Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

BAC 2023-12136

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]

Primair besluit: 7 april 2022 met kenmerk: UHT-CHR GU en 13 januari 2023 met kenmerk: UHT-DCH

Hoorzitting: 17 januari 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 27 januari 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar tegen de beschikking van 7 april 2022 met kenmerk UHT-CHR GU niet ontvankelijk te verklaren, tegen de beschikking van 13 januari 2023 met kenmerk UHTDCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Gemachtigde heeft namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht)
compensatie toegekend voor een bedrag van € 49.001,- voor de jaren 2008 en 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2007, 2010, 2011 en 2012.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 9 augustus 2021 verzocht om een herbeoordeling van
    de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2010. Na
    overleg is dit verzoek uitgebreid met de jaren 2007, 2011 en 2012.
  • UHT heeft bij beschikking van 7 april 2022 met kenmerk UHT-CHR GU aan
    belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een
    betaling van € 30.000.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 5 mei 2022, ingekomen op 17 mei 2022, een
    bezwaarschrift ingediend tegen deze beschikking.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 14 december 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
    geadviseerd dat gedurende de jaren 2007 en 2010 tot en met 2012 geen sprake
    is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan
    belanghebbende compensatie toegekend van € 49.001 voor de jaren 2008 en
    2009 op grond van vooringenomenheid. Voor de jaren 2007, 2010, 2011 en 2012
    bestaat er geen recht op compensatie.
  • De aanvankelijke gemachtigde heeft bij brief van 21 februari 2023, ingekomen op
    22 februari 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • De aanvankelijk gemachtigde heeft bij brief van 14 februari 2024 het
    bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 24 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 17 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Bij beschikking van 7 april 2022 heeft UHT na de eerste toets besloten om (nog) niet tot toewijzing van een compensatie over te gaan. Bij beschikking van 13 januari 2023 heeft UHT, na een integrale beoordeling, het verzoek om compensatie over de toeslagjaren 2007, 2010, 2011 en 2012 opnieuw afgewezen, en over de toeslagjaren 2008 en 2009 toegewezen. Gemachtigde heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat belanghebbende nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van vorenbedoelde beschikking ‘eerste toets’ van 7 april 2022. Het belang van vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten levert in ieder geval geen procesbelang (meer) op (vergelijk de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1979 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635). Dat betekent dat de Commissie zal adviseren het bezwaarschrift tegen de beschikking van 7 april 2022 niet-ontvankelijk te verklaren.

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift tegen de beslissing van 13 januari 2023 met
kenmerk UHT-DCH (verder onder meer aan te duiden als: “het bestreden besluit”)
ontvankelijk is. Dit bezwaarschrift zal hierna inhoudelijk worden behandeld.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de
toegekende compensatie voor de jaren 2008 en 2009 op de juiste wijze heeft berekend en of zij, uitgaande van de door belanghebbende aangevoerde bezwaren, terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2007, 2010 en 2011 af te wijzen.

Beoordeling forfaitaire compensatieberekening 2008 en 2009
Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Commissie staat vast dat de
Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) over de toeslagjaren 2008 en 2009 institutioneel vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld. UHT heeft ter compensatie volgens de forfaitaire systematiek van de Wht € 49.001 aan belanghebbende toegekend.

UHT heeft naar aanleiding van deze bezwaarprocedure nogmaals gekeken naar deze
compensatieberekening en blijkens het gestelde in haar beschouwing geconstateerd dat onderdeel o) (de rente over de gemiste KOT) over de toeslagjaren 2008 en 2009 onjuist is berekend. UHT heeft toegezegd het bedrag voor toeslagjaar 2008 te herzien. Voor het toeslagjaar 2009 is reeds een hogere rentevergoeding in het voordeel van
belanghebbende vastgesteld, welke, zoals ter zitting door UHT is bevestigd, in stand zal blijven.

Ter zitting is gebleken dat ook bij onderdeel f) (verschil met laatst vastgestelde
beschikking) een rekenfout is gemaakt. Een bedrag van € 342,- is te veel in rekening
gebracht. UHT heeft dit erkend en toegezegd een en ander bij de beslissing op bezwaar
te zullen herstellen.

UHT acht het bezwaar op deze onderdelen derhalve gegrond en zal de
compensatieberekening aanpassen in de beslissing op bezwaar. UHT heeft daarnaast
aangegeven dat, overeenkomstig het beleid van UHT in zaken waarin het bezwaar
(gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard, bij de berekening van de vergoeding voor
immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum de datum van de beslissing op bezwaar zal worden gehanteerd. Tot slot zal door UHT ook de hoogte van de aanvullende vergoeding van 1% over het subtotaal in de beslissing op bezwaar worden aangepast (onderdeel p) in de compensatieberekening).

Belanghebbende heeft gesteld dat de door UHT gehanteerde startdatum voor de
vergoeding van immateriële schade onjuist is, omdat deze volgens hem op de
ontvangstdatum van de stopbrief in december 2008 zou moeten worden gesteld. De
Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.3, lid 4, Wht de forfaitaire vergoeding
voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste
beschikking tot vermindering of niet toekennen van KOT of het beëindigen van een
voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele
vooringenomenheid. UHT hanteert, naar de Commissie uit de behandeling van andere
zaken bekend is, op dit punt echter een voor belanghebbenden begunstigend
buitenwettelijk beleid, dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële
schade wordt uitgegaan van de datum van de eerste vooringenomen handeling door
B/T. Naar de opvatting van de Commissie wordt dit begunstigend beleid ook in het geval van belanghebbende gevolgd. De Commissie onderschrijft daarom het standpunt van UHT om de startdatum voor de vergoeding van immateriële schade op 10 juli 2009 dient te worden gehandhaafd, zoals in haar beschouwing is aangegeven.

De Commissie adviseert UHT om gevolg te geven aan de in de beschouwing en ter zitting gedane toezeggingen, de compensatieberekening aan te passen, rekening houdend met het verbod van reformatio in peius, en om bij haar beslissing op bezwaar een nieuwe compensatieberekening aan belanghebbende te verstrekken.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2007, 2010 en 2011
Belanghebbende stelt dat compensatie voor de toeslagjaren 2007, 2010 en 2011 ten
onrechte is afgewezen en dat sprake is van vooringenomen handelen dan wel hardheid
van het stelsel.

Toeslagjaren 2007 en 2010
UHT stelt dat er geen sprake is van vooringenomenheid of hardheid, aangezien de KOT in beide toeslagjaren eenmalig is verhoogd als gevolg van een lager vastgesteld
toetsingsinkomen. Belanghebbende heeft dit standpunt niet gemotiveerd bestreden. De Commissie is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van vooringenomenheid of
hardheid in het handelen van B/T. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2011
De Commissie verstaat het betoog van belanghebbende op dit punt aldus, dat de KOT in 2011 onjuist zou zijn vastgesteld. UHT erkent dat er een onjuiste vaststelling heeft
plaatsgevonden, maar stelt dat dit niet het gevolg is van vooringenomen handelen of
hardheid. UHT is verder niet bevoegd om beslissingen van B/T uit het verleden te
herzien.

De Commissie overweegt dat bij de vaststelling van de definitieve aanspraak op KOT
over 2011 weliswaar sprake lijkt te zijn van een fout in de verwerking van het aantal
rekenuren, maar ziet onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat die het
gevolg is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. Ook is niet aannemelijk dat sprake was van een (onterechte) kwalificatie O/GS. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Schendingen algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende voert aan dat sprake is van schending van diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Nu de bestreden beschikking gezien het voorgaande niet in stand kan blijven en het bezwaar gedeeltelijk gegrond moet worden verklaard, treft deze bezwaargrond deels doel en zal het desbetreffende gebrek bij de beslissing op bezwaar worden hersteld.

Werkelijke schade
Belanghebbende stelt dat zij meer schade heeft geleden dan het in de definitieve
compensatiebeschikking toegekende bedrag. De Commissie overweegt dat bij
compensatie op grond van de Wht aan gedupeerde ouders niet steeds het werkelijke
nadeel wordt vergoed dat zij hebben ondervonden. Wanneer aannemelijk is dat de
werkelijke schade als gevolg van het handelen door B/T hoger is dan de deels forfaitaire compensatie uit hoofde van artikel 2.3 Wht, kan de ouder op grond van artikel 2.1 lid 3 Wht in aanmerking komen voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.

De ouder moet daartoe dan wel een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade
indienen, dat door UHT voor advies wordt voorgelegd aan CWS. Dit kan online via
www.werkelijkeschade.nl.

Proceskosten
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie, de hiervoor geformuleerde eerste
vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend beantwoordend, gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van het bestreden besluit, adviseert de Commissie om de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar tegen de beschikking van 13
januari 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te
    berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT
    zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking
    vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de
    beslissing op bezwaar en het bestreden besluit in zo verre te herroepen;
  • het bezwaar tegen de beschikking van 7 april 2022 met kenmerk UHT-CHR GU
    niet-ontvankelijk te verklaren en het bezwaar voor het overige ongegrond te
    verklaren;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe
    te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste
    tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter