d.d.
    19 juni 2024.
  • Op 17 juli 2024 heeft UHT bericht dat de zaak wordt herbeoordeeld in het kader van
    het op 1 juli 2024 vernieuwde schadekader van CWS.
  • Op 8 oktober 2024 heeft de Commissie partijen gevraagd of er nog nieuwe
    ontwikkelingen zijn.
  • Op 8 oktober 2024 heeft UHT de Commissie bericht dat gemachtigde is verzocht
    aanvullende informatie aan te leveren.
  • Op 1 november 2024 heef gemachtigde de Commissie verzocht over te gaan tot
    advisering en heeft UHT laten weten dat belanghebbende het laatste
    schikkingsvoorstel niet heeft geaccepteerd.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Adviseringskader
In het kader van de hersteloperatie KOT biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Dit verzoek kan door de gedupeerde ouder worden ingediend bij CWS. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620).

De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en
ii) dat die schade het gevolg is van de handelswijze van de B/T waarvoor de ouder al
gecompenseerd is.

Omdat CWS is ingesteld om gedupeerde ouders de gang naar de rechter te besparen,
dient de adviesprocedure tegemoet te komen aan de eisen van een eerlijk proces als
bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM.

Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende
compensatie, wordt het advies uitgebracht aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met
verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het
advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet dan goed onderbouwd worden.

In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op een
juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. Deze toets vindt in beginsel
plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar.
In het geval UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de
Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden.

De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT zich in dit
geval kon baseren op het advies van CWS. Ter zitting heeft de gemachtigde van
belanghebbende aangegeven dat de bezwaren zich beperken tot de hierna te bespreken aspecten.

Inkomensschade
Belanghebbende heeft gesteld dat zij inkomensschade heeft geleden tot een bedrag van € 79.571 over de jaren 2010 tot en met 2021.

Periode 2010-2014
CWS heeft in haar advies van 27 januari 2022 aangegeven een causaal verband te zien
tussen de relatieproblemen en depressieve klachten van belanghebbende en het als
gevolg daarvan niet kunnen werken tijdens het schuldhulpverleningstraject enerzijds en de stopzetting van KOT in 2010 anderzijds. Om die reden heeft CWS geadviseerd een bedrag van in het totaal € 21.660,51 (exclusief wettelijke rente) te vergoeden wegens inkomensschade (het hypothetisch berekende bruto inkomsten verlies over 2010 tot en met 2014 van € 30.943,51 minus 30 procent belasting).

UHT heeft in de schriftelijke reactie van 13 september 2023 het advies van CWS gevolgd. In de schriftelijke reactie van 10 juni 2024 heeft UHT aangevoerd dat zij uit
overwegingen van ruimhartigheid bereid is om ook de loonontwikkelingen en de
pensioenschade mee te nemen bij de berekening van de inkomensschade over de
periode 2010 t/m 2014.

Wat betreft de loonontwikkeling rekent UHT met het door gemachtigde
aangegeven percentage van 2 procent. Uitgaande van het gemiddelde (fictieve) loon van € 6.820,75 per jaar komt dit neer op een aanvulling van een bedrag van totaal € 703,93. Voor de berekening van de pensioenschade gaat UHT op grond van de
salarisspecificaties van Prénatal uit 2010 uit van een bedrag van 8 procent over de
inkomensschade van netto € 21.660,51. Dit komt neer op een pensioenschade van
€ 1.732,84. De Commissie adviseert UHT conform deze reactie van 10 juni 2024 te beschikken in de beslissing op bezwaar.

Periode 2015-2021
Voor CWS is onvoldoende aannemelijk geworden dat belanghebbende als gevolg van de KOT-problemen nog kampte met psychische klachten in de periode na het eind van het schuldhulpverleningstraject in 2014 waardoor zij niet (meer) zou kunnen werken. Hiertoe heeft CWS onder meer overwogen dat het advies van de consulent om niet te werken tijdens het schuldhulpverleningstraject niet meer van toepassing was omdat dat traject inmiddels was beëindigd. CWS heeft dan ook geadviseerd geen vergoeding voor inkomensschade toe te kennen over de periode na 2014.

In de schriftelijke reactie van 13 september 2023 heeft UHT in hetgeen in bezwaar is
aangevoerd geen aanleiding gezien om een ander standpunt in te nemen. Het is volgens UHT aan belanghebbende om de gestelde loonontwikkeling aannemelijk te maken, hetgeen niet is gebeurd. Ook de door belanghebbende gestelde (gemiste) ontwikkeling tot manager in de detailhandel is volgens UHT niet aannemelijk gemaakt omdat uit de overgelegde documenten wel enige werkervaring in de detailhandel blijkt doch een duidelijke ontwikkelingslijn/prognose ontbreekt.

Ten aanzien van de gestelde pensioenschade heeft UHT in de schriftelijke reactie van
september 2023 overwogen dat er geen concrete aanknopingspunten zijn om een
vergoeding toe te kennen omdat niet is gebleken dat belanghebbende in de periode voor de KOT-problematiek pensioen opbouwde. Uit de nader door belanghebbende
overgelegde stukken blijkt slechts dat er gedurende twee maanden in 2010
pensioenpremie is afgedragen.

UHT stelt voorts dat niet is vast te stellen dat belanghebbende nog kampte met
psychische problemen als gevolg van de KOT die arbeid onmogelijk maken in de periode vanaf 2015. UHT overweegt in navolging van CWS dat het op de weg van
belanghebbende ligt om deze problemen en het causale verband met de KOT
aannemelijk te maken, wat echter niet is gebeurd.

Belanghebbende heeft in aanvulling op het aanvullend bezwaarschrift bij brief van 6 juli 2023 een bewijs van registratie van doorverwijzing naar de afdeling psychiatrie van 22 mei 2018 (productie 8d) overgelegd. Daaruit blijkt volgens haar dat zij in 2018 nog
psychische problemen had. De Commissie overweegt dat de inhoud van dit document zeer summier is en daaruit niet blijkt van een causale relatie met de KOT problematiek. De Commissie is van oordeel dat onvoldoende aanknopingspunten aannemelijk zijn geworden dat er na 2014 een causaal verband bestond tussen de psychische klachten van belanghebbende en de KOT problematiek.

De Commissie concludeert dat UHT mocht afgaan op het advies van CWS, omdat het
advies op dit punt voldoende zorgvuldig, gemotiveerd en navolgbaar tot stand is
gekomen. UHT heeft de punten zelf ook uitvoerig gemotiveerd. De Commissie adviseert UHT tot ongegrondverklaring van dit onderdeel van het bezwaar.

In de schriftelijke reactie van 10 juni 2024 heeft UHT te kennen gegeven dat zij zich wel
kan voorstellen dat belanghebbende ervoor koos om thuis te werken zodat ze geen
KOT meer hoefde aan te vragen. UHT is daarom bereid belanghebbende grotendeels
tegemoet te komen en belanghebbende wegens inkomstenderving na 2014 een
schadevergoeding van € 9.461 toe te kennen te vermeerderen met € 756,91 ter zake
van pensioenschade.

De Commissie adviseert UHT conform haar reactie van 10 juni 2024 te beschikken in de beslissing op bezwaar.

Ander gemist inkomen
Belanghebbende verzoekt toekenning van € 86.905,94 ter zake van ander gemist
inkomen (alimentatie, kinderbijslag en kwartaalbonus en tantième van de partner van
belanghebbende). De desbetreffende inkomsten zijn tijdens de schuldhulpverlening
aangewend voor het aflossen van schulden. Daarover heeft belanghebbende dus niet
kunnen beschikken.

CWS heeft geadviseerd die schade niet te vergoeden omdat de schulden al bestonden
voordat belanghebbende in de problemen kwam met de KOT desbetreffende bedragen zijn aangewend om te voorzien in de kosten van levensonderhoud. UHT kan zich net als de CWS voorstellen dat het voor belanghebbende erg belastend zal zijn geweest dat ingenomen inkomsten tijdens de schuldhulpverlening gebruikt zijn om schulden af te lossen maar volgt CWS dat de bedragen zijn aangewend om te voorzien in het levensonderhoud en daarom geen materiële schadepost vormen.

UHT stelt verder dat belanghebbende inmiddels door UHT is gecompenseerd voor de
KOT-schulden die in die periode zijn afgelost. UHT is van oordeel dat het advies van de
CWS op dit punt voldoende is gemotiveerd en zorgvuldig is opgesteld. In het
bezwaarschrift zijn volgens UHT geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die leiden tot een ander oordeel.

De Commissie concludeert dat UHT ook hier af mocht gaan op het advies van CWS,
omdat het op dit punt voldoende zorgvuldig, gemotiveerd en navolgbaar tot stand is
gekomen. De Commissie adviseert UHT tot ongegrondverklaring van dit bezwaar.

Inboedel / Financiële ondersteuning door derden
Belanghebbende stelt dat haar vader een gedeelte van de inboedel die door B/T in beslag was genomen heeft gekocht voor € 1.100. Zij heeft in haar verzoek aan CWS aanspraak gemaakt op dit bedrag als schadevergoeding.

CWS heeft geadviseerd deze schade niet te vergoeden omdat het hier een lening betreft om te voorzien in de kosten van levensonderhoud die niet voor vergoeding in
aanmerking komt. UHT heeft dat advies gevolgd.

In bezwaar heeft belanghebbende gesteld dat de betaling door haar vader geen
geldlening betrof maar een ondersteuning in het (behoud van) de woninginrichting. Zij
stelt verder dat haar vader niet alle inboedel heeft gekocht en dat de inboedel destijds
veel meer waard was dan de bij de verkoop ontvangen bedragen. De opbrengst van de
verkoop was € 893,89 terwijl er van moet worden uitgegaan dat de inboedel € 7,000
waard was, aldus belanghebbende. UHT stelt dat uit de overgelegde stukken en hetgeen is aangevoerd is gebleken dat de vader van belanghebbende de inboedel “veilig heeft gesteld” door deze op te kopen. UHT gaat er daarom vanuit dat belanghebbende de inboedel niet heeft verloren en dus geen sprake is van waardevermindering. UHT is van oordeel dat het advies van de CWS ten aanzien hiervan voldoende is gemotiveerd en zorgvuldig is opgesteld.

De Commissie acht de stelling van UHT juist dat de waarde van de inboedel van
belanghebbende niet is verminderd door de gedwongen verkoop. Belanghebbende heeft die inboedel kunnen behouden dankzij het feit dat haar vader die voor haar heeft
gekocht.

De Commissie kan zich voorstellen dat belanghebbende het als een ereschuld ziet het
door haar vader betaalde bedrag aan zijn erven terug te betalen en adviseert UHT
daarom het bedrag van € 1.100 als schade te vergoeden.

Kosten bestuursrechtelijke premie zorgverzekering
Belanghebbende vordert schade ter zake van de bestuurlijke boete die haar en haar
partners is opgelegd omdat zij niet (meer) in staat waren zorgpremie te betalen.
CWS heeft geadviseerd ter zake de boete over 6 maanden (€ 412,56) te vergoeden, welk advies UHT heeft gevolgd. UHT heeft in bezwaar erkend dat de periode waarover die boete wordt vergoed te kort is en dat in het totaal € 1.340,82 voor vergoeding in
aanmerking komt, zodat zij belanghebbende nog aanvullend € 928,22 zal vergoeden.
De Commissie concludeert dat dit onderdeel van het bezwaar gegrond is en adviseert
UHT dit punt aan te passen in de berekening van de werkelijke schade bij de beslissing
op bezwaar.

Extra kosten bij de oorspronkelijke schulden
Belanghebbende stelt dat zij € 13.328,85 kosten heeft gemaakt in het kader van de
voldoening van bestaande (niet KOT gerelateerde) schulden.

CWS heeft geadviseerd een bedrag van € 1.970,39 te vergoeden ter zake van schulden
die zijn ontstaan na de KOT-problematiek. Niet aannemelijk is geworden dat de extra
kosten van schulden van voor die tijd pas zijn ontstaan nadat de KOT problematiek zich had voorgedaan. UHT heeft dat advies gevolgd.

In de schriftelijke reactie van 10 juni 2024 heeft UHT zich op het standpunt gesteld de
door belanghebbende geclaimde schade niet te willen vergoeden. Deze kosten zijn
blijkens stukken afkomstig van belanghebbende meegenomen in het
schuldhulpverleningstraject. Van de schuld is na afloop van het traject 6 procent door
belanghebbende voldaan. UHT is daarom bereid tot een aanvullende vergoeding van 6% van € 8.098,78. Dit is een bedrag van € 485,93.

De Commissie heeft gezien dat UHT dit standpunt nader heeft toegelicht in haar reactie van 10 juni 2024. De Commissie acht deze toelichting voldoende en adviseert UHT overeenkomstig te beslissen.

BKR schade / Kosten van dwanginvordering
In het verzoek aan CWS heeft belanghebbende aangegeven dat het grootste struikelblok dat de BKR-registratie met zich meebracht was dat belanghebbende en haar partner hun huurhuis niet konden kopen in 2011. Volgens CWS heeft belanghebbende dit verzoek echter verder niet onderbouwd.

UHT stelt dat volgens het betreffende behandelkader van de CWS eventuele
(hypothetische) waardestijgingen in de toekomst niet beschouwd kunnen worden als
materiële schade die bij de CWS voor vergoeding in aanmerking komt. Wel heeft UHT de aanwezigheid van een BKR registratie meegenomen bij de beoordeling van de
immateriële schadevergoeding. CWS paste het oude toetsingskader van CWS toe. UHT heeft in de schriftelijke reactie in bezwaar het opvolgende materiële schadekader van 8 februari 2023 toegepast. In het Beoordelingskader Materiële Schade van februari 2023 staat het volgende: “Het verschil tussen de marktwaarde ten tijde van de (gedwongen) verkoop of beslaglegging en de opbrengst vormt in dit geval de materiële schade. Eventuele (hypothetische) waardestijgingen in de toekomst (gerekend vanaf het moment van (gedwongen) verkoop of beslaglegging) worden niet beschouwd als materiële schade die bij de CWS voor vergoeding in aanmerking komt.”

De Commissie wijst allereerst op het beoordelingskader van CWS. Hierin staat dat een
belanghebbende die in aanmerking wil komen voor aanvullende schadevergoeding
aannemelijk moet maken dat de geleden schade een gevolg was van de problemen met de KOT. Dit betekent niet dat er harde bewijsstukken worden gevraagd, maar het
verhaal van een belanghebbende moet wel passen in de tijdlijn zoals die uit het dossier
volgt en dit moet ook ondersteund worden door de overige informatie. Pas op het
moment dat aannemelijk is dat een belanghebbende schade heeft geleden én dat deze
schade in direct verband staat met het handelen van B/T, komt CWS toe aan het
begroten van de schade. Het bestaan van schade en de aanwezigheid van een causaal
verband tussen deze schade en de KOT problematiek zijn dus voorwaarden om toe te
komen aan het begroten van de schade.

Uit het dossier, waaronder de verklaring schuldsanering in het bezwaardossier (waarop
de eerste zes schulden ontbreken) en uitingen van belanghebbende, blijkt dat
belanghebbende al sinds 2002 ernstige financiële problemen kende voorafgaand aan de problemen met de KOT die vanaf 2008 begonnen. Uit het dossier is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende in deze periode over de mogelijkheden beschikte om het betreffende huurhuis te kopen en daarvoor een hypothecaire lening te verkrijgen, ook al zou belanghebbende met de betreffende schuldeisers een betalingsregeling hebben getroffen. Hierbij wordt opgemerkt dat belanghebbende ook schulden had bij mogelijke hypotheekverstrekkers ABN en Rabobank (circa €15.000 bij ABN uit 2002, en circa €7.800 bij Rabobank uit 2003). Ook uit andere informatie is niet aannemelijk geworden dat deze instellingen of een andere bancaire instelling onder deze omstandigheden wel een hypothecaire lening hadden willen verstrekken. Daarbij was in de jaren 2011 tot en met 2013 sprake van een financiële crisis waarbij bancaire instellingen zeer terughoudend waren met het verstrekken van hypothecaire leningen.
De Commissie is van oordeel dat UHT mocht afgaan op het advies van CWS en haar
standpunt verder voldoende heeft gemotiveerd. De Commissie overweegt in aansluiting daarop nog dat haar niet duidelijk is geworden wat de door CWS (en daarmee ook UHT) te bepalen omvang van de voor vergoeding in aanmerking komende schade had moeten zijn. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Immateriële schadevergoeding
Belanghebbende heeft gesteld dat het door CWS in het advies van 27 januari 2022
geadviseerde (en door UHT overgenomen) bedrag ter zake van immateriële
schadevergoeding van € 37.500 (€ 20.000 voor belanghebbende en haar partner en €
17,500 voor de vijf kinderen) te laag is.

UHT heeft de door de CWS geadviseerde immateriële schadevergoeding in haar
schriftelijke reactie van 13 september 2023 getoetst aan het nieuwe beleidskader
immateriële schadevergoeding van oktober 2022.

UHT is daarbij uitgekomen op het lagere totaal bedrag van € 35.500 (€ 25.000 voor
belanghebbende en haar partner en € 10.500 de kinderen), waarop ingevolge het nieuwe beleidskader het bedrag aan immateriële schade dat bij de compensatieberekening is toegekend (€ 13.000) in mindering zou moeten worden gebracht. Aangezien belanghebbende door het maken van bezwaar niet in een slechtere positie mag komen, is UHT bereid het bedrag van € 37.500 zonder aftrek te handhaven. In de schriftelijke reactie van 10 juni 2024 geeft UHT nog een nadere berekening van de immateriële schadevergoeding. Optelling van de bedragen voor de verschillende bouwstenen komt uit op een bedrag van € 47.500 en het totale bedrag na aftrek van de reeds toegekende € 13,000 op € 34.500. Dat is lager dan het eerder toegekende bedrag van € 37.500, waarvan UHT uitgaat.

De Commissie concludeert dat UHT af mocht gaan op het advies van CWS, omdat het
advies op dit punt voldoende toegelicht en inzichtelijk tot stand is gekomen.
Op basis van het dossier en de Wht adviseert de Commissie UHT het bezwaar op dit
onderdeel ongegrond te verklaren.

Proceskosten
Omdat het bezwaar gedeeltelijk gegrond is en de Commissie adviseert de bestreden
beschikking ten dele te herroepen, adviseert de Commissie UHT om het verzoek tot
toekenning van een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Conclusie

Samenvattend adviseert de Commissie UHT om, conform dit advies:

  • het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-HD CWS gedeeltelijk
    gegrond te verklaren, het bestreden besluit aan te passen op de punten conform
    dit advies en de laatste schriftelijke reactie van UHT (10 juni 2024),
  • het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter