Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12093

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 november 2022 (UHT-DC I, UHT-DH A, DC-I A,

UHT-DH5A)

12 januari 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 22 januari 2025

Overdracht advies aan UHT: 27 mei 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, alsnog compensatie toe te kennen over toeslagjaar 2018, de compensatieberekening conform de beschouwing aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van €22.177,- voor de jaren 2015 en 2016 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2014 en 2017 tot en met 2019.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2013 tot en met 2015. In overleg met belanghebbende heeft herbeoordeling plaatsgevonden over de jaren 2014 tot en met 2019.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 17 oktober 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2014 en 2017 tot en met 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 12 januari 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €22.177,- voor de jaren 2015 en 2016 en geen compensatie voor de jaren 2014 en 2017 tot en met 2019.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 22 februari 2023 tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 12 oktober 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 3 januari 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 22 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 12 februari 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Belanghebbende heeft op 26 februari 2025 hiertegen aanvullende gronden ingediend.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2015 en 2016 op de juiste wijze heeft berekend en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2014 en 2017 tot en met 2019 af te wijzen.

Het inzagerecht en de op de zaak betrekking hebbende stukken
De Commissie overweegt dat belanghebbende op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb recht heeft op inzage in zijn dossier en voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht heeft op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken.

UHT heeft gedurende de bezwaarprocedure het bezwaardossier met bijbehorende producties overgelegd. Het komt de Commissie daarmee voor dat belang-hebbende kan beschikken over de op zijn zaak betrekking hebbende stukken.

Compensatieberekening toeslagjaren 2015, 2016 en 2018
UHT erkent dat component o (rente over gemiste kinderopvangtoeslag) voor de jaren 2015 en 2016 onjuist is berekend. De rente wordt echter niet aangepast, omdat belanghebbende daardoor in een nadeliger positie zou komen.

Voorts erkent UHT dat belanghebbende over toeslagjaar 2018 alsnog moet worden gecompenseerd, omdat sprake is van vooringenomen handelen bij de terugvordering van 21 november 2018. Hierdoor moet ook component n (immateriële schadevergoeding) opnieuw worden vastgesteld. De schadeperiode loopt vanaf 3 juni 2016 tot de datum van de beslissing op bezwaar. UHT heeft een aangepaste compensatieberekening als bijlage overgelegd, waarmee de Commissie instemt.

Op de hoorzitting heeft de Commissie aan UHT verzocht om na te gaan of voor het jaar 2016 het bedrag onder component a in de compensatieberekening juist is (de kinderopvangtoeslag voor de start van het onderzoek). Bij de aanvullende beschouwing van 12 februari 2025 stelt UHT dat over 2016 een onjuist bedrag is opgenomen onder component a in de compensatieberekening (productie 90).
In plaats van €1.345,- had een bedrag van €7.101,- opgenomen moeten worden (productie 52 en 54). Component b (de kinderopvangtoeslag na afloop van het onderzoek) is ook onjuist, omdat er ten onrechte een bedrag van €0,- is opgenomen in plaats van €5.756,- op basis van de beschikking van 6 oktober 2017. Dit betreft de laatste beschikking waarbij ten onrechte rekening werd gehouden met een toeslagpartner (productie 51). Het wijzigen van componenten a en b heeft als gevolg dat het bedrag onder component c wel juist is (de niet ontvangen of terugbetaalde toeslag exclusief toeslagrente). Het bedrag onder component h wijzigt daarom niet (materiele schade van 25%).

De Commissie adviseert de berekening van de compensatie aan te passen zoals hierboven weergegeven.

Beoordeling van de 70% norm
Belanghebbende betoogt dat onduidelijk is of de verlaging van het aantal gewerkte uren in 2018 gerechtvaardigd was. Gezien de flexibele werktijden van belanghebbende als alleenstaande ouder, wordt toepassing van de 70%-norm als onredelijk ervaren.

UHT ziet geen aanleiding voor aanvullende compensatie, omdat uit aanvullende informatie van 23 augustus 2016 bleek dat belanghebbende meer uren werkte dan uit de loonstroken volgde en dit al is meegenomen in de beslissing op bezwaar van 12 september 2016. UHT verwijst daarbij naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2016:3120), waarin is overwogen dat het aantal uren op de loonstrook leidend is. Ten aanzien van 2015 en 2016 is op basis van het vertrouwensbeginsel afgeweken van dit uitgangspunt, maar deze uitzondering geldt niet automatisch ook voor de latere jaren.

De Commissie overweegt dat uit het verhandelde op de hoorzitting blijkt dat de bezwaren van gemachtigde specifiek gericht zijn tegen de beoordeling van toeslagjaar 2018. Voor dat jaar zijn geen omstandigheden naar voren gebracht die een afwijking van de gebruikelijke toetsing op basis van loonstroken rechtvaardigen. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Beoordeling afwijzing compensatie ten aanzien van toeslagjaren 2014, 2017 en 2019

Toeslagjaar 2014
Over toeslagjaar 2014 is de kinderopvangtoeslag bij beschikking van 10 juni 2016 neerwaarts bijgesteld, omdat belanghebbende recht had op minder opvanguren. Belanghebbende heeft vervolgens stukken heeft overgelegd, maar op dat moment was de kinderopvangtoeslag al volledig door belanghebbende ontvangen.
De kinderopvangtoeslag is met ingang van 12 september 2016 verhoogd.
Tijdens de hoorzitting heeft de Commissie UHT verzocht om opnieuw te beoordelen of er in het toeslagjaar 2014 sprake is geweest van vooringenomen handelen. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking van
10 juni 2016 (productie 19). Bij de aanvullende beschouwing van 12 februari 2025 stelt UHT dat zij geen reden ziet om over toeslagjaar 2014 alsnog een compensatie toe te kennen. Het bezwaar is destijds gegrond verklaard, omdat belanghebbende in de bezwaarprocedure nieuwe informatie heeft overgelegd over het aantal gewerkte uren in 2014. Op basis daarvan zijn de afgenomen uren aan kinder-opvang alsnog vergoed. In de definitieve beschikking, waartegen belanghebbende bezwaar maakte was het aantal uren verlaagd op basis van de loonstroken die Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op 13 mei 2016 heeft ontvangen (productie 24).

Toeslagjaar 2017
In toeslagjaar 2017 is de kinderopvangtoeslag door belanghebbende stopgezet met ingangsdatum 1 november 2016. Dat is in overeenstemming met de contra-informatie van de kinderopvanginstelling. Naar aanleiding van een aanvraag op
24 augustus 2017 is de kinderopvangtoeslag bij beschikking van 29 december 2017 toegekend. Uit de door belanghebbende toegezonden stukken blijkt dat de opvang is aangevangen op 15 mei 2017. De Commissie stelt vast dat er verder geen bijzonderheden zijn over dit toeslagjaar.

Toeslagjaar 2019
In toeslagjaar 2019 is de kinderopvangtoeslag neerwaarts gecorrigeerd in verband met een stopzetting op 25 mei 2019 met ingang van 2 september 2019 (productie 100 en bijlage 4 van de aanvullende beschouwing). Het kind van belanghebbende heeft op 8 april 2019 de twaalfjarige leeftijd bereikt.

Over toeslagjaar 2019 voert gemachtigde aan dat belanghebbende de kinderopvangtoeslag in 2019 niet zelf heeft stopgezet en dat uit de KOI-viewer blijkt dat gedurende het gehele jaar opvang is afgenomen. Ook is geen rekening gehouden met het feit dat het kind langer op de basisschool zat, waardoor mogelijk ook in 2020 recht op toeslag bestond middels een automatische continuering. Dit onderdeel dient volgens gemachtigde te worden meegenomen in de berekening. Gemachtigde verwijst in dit verband naar pagina 34 van het informatie- en beoordelingsformulier.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de kinderopvangtoeslag voor toeslagjaren 2014, 2017 en 2019 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel.
De terugvorderingen kinderopvangtoeslag over toeslagjaren 2014 en 2017 waren gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. In toeslagjaar 2019 is de kinderopvangtoeslag door belanghebbende stopgezet (productie 100 en bijlage 4 bij de aanvullende beschouwing).
Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt (productie 101, bijlagen 5 en 6 bij de aanvullende beschouwing).

De Commissie adviseert UHT om in de beslissing op bezwaar duidelijkheid te geven over de verdere afhandeling van het verzoek om kwijtschelding, waarbij de betaalcapaciteit van belanghebbende is vastgesteld op €703,- (bijlage 6 bij de aanvullende beschouwing, p. 46). Voor zover belanghebbende het aangewezen vindt dat schade als gevolg van de verrekeningen wordt vergoed, overweegt de Commissie het volgende. De nu voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Als belanghebbende van mening is dat hem aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan hij conform op grond van wat is bepaald in artikel 2.6, lid 3, Wht een verzoek daartoe indienen bij de Commissie Werkelijke Schade.

Ten aanzien van de mogelijke automatische continuering in toeslagjaar 2020, overweegt de Commissie dat vaststaat dat belanghebbende na de stopzetting in 2019 geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd voor toeslagjaar 2020. Er zijn daarom geen aanknopingspunten voor vooringenomen handelen over dit jaar.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Fraude Signalering Voorziening
Belanghebbende stelt dat hij op de FSV-lijst stond, maar dat er geen onderliggende stukken in het dossier zijn opgenomen. UHT heeft toegelicht dat er nog geen FSV-uittreksel beschikbaar is, maar dat dit alsnog zal worden overgelegd zodra dat wel het geval is. Hoewel de persoonsgegevens van belanghebbende in het systeem zijn opgenomen, is zonder uittreksel onduidelijk waarom. De opname in FSV is op zichzelf geen grond voor compensatie; dit is alleen het geval als de vermelding heeft geleid tot een onterechte terugvordering op basis van een zogenoemd zero-tolerance-onderzoek.

De Commissie overweegt dat zij in het dossier geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden die aannemelijk maken dat inderdaad is gezocht naar fouten en tekortkomingen naar aanleiding van de vermelding op de FSV-lijst. De Commissie adviseert aan UHT om het FSV-uittreksel bij de beslissing op bezwaar te overleggen.

Verder volgt de Commissie UHT in haar standpunt dat de registratie in de FSV op zichzelf geen reden geeft voor compensatie op grond van de Wht. Immers is niet gebleken dat een mogelijke vermelding op de FSV-lijst enige voor belanghebbende nadelige invloed heeft gehad op de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Vergoeding voor de kosten van juridische hulp (component m)
Belanghebbende betoogt dat hij in aanmerking komt voor vergoeding van de kosten van juridische hulp (component m). UHT heeft geen vergoeding juridische kosten toegekend voor de bezwaarprocedure van belanghebbende over de toeslagjaren 2015, omdat belanghebbende het bezwaar zelf heeft ingediend in 2015 en hierbij geen gebruik heeft gemaakt van een professionele rechtshulp-verlener (producties 32 en 36).

Voor deze bezwaarprocedure komt dat de Commissie juist voor, nu belanghebbende daarin niet is bijgestaan door een beroepsmatig rechtsbijstandverlener.

Voor toeslagjaar 2016 is aan belanghebbende een bedrag van €6.072,- toegekend. Bij aanvullende beschouwing van 12 februari 2025 erkent UHT dat het bedrag onder component m te laag is vastgesteld tegen het oude tarief van 2022 in plaats van het actuele tarief. Dit wordt in de beslissing op bezwaar gewijzigd. UHT stelt zich verder op het standpunt dat niet een nog ruimhartiger compensatie kan worden toegekend nu voor de bezwaarprocedure over 2016 niet is gebleken dat dat belanghebbende door een gemachtigde werd bijgestaan en evenmin dat er een hoorzitting heeft plaatsgevonden (producties 49, 50 en 52).

Op grond van artikel 2.2, onderdeel f, in combinatie met artikel 2.3, zesde lid, van de Wht wordt een forfaitaire vergoeding toegekend voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor zover deze kosten niet eerder zijn vergoed. De kosten worden vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij een wegingsfactor twee wordt toegepast.

De Commissie overweegt dat uit het dossier weliswaar niet blijkt dat belang-hebbende in de betreffende periode juridische bijstand heeft gehad, maar dat gemachtigde tijdens de hoorzitting heeft toegelicht dat destijds geen toevoeging werd verleend door de Raad voor Rechtsbijstand. Desondanks heeft de gemachtigde in die periode wel ondersteuning geboden, onder meer bij de bezwaarprocedure, herziening en beroepsprocedure. De Commissie adviseert UHT om in de beslissing op bezwaar met inachtneming van deze feiten en omstandigheden nader in te gaan op dit punt.

Artikel 19 Awir; overschreden termijn voor definitieve beschikkingen vooringenomen handelen?
Belanghebbende stelt dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op kinderopvangtoeslag in de betreffende toeslagjaren.

UHT stelt zich op het standpunt dat uit artikel 19 Awir, zoals dat gold tot en met 2014, volgt dat primair de definitieve afrekening volgt zes maanden na het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting.

Als er geen aanslag inkomstenbelasting wordt vastgesteld volgt de definitieve afrekening uiterlijk 31 december volgend op het toeslagjaar. Nu niet bekend is of en wanneer er voor belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting is ingediend kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de definitieve afrekeningen van de kinderopvangtoeslag te laat waren.

Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T, overweegt de Commissie dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.

Zienswijze voorafgaand aan de herziene beschikking van 12 januari 2023
Belanghebbende heeft op de hoorzitting aangevoerd dat de zienswijze voorafgaand aan de herziene beschikking van 12 januari 2023 niet is opgenomen in het dossier. UHT heeft de zienswijze als bijlage 1 bij de aanvullende beschouwing van 12 februari 2025 overgelegd en stelt dat de beoordelaar op basis van de zienswijze geen reden zag om de beoordeling voor wat betreft het aantal gecompenseerde jaren aan te passen.

De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende op 12 januari 2023 een herziene beschikking heeft ontvangen en nu in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om zijn bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. Bovendien is niet aangevoerd welk nadeel belanghebbende door dit nalaten heeft gehad. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Commissie Werkelijke Schade
Belanghebbende stelt dat hij het niet eens is met de berekeningswijze van de compensatie, omdat de gevolgen van de terugvorderingen ook in latere jaren zijn ervaren. UHT stelt zich op het standpunt dat de compensatie is berekend op basis van de methodiek die volgt uit de Wht. Het staat UHT niet vrij om de compensatie, als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met zevende lid en artikel 2.6 Wht, op een andere wijze te berekenen. Voorts heeft belanghebbende verzocht om zijn bezwaarschrift door te zenden aan de Commissie Werkelijke Schade.
De Commissie stelt vast dat UHT het verzoek inmiddels heeft doorgezonden aan de Commissie Werkelijke Schade.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar deels gegrond acht en adviseert om de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH te herroepen, adviseert zij om het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belang-hebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij uit te gaan van de hoogste vergoeding per procespunt.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en om:

  • alsnog compensatie op grond van vooringenomenheid over toeslagjaar 2018 toe te kennen;
  • de vergoeding van de kosten juridische bijstand (component m) over toeslagjaar 2016 aan te passen;
  • de vergoeding voor immateriele schade (component n) over toeslagjaren 2015, 2016 en 2018 te berekenen vanaf 3 juni 2016 en tot de datum van de beslissing op bezwaar;
  • het rentebedrag met betrekking tot de gemiste kinderopvangtoeslag (component o) ongewijzigd laten ten gunste van belanghebbende;
  • de aanvullende vergoeding van 1% (component p) aan te passen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter