Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12124

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 16 januari 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: er is afgezien van horen

Overdracht advies aan UHT: 19 februari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 16 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2005 tot en met heden.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 24 maart 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met heden.
  • Op 15 juni 2022 heeft UHT aangegeven dat het op basis van de eerste lichte toets geen reden ziet voor het uitbetalen van € 30.000.
  • Op 8 november 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) geoordeeld dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op de jaren 2005 tot en met heden.
  • Bij beschikking van 16 januari 2023 heeft UHT besloten dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie.
  • Op 26 februari 2023 heeft belanghebbende hiertegen bezwaar gemaakt en op 6 maart 2024 de gronden van bezwaar aangevuld.
  • Op 5 september 2024 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
  • Vanaf december 2024 is belanghebbende meerdere malen uitgenodigd voor een hoorzitting. Belanghebbende heeft aangegeven niet in staat te zijn om een hoorzitting bij te wonen omdat hij verblijft in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg en zijn behandelaren hem afraden deel te nemen aan stressvolle activiteiten, waaronder ook een hoorzitting valt.
  • Bij brief van 29 januari 2026 heeft de Commissie belanghebbende bericht dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken lijkt te volgen dat nooit KOT is aangevraagd en dat ook nooit KOT is toegekend, teruggevorderd of verrekend.
  • Bij diezelfde brief is aangegeven dat de Commissie vooralsnog vindt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat zij het plan heeft om gebruik te maken van haar bevoegdheid te adviseren zonder belanghebbende te horen. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken schriftelijk op dit voornemen te reageren dan wel het bezwaar aan te vullen.
  • Op 11 februari 2026 heeft belanghebbende hierop gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming heeft afgewezen.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

De Commissie stelt vast dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting van het bestuursorgaan om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor heeft belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit.

Toets artikel 2.1. lid 1 Wht

Op grond van artikel 2.1 lid 1 van de Wht kan aan een aanvrager van KOT compensatie worden toegekend als die aanvrager schade heeft geleden doordat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of als de hardheid van de toepassing van de wetten en regels heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard.

De Commissie constateert dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de systemen van B/T, niet blijkt dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd bij de B/T. Er zijn geen aanvragen gevonden, geen relevante (telefoon)notities of andere documenten die betrekking hebben op de KOT. Belanghebbende heeft daar onvoldoende tegenovergesteld. De Commissie wijst in dit kader op de uitspraak van rechtbank

Rotterdam van 25 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9426. Uit die uitspraak volgt dat de ‘bewijslast’ voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. De enkele stelling dat KOT is aangevraagd is onvoldoende; belanghebbende moet aannemelijk maken dat KOT is aangevraagd.

Aannemelijk maken betekent dat belanghebbende aan de hand van verklaringen en stukken duidelijk moet maken dat zijn of haar stellingen juist zijn. Dit betekent niet dat van belanghebbende wordt gevergd alle ingenomen stellingen te bewijzen met objectief verifieerbare bewijsstukken, maar wel dat de stellingen van belanghebbende worden ondersteund door of passen bij de overige beschikbare informatie.

De Commissie stelt vast dat belanghebbende daarvoor onvoldoende heeft aangevoerd en daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat er aanvragen voor KOT zijn gedaan. Verder volgt uit de op de zaak betrekking hebbende stukken niet dat aan belanghebbende ooit KOT is toegekend of dat KOT van belanghebbende is teruggevorderd of is verrekend met andere toeslagen. Belanghebbende heeft daarom geen recht op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in de Wht. Het bezwaarschrift kan er dus niet toe leiden dat belanghebbende alsnog in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie merkt op dat de Wht uitsluitend betrekking heeft op aan KOT te relateren gebeurtenissen: dit sluit niet uit dat belanghebbende andere, met het toeslagenstelsel samenhangende problemen heeft ondervonden. Deze vallen echter buiten de reikwijdte van deze bezwaarprocedure.

Bezwaar is kennelijk ongegrond (en daarom is belanghebbende niet gehoord)

De Commissie heeft belanghebbende in kennis gesteld van haar voorlopige conclusie en het voornemen UHT te adviseren het bezwaarschrift kennelijk ongegrond te verklaren zonder belanghebbende vooraf te horen. Op grond van artikel 3 lid 2 sub b van de Instellingsregeling van de Commissie en artikel 7:13 lid 4 Awb in samenhang met artikel 7:3 Awb, mag de Commissie afzien van horen als een bezwaarschrift kennelijk ongegrond is. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken schriftelijk te reageren dan wel het bezwaar aan te vullen. De op 11 februari 2026 ontvangen reactie van belanghebbende heeft niet geleid tot een andere conclusie.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter