BAC 2023-12096
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 12 januari 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 13 november 2024 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 25 februari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 12 januari 2023 (UHT-DCH).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een definitieve compensatie toegekend van € 92.854,- voor de jaren 2007, 2008 en 2009. Daarnaast is aan belanghebbende bij beschikking van
27 februari 2023 (UHT-O OGS B) een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van € 3.345,- voor de jaren 2010 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 18 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006 tot en met 2014.
- UHT heeft bij beschikking van 24 februari 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 juli 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd, samengevat, dat gedurende de jaren 2006 en 2010 tot en met 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belang-hebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van €92.854,- voor de jaren 2007, 2008 en 2009.
- Gemachtigde heeft bij brief van 21 februari 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief 7 december 2023 de gronden van het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 8 april 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Op 13 november 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 12 december 2024 een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend waarbij zij is ingegaan op enkele punten die ter zitting zijn besproken. De producties 84 tot en met 88 waarnaar in die beschouwing wordt verwezen zijn na een herhaald schriftelijk rappel door de Commissie op 6 februari 2025 ontvangen.
- Gemachtigde heeft bij e-mailbericht van 18 februari 2025 aan de Commissie bericht dat hij geen opmerkingen heeft in reactie op de aanvullende schriftelijke beschouwing van UHT. Tegelijkertijd heeft gemachtigde aangegeven dat hij geen gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid om de volgens hem gemaakte proceskosten nader te onderbouwen.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2007, 2008 en 2009 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belang-hebbende om compensatie voor de jaren 2006 en 2010 tot en met 2014 af te wijzen.
Compensatieberekening
Belanghebbende betwist de juistheid van de berekening van de definitieve compensatie. UHT heeft in de beschouwing, met verwijzing naar de bijlage compensatieberekening, erkend dat de compensatieberekening onjuist is geweest en aanpassing behoeft. UHT heeft nader vastgesteld dat de toeslagrente over gemiste KOT over de jaren 2007, 2008 en 2009 te laag is vastgesteld (component o in de compensatieberekening). De juiste bedragen moeten zijn: voor 2007 €3.238,-, voor 2008 €7.145,- en voor 2009 €6.770,-. Bij de aanvullende beschouwing heeft UHT desgevraagd de onderliggende producties met de betreffende renteberekeningen overgelegd (producties 85, 86 en 87). UHT zegt toe in haar aanvullende beschouwing uit te gaan van de in de beschouwing genoemde bedragen aan rentevergoeding over gemiste KOT. Voorts heeft de behandelend ambtenaar van UHT ter zitting erkend dat de gehanteerde startdatum voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade moet zijn 28 november 2008. Dit zal in de herziene compensatieberekening worden aangepast.
Nu het bezwaar in zoverre gegrond is, dient ook de immateriële schade te worden doorberekend tot aan de datum van de beschikking op bezwaar.
Ook de 1%-vergoeding dient te worden aangepast.
De Commissie neemt met instemming kennis van het bovenstaande en adviseert UHT om aan de in de beschouwing gedane toezeggingen gevolg te geven, de compensatieberekening aan te passen overeenkomstig de in de beschouwing opgenomen berekeningen en om bij haar beslissing op bezwaar een nieuwe compensatieberekening aan belanghebbende te verstrekken.
Ten aanzien van component i, de invorderingskosten- en rente over de jaren 2008 en 2009 heeft UHT desgevraagd in haar aanvullende beschouwing uiteen gezet dat de in de compensatieberekening opgenomen bedragen van €22,- (2008) en €78,- (2009) juist zijn, waarbij is verwezen naar de overgelegde productie 84.
De Commissie heeft op basis van deze toelichting geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van deze bedragen. Het bezwaar treft in zoverre geen doel. Ten slotte heeft belanghebbende in haar bezwaar aangegeven dat het bedrag onder component g in de compensatieberekening onjuist zou zijn. De Commissie overweegt dat zij in het bezwaardossier en de herziene compensatieberekening geen aanknopingspunten heeft gevonden voor de opvatting dat dit bedrag onjuist is.
Afgewezen jaren 2006 en 2010 tot en met 2014
Belanghebbende heeft verder aangevoerd, samengevat weergegeven, dat zij wel degelijk gedupeerd is en gecompenseerd moet worden over de jaren 2006 en de jaren 2010 tot en met 2014. UHT betwist dit standpunt.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.
In het bestreden besluit en het informatie- en beoordelingsformulier (productie 4 bezwaardossier) is voor alle betrokken jaren uitgebreid beschreven en toegelicht welke neerwaartse en opwaartse wijzigingen in de KOT hebben plaatsgevonden. Voor de jaren 2006 en 2012 tot en met 2014 is geen KOT aangevraagd en zijn geen beschikkingen afgegeven. Belanghebbende heeft bij haar bezwaarschrift ook geen stukken ingebracht op grond waarvan anders geconcludeerd moet worden. Ten aanzien van toeslagjaar 2010 is de KOT op nihil gesteld (beschikking van 6 februari 2010) vervolgens driemaal opwaarts gecorrigeerd en bij definitieve beschikking van 22 juli 2014 op nihil gesteld. Ondanks herhaalde uitvraag bij belanghebbende zijn geen stukken aangeleverd op grond waarvan B/T kon vaststellen of gekwalificeerde opvang was afgenomen. Omdat geen andere stukken aanwezig zijn waaruit blijkt van genoten opvang, bestaat er geen recht op KOT en dus evenmin op compensatie voor toeslagjaar 2010. Ten aanzien van toeslagjaar 2011 geldt hetzelfde. Belanghebbende heeft met een antwoordformulier op 16 augustus 2012 ook aangegeven in 2011 geen gebruik te hebben gemaakt van kinderopvang (productie 75). Het standpunt van belanghebbende dat B/T in toeslagjaar 2011 zou zijn uitgegaan van verkeerde informatie over de verblijfsstatus van belanghebbende, is, gelet op het vorenstaande, niet relevant nu het ingezonden antwoordformulier van belanghebbende de grondslag is geweest voor de nihilstelling van de KOT.
Geplaatst tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden overweegt de Commissie dat zij geen aanknopingspunten heeft gevonden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2006 en 2010 tot en met 2014 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De enkele stelling van belanghebbende dat zij de KOT niet zelf heeft stopgezet, is voor de Commissie in het licht van de voorhanden gegevens geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Dit bezwaar treft daarom geen doel.
Vergoeding juridische procedures
Gemachtigde heeft ter zitting aangevoerd dat een bedrag aan proceskosten is toegekend maar dat hij twijfels heeft over de juistheid van het toegekende bedrag. De Commissie overweegt dat gemachtigde, na daartoe door de Commissie in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft gemeld geen nadere stukken in te dienen ter onderbouwing van dit standpunt. Dit bezwaar kan daarom niet slagen.
Proceskostenvergoeding
Nu de bezwaren deels gegrond zijn en zullen moeten leiden tot herroeping van de bestreden beslissing met kenmerk UHT-DCH, zal de Commissie UHT adviseren tevens de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH in zoverre te herroepen en om:
- de compensatieberekening als volgt aan te passen:
- de toeslagrente over gemiste KOT voor het jaar 2007 aan te passen naar het bedrag van €3.238,- voor het jaar 2008 aan te passen naar het bedrag van €7.145,- en voor het jaar 2009 aan te passen naar het bedrag van €6.770,-;
- de begindatum van de vergoeding van de immateriële schade vast te stellen op 28 november 2008;
- einddatum van de vergoeding van immateriële schade vast te stellen op de datum van de beschikking op bezwaar;
- de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter