BAC 2023-12135
Publicatiedatum 24-07-2025
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]
Primair besluit: 13 januari 2023 met kenmerk UHT-DC I A en 13 januari 2023 met kenmerk UHT-DH5 A
Hoorzitting: 6 september 2024 om 14:15 uur
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een
proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna:
Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 tot en met 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 3 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT
over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010. In overleg met de persoonlijk
zaaksbehandelaar is de beoordeling aanpast naar de jaren 2007 tot en met 2011. - UHT heeft bij beschikking van 3 juli 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat
zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000. - De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
van belanghebbende op 28 april 2022 aan UHT gestuurd. De CvW heeft
geadviseerd dat belanghebbende over de toeslagjaren 2007 tot en met 2011 wel
vooringenomen is behandeld. Over deze jaren heeft belanghebbende echter
evident geen recht op KOT. In de situatie van belanghebbende is niet gebleken
van bijzondere omstandigheden zodat de hardheidscompensatie niet van
toepassing is. Belanghebbende komt over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011
wel in aanmerking voor een Opzet/Grove Schuld (O/GS)-tegemoetkoming. - Bij beschikking van 8 juli 2022 is aan belanghebbende medegedeeld dat zij over
de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming
ter grootte van € 37.292. - UHT heeft in de twee bestreden beschikkingen van 13 januari 2023 aan
belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over de
toeslagjaren 2007 tot en met 2011. - Gemachtigde heeft bij brief van 22 februari 2023, ingekomen op 23 februari 2023,
tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend. - Op 15 januari 2024 heeft UHT schriftelijk op het bezwaarschrift gereageerd.
- Op 3 september 2024 heeft gemachtigde per e-mail een aanvullende reactie naar
de Commissie gestuurd. - Op 3 september 2024 heeft de Commissie gemachtigde nogmaals het
bezwaardossier en schriftelijke reactie van UHT digitaal toegestuurd. - De Commissie heeft gemachtigde per e-mail van 4 september 2024 laten weten
dat de geplande hoorzitting van 6 september 2024 niet zal worden aangehouden. - Gemachtigde heeft op 4 september 2024 per e-mail gereageerd.
- Op 5 september 2024 heeft de Commissie op de e-mail van gemachtigde
gereageerd. In de e-mail wordt aangekondigd dat de bezwaren van gemachtigde
tijdens de hoorzitting zullen worden besproken. - Gemachtigde heeft op 5 september 2024 per e-mail gereageerd en duidelijk
gemaakt dat het houden van een hoorzitting zinloos omdat een goede
voorbereiding niet mogelijk is. - Op 6 september 2024 om 10:50 uur heeft de Commissie gemachtigde per e-mail
laten weten dat de reactie van 5 september 2024 geen reden is om de hoorzitting
niet te laten doorgaan. - Op 6 september 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
- De Commissie heeft gemachtigde in de gelegenheid gesteld om een aanvullende
reactie, eventueel voorzien van stukken, binnen 14 dagen na de hoorzitting in de
bezwaarprocedure, in te brengen. De Commissie stelt vast dat deze termijn
ongebruikt is verstreken.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie zal allereerst ingaan op het bezwaardossier en de Opzet/ Grove Schuld
(hierna: O/GS)-tegemoetkoming.
Het bezwaardossier
Op 3 september 2024 heeft gemachtigde laten weten dat hij bij de voorbereiding van de zitting van 6 september 2024 constateerde dat zijn dossier – kort gezegd – onvolledig was. Hij heeft vervolgens opgemerkt na ontvangst van een nieuw dossier minstens veertien dagen aan voorbereidingstijd nodig te hebben. Op dezelfde dag heeft de administratie van de Commissie het digitale dossier, bestaande uit de schriftelijke reactie van UHT en de daarbij behorende producties, nogmaals aan gemachtigde gestuurd.
Nadat was geconstateerd dat exact dezelfde bestanden op 4 maart 2024 ook al aan
gemachtigde werd verzonden, heeft de Commissie gemachtigde daarvan in kennis
gesteld en medegedeeld dat de hoorzitting van 6 september 2024 doorgang zal vinden.
Desgevraagd heeft de secretaris van de Commissie per e-mailbericht van 4 september
2024 verduidelijkt dat gemachtigde sinds 4 maart 2024 beschikt over het juiste dossier.
In datzelfde e-mailbericht is opgemerkt dat goede nota wordt genomen van de klachten over de volledigheid van het dossier, maar dat een aanhoudingsverzoek niet wordt gehonoreerd. Op diezelfde dag heeft de gemachtigde van belanghebbende daarop met een e-mailbericht gereageerd. Kort en goed volgt daaruit dat het op 4 september 2024 toegezonden dossier afwijkt van het dossier dat hij bij de voorbereiding van de zaak gebruikte, in die zin dat het wel een inhoudsopgave en ononderbroken nummering van producties bevat. Verder herhaalt gemachtigde zijn eerdere klachten en sluit hij af met de mededeling dat hij zich zal beraden over wat hij nodig acht. De ontvangst van dat emailbericht is op 5 september 2024 door de secretaris van de Commissie bevestigd.
Daarin is tevens aangekondigd dat de bezwaren van belanghebbende tijdens de
hoorzitting zullen worden besproken. Diezelfde avond is daarop door gemachtigde
gereageerd. Uit zijn e-mailbericht volgt dat gemachtigde een hoorzitting zinloos acht en daar niet aan zal deelnemen. Op 6 september 2024 heeft de hoorzitting plaatsgevonden.
Gemachtigde noch belanghebbende is daar (digitaal) verschenen. Met het oog op de
belangen van belanghebbende heeft de Commissie het onderzoek toen niet gesloten
maar gemachtigde een termijn van 14 dagen gegeven om eventuele aanvullingen op het bezwaar te doen. Daarop is geen reactie gekomen. Vervolgens is de behandeling
gesloten.
De Commissie betreurt dat gemachtigde ervoor heeft gekozen niet (digitaal) aan de
hoorzitting deel te nemen. Daarin hadden immers zijn bezwaren (o.a. ten aanzien de
volledigheid van het dossier) kunnen worden besproken en had kunnen worden
toegelicht waarom de Commissie op voorhand geen aanleiding voor aanhouding zag. Dat laatste is gelegen in het feit dat het dossier dat gemachtigde op 3 september 2024
ontving (en voor zover de Commissie begrijpt geen gebreken bevat), hem ook op 4
maart 2024 werd toegezonden. Een kopie van het e-mailbericht daarover is als bijlage bij dit advies gevoegd. Gemachtigde beschikte dus al langere tijd over het juiste dossier. Waarom gemachtigde bij de voorbereiding op de zitting toch problemen ondervond, is de Commissie niet duidelijk geworden.
Nu de Commissie verder geen aanknopingspunten heeft gevonden om aan te nemen dat met toezending van het dossier van 3 september 2024 (en dus die van 4 maart 2024) niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen, leidt het desbetreffende bezwaar niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat.
De O/GS-tegemoetkoming
Belanghebbende meent dat in de beschikkingen een motivering voor de O/GS tegemoetkoming ontbreekt. UHT merkt hierover op dat over de O/GS-tegemoetkoming een beschikking naar belanghebbende is gestuurd. In de schriftelijke beschouwing is een eventueel motiveringsgebrek hersteld.
De Commissie maakt uit de onderliggende stukken op dat UHT bij beschikking van 8 juli 2022 aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming heeft verstrekt vanwege een onterechte O/GS-kwalificatie over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011. In de
beschikking is uitgelegd dat belanghebbende over deze jaren respectievelijk de volgende bedragen moest terugbetalen: € 17.484, € 33.127, € 43.237 en € 30.449. Doordat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft geweigerd mee te werken aan een terugbetalingsregeling vanwege de onterechte O/GS-kwalificatie, heeft belanghebbende recht op een O/GS-tegemoetkoming. De hoogte van deze vergoeding bedraagt 30% van de totale terugvordering, te weten: € 124.297, en komt hiermee uit op € 37.292. In de bestreden beschikkingen van 13 januari 2023 wordt de O/GS-tegemoetkoming nogmaals kort aangehaald. De Commissie meent dat in de beschikking van 8 juli 2022 inzichtelijk en uitvoerig is uitgelegd hoe de hoogte van de O/GS-tegemoetkoming is bepaald. In de twee bestreden beschikkingen wordt slechts aangehaald dat over de jaren 2008 tot en met 2011 sprake is van een O/GS-kwalificatie, zonder dat beoogd is nieuwe rechtsgevolgen te laten intreden.
Het is de Commissie verder niet gebleken dat het bezwaarschrift van belanghebbende
zich ook richt tegen de beschikking van 8 juli 2022. Deze bezwaargrond treft dan ook
geen doel.
De Commissie ziet zich verder gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT
terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van
belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Evident geen recht op KOT
Belanghebbende voert aan dat in de bestreden beschikkingen een vergoeding voor de
totale terugvordering ontbreekt. UHT heeft in reactie hierop duidelijk gemaakt dat over de toeslagjaren 2007 tot en met 2011 sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T, maar dat belanghebbende evident geen recht had op KOT.
De Commissie merkt allereerst op dat degene die KOT ontvangt, moet kunnen aantonen dat zij kosten heeft gemaakt voor gekwalificeerde kinderopvang en hoe hoog deze kosten zijn geweest. UHT heeft gesteld dat voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2011 sprake is van evident geen recht op KOT, omdat belanghebbende in die periode geen geregistreerde kinderopvang heeft genoten. De Commissie stelt vast dat UHT voor haar stelling afgaat op de gegevens zoals die zijn opgenomen in de zogenoemde Koi-viewer.
Niet is gebleken van enig gegeven in het dossier waaruit kan worden afgeleid dat
getwijfeld moet worden aan de juistheid van de (afwezigheid van) gegevens in de Koi-viewer.
De Commissie is dan ook van oordeel dat UHT terecht de Koi-viewer als
uitgangspunt heeft genomen en zich op het standpunt mocht stellen dat hier niet is
voldaan aan de eis van geregistreerde opvang, zodat er evident geen recht is op KOT.
Kan belanghebbende een beroep doen op de hardheidsregeling.
De Commissie heeft uit de stukken en het verhandelde tijdens de zitting geen
aanknopingspunten kunnen vinden die, mede bezien in het licht van het hiervoor
overwogene, ertoe leiden dat de hardheidsregeling moet worden toegepast. Voor zover het bezwaar hierop ziet, kan dit niet tot het door belanghebbende gewenste doel leiden.
Forfaitair stelstel van de Wht
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de schade, mede omdat zij door B/T als fraudeur is bestempeld. B/T heeft belanghebbende ernstige schade toegebracht.
Belanghebbende is vanaf 2007 in grote financiële problemen gekomen. Zij is haar woning kwijtgeraakt en een tijd dakloos geweest. Haar gezondheid heeft hiervan ernstig te lijden gehad. Haar kinderen hebben hiervan ook schade geleden.
De Commissie stelt voorop dat de Wht verschillende compensatietrajecten kent. De Wht bevat onder meer een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal in artikel 2.2 van de Wht limitatief opgesomde schadeposten. De berekening van deze schadeposten is geregeld in artikel 2.3 van de Wht. Als een belanghebbende meer schade heeft geleden dan op grond hiervan wordt vergoed, kan om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade worden verzocht. Dit is geregeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht. In de bestreden beschikkingen van 13 januari 2023 is aan belanghebbende medegedeeld dat zij over de toeslagjaren 2007 tot en met 2011 niet in aanmerking kan komen voor een forfaitaire vergoeding. Op grond van artikel 2.2 en 2.3 van de Wht heeft zij hierdoor geen recht op een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
Belanghebbende kan echter wel op grond van artikel 2.6, lid 3, van de Wht bij de
Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) een verzoek indienen voor een aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade. De Commissie begrijpt uit de schriftelijke beschouwing van UHT dat het bezwaarschrift aan de CWS is doorgestuurd om de aanvullende O/GS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade te beoordelen. Deze bezwaargrond treft gelet op het voorgaande geen doel.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding
een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het
verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter