Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12138

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 23 november 2021 (UHT-DC-I A; UHT-DH5 A)

Hoorzitting: 9 juli 2025

Overdracht advies aan UHT: 23 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend voor het jaar 2013.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 8 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2014.
  • UHT heeft bij beschikking van 2 februari 2022 met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van €162.317,- voor de jaren 2009 t/m 2012 en 2014. Tegen deze beschikking is belanghebbende niet in bezwaar gegaan.
  • UHT heeft bij bestreden beschikkingen aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor het jaar 2013.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 21 februari 2023, ingekomen op 23 februari 2023, tegen deze beschikkingen bezwaarschriften ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 8 december 2023, ingekomen op dezelfde datum, de bezwaarschriften aangevuld.
  • UHT heeft op 28 maart 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 9 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2013 af te wijzen.

Belanghebbende betoogt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) de KOT voor toeslagjaar 2013 indertijd op basis van onjuiste inkomensgegevens heeft vastgesteld. B/T is volgens haar namelijk ten onrechte uitgegaan van een verzamelinkomen ter hoogte van € 97.821,-. Dit inkomen is in 2016 vastgesteld door de inspecteur van de Belastingdienst op basis van een schatting. Volgens belanghebbende was feitelijk sprake van een lager inkomen, namelijk tussen de
€ 35.000,- en € 45.000,-. Belanghebbende is destijds in bezwaar gegaan tegen de aanslagen inkomstenbelasting, maar daarop is geen beslissing genomen door B/T.

De Commissie stelt voorop dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Voor zover belanghebbende verzoekt om een aanpassing van de indertijd definitief vastgestelde hoogte van de KOT over het toeslagjaar 2013, valt een beoordeling daarvan dus buiten de reikwijdte van de Wht.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2013 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De verlagingen van de KOT voor toeslagjaar 2013 waren gelegen in wijzigingen in het toetsingsinkomen. Zoals door UHT is toegelicht is B/T daarbij uitgegaan van de inkomensgegevens uit de Basisregistratie BRI. B/T mocht uitgaan van de juistheid van die gegevens. Er rustte op haar geen verplichting om deze gegevens te verifiëren door uitvraag te doen bij belanghebbende. Nadien is ook niet komen vast te staan dat deze gegevens onjuist zijn. Er is geen bezwaar terug gevonden in de systemen over het toetsingsinkomen in 2013. Er is daarna ook geen verzoek ingediend voor herziening van dat inkomen. Aldus is de KOT steeds door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter