Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12089

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 11 januari 2023 met kenmerken UHT-DC I, UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en UHT-DHR

Hoorzitting: 27 maart 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 3 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren ten aanzien van de componenten a en m van de compensatieberekening en voor het overige ongegrond te verklaren. Ook adviseert de Commissie om het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de op 11 januari 2023 door UHT genomen beschikkingen met kenmerken UHT-DC I, UHT-DC-I A, UHT-DH5 A en UHT-DHR.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 50.638 voor de toeslagperioden 2009 en september tot en met december 2010 en is geen compensatie toegekend voor de toeslagperiode januari tot en met augustus 2010 en het toeslagjaar 2011.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 1 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2005 en 2006.
    In overleg met belanghebbende is het verzoek gewijzigd naar de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 10 juni 2022 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat gedurende de toeslagjaren 2009, 2011 en de maanden januari tot en met augustus 2010 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Voor het toeslagjaar 2011 geldt tevens dat geen sprake is geweest van hardheid.
  • Bij brief van 18 juli 2022 heeft UHT aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van € 50.327.
  • Bij beschikking van 11 januari 2023 met kenmerk UHT-DC I heeft UHT aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 50.638 voor de toeslagperiode september tot en met december 2011 (bedoeld is 2010). Omdat belanghebbende eerder een bedrag van € 50.327 had ontvangen, krijgt zij nog een nabetaling van € 311.
  • Bij beschikking van 11 januari 2023 met kenmerk UHT-DC-I A heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen compensatie ontvangt voor de toeslagperiode januari tot en met augustus 2010 en 2011.
  • Bij beschikking van 11 januari 2023 met kenmerk UHT-DH5 A heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen tegemoetkoming ontvangt voor de toeslagperiode januari tot en met augustus 2010 en het toeslagjaar 2011.
  • Bij beschikking van 11 januari 2023 met kenmerk UHT-DHR heeft UHT aan belanghebbende een tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van € 50.638 voor het toeslagjaar 2009. Omdat belanghebbende eerder een bedrag van €50.327 had ontvangen, krijgt zij nog een nabetaling van € 311.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 21 februari 2023 tegen deze beschikkingen bezwaar gemaakt.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 30 januari 2024, ingekomen op 31 januari 2024, het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 1 mei 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 27 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • UHT heeft op verzoek van de Commissie op 27 maart 2025 een aanvullende reactie inclusief stukken overgelegd.
  • Op 25 april 2025 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies aan UHT opgesteld.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

Verzoek persoonlijk dossier
Deze procedure gaat over het bezwaar van belanghebbende tegen het bestreden besluit. Het verzoek om afgifte van het persoonlijk dossier maakt geen deel uit van dit besluit, zodat de Commissie alleen al om die reden niet over dit verzoek kan beslissen. Hoewel de Commissie het belang om het persoonlijk dossier te verkrijgen begrijpt, staat het persoonlijk dossier los van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verzoek om het persoonlijk dossier is reeds in behandeling bij UHT. De Commissie vertrouwt erop dat UHT dit verzoek zorgvuldig afhandelt.

Zorgvuldigheid en motivering
Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van de bestreden besluiten, kunnen die gebreken in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

Materiele en immateriële schade
Op grond van artikel 2.3 lid 3 van de Wht is de vergoeding voor materiele schade gelijk aan 25 procent van het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of teruggevorderd. Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Hiervoor is de procedure voor aanvullende schadevergoeding (artikel 2.1 lid 3 Wht) bestemd. De aansluiting die belanghebbende zoekt bij de normbedragen uit het strafrecht voor 'ten onrechte' in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, gaat evenmin op.
De Commissie verwijst naar een uitspraak van de Rechtbank Zeeland - West-Brabant van 23 juni 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:4449), waarin is overwogen dat in de situatie van de KOT-affaire geen sprake is van onrechtmatige detentie, zodat een vergelijking met de bedragen die in het strafrecht gebruikelijk zijn, reeds daarom niet op gaat. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

Recht op compensatie voor de jaren 2009, 2010 en 2011
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een hogere compensatie van de (immateriële) schade die zij heeft geleden in andere toeslagjaren- en maanden dan 2009 en september tot en met december 2010 als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). Belanghebbende stelt verder dat ten onrechte is geoordeeld dat in de toeslagmaanden januari tot en met augustus 2010 en 2011 geen sprake was van vooringenomenheid of hardheid.
Daarnaast stelt zij dat de toeslagjaren waar geen vooringenomenheid of hardheid zijn vastgesteld niet los kunnen worden gezien van de toeslagjaren waar dat wel het geval was. De Commissie overweegt hierover als volgt.

KOT jaar 2010
Voor wat betreft het toeslagjaar 2010 blijkt uit het dossier dat belanghebbende vanaf september 2010 ging studeren en toen opvang voor haar zoon nodig had. Voor de maanden hiervóór had de nicht van belanghebbende - bij nader inzien ten onrechte - KOT aangevraagd, zonder dat belanghebbende hiervan op de hoogte was. Niet is gebleken dat daadwerkelijk kinderopvang is afgenomen.
De Commissie merkt hierbij op dat de informatie waarnaar UHT verwijst omtrent dit punt, de behandelstap in het RKT-bestand over 2010, geen uitsluitsel geeft over de herkomst van deze informatie. Niet is gebleken dat twee kinderopvanginstellingen hebben verklaard dat belanghebbende geen opvang heeft afgenomen van deze instellingen, maar alleen dat voor de maanden september tot en met november 2010 KOT is toegekend na bezwaar en beroep.

KOT jaar 2011
De Commissie is van oordeel dat UHT voldoende gemotiveerd heeft toegelicht om welke reden niet overgegaan is tot het toekennen van compensatie.
Over het toeslagjaar 2011 blijkt uit het dossier en de nadere stukken niet dat geregistreerde kinderopvang is afgenomen en daardoor is sprake van evident geen recht. Immers, de kinderopvang bij Kinderopvanginstelling X vond plaats in 2010 en niet is gebleken dat de opvang doorliep in 2011.

De Commissie adviseert om de bezwaren op deze punten ongegrond te verklaren.

Hoogte van de compensatieberekening
Belanghebbende is van mening dat de compensatieberekening, voor zover die voor haar op basis van de beschikbare stukken te controleren valt, niet correct is. Daarnaast ontbreekt volgens haar een vergoeding voor kosten van juridische hulp (component m) en is de vergoeding voor immateriële schade te laag vastgesteld (component n).

KOT vóór neerwaartse bijstelling (component a)
UHT heeft in haar beschouwing van 1 mei 2024 erkend dat component a van de compensatieberekening onjuist is althans niet voldoende is gemotiveerd.

Ter zitting heeft UHT nogmaals de berekening van component a toegelicht. UHT heeft ervoor gekozen om een deel van het bedrag onder component a onder vooringenomenheid en een deel onder hardheid te laten vallen. De reden hiervoor is dat voor wat betreft het toeslagjaar 2010 gedeeltelijk sprake is van evident geen recht, omdat belanghebbende voor een deel van 2010 geen kinderopvang heeft afgenomen. UHT ziet hierom ook geen reden om component a opnieuw te berekenen. In haar aanvullende reactie van 25 april 2025 heeft gemachtigde nogmaals het bedrag van component a ter discussie gesteld. Volgens haar zou dit bedrag hoger dienen uit te vallen. De Commissie is van oordeel dat UHT met de gegeven uitleg component a voldoende heeft toegelicht. Ook heeft de Commissie geen aanwijzingen of bewijsstukken in het dossier en de nadere stukken aangetroffen die leiden tot een ander oordeel.

Vergoeding voor juridische kosten (component m)
Belanghebbende verzoekt om de juridische kosten die zij destijds heeft gemaakt te vergoeden. Volgens belanghebbende zijn deze niet meegenomen in de compensatieberekening. UHT heeft in haar nadere reactie van 27 maart 2025 haar standpunt gewijzigd en zij zal alsnog een vergoeding voor juridische kosten toekennen vanwege twee bezwaarschriften. De Commissie volgt UHT op dit punt en adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.

Vergoeding voor immateriële schade (component n)
In haar aanvullende beschouwing van 1 mei 2024 heeft UHT vastgesteld dat de vergoeding voor immateriële schade juist is berekend in de definitieve compensatieberekening. De Commissie overweegt hierover het volgende.

Op grond van artikel 2.3 lid 4 Wht dient de ingangsdatum van de vergoeding voor immateriële schade te worden gesteld op de dagtekening van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening die een direct gevolg is van vooringenomen handelen of hardheid van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).

In dit geval gaat UHT in haar aanvullende beschouwing uit van een eerder onjuist vastgestelde datum, namelijk 2 december 2010, maar dit maakt geen verschil voor de berekening van de immateriële schadevergoeding. De Commissie acht dit standpunt van UHT juist en de Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.

Voor zover belanghebbende betoogt dat het forfaitaire bedrag van € 500 per maand een te laag bedrag zou zijn voor haar situatie, volgt de Commissie haar niet. De Commissie wijst erop dat in het geval van compensatie op grond van artikel 2.1 Wht een forfaitaire compensatie wordt toegekend, waarmee gedupeerde ouders niet steeds het werkelijke nadeel dat zij ondervonden hebben, vergoed krijgen. Wanneer aannemelijk is dat de werkelijke schade als gevolg van het handelen door B/T hoger is dan de (deels) forfaitaire compensatie uit hoofde van artikel 2.3 Wht, dan kan belanghebbende op grond van artikel 2.1 lid 3 Wht in aanmerking komen voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Dat geldt ook voor immateriële schade.

De aansluiting die belanghebbende zoekt bij de normbedragen uit het strafrecht voor 'ten onrechte' in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, gaat evenmin op. De Commissie verwijst naar een uitspraak van de Rechtbank Zeeland - West-Brabant van 23 juni 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:4449), waarin is overwogen dat in de situatie van de KOT-affaire geen sprake is van onrechtmatige detentie, zodat een vergelijking met de bedragen die in het strafrecht gebruikelijk zijn, reeds daarom niet op gaat. De Commissie acht het bezwaar op dit en bovengenoemd punt ongegrond.

Code HOT-HOR en discriminatie
Belanghebbende voert aan dat in het RKT-bestand staat dat zij in het HOT-HOR (hoge tegemoetkoming, hoge risico) systeem is opgenomen, maar daarvan nooit in kennis is gesteld. Voorts verwijst belanghebbende met een link naar een publicatie van het College voor de Rechten van de Mens. Uit onderzoek zou blijken dat mensen van buitenlandse komaf aanzienlijk vaker werden geselecteerd voor een HOT-HOR signalering dan personen met een Nederlandse achtergrond. Volgens belanghebbende is zij daarom gediscrimineerd. De Commissie overweegt hierover het volgende.

Uit het bezwaardossier is niet gebleken dat in het geval van belanghebbende het kenmerk HOT-HOR is toegevoegd. Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of van discriminatie is, uit de ter beschikking staande stukken en de tijdens de hoorzitting gebleken feiten en omstandigheden, onvoldoende gebleken. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 Awir destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat het tijdsverloop niet tot de conclusie leidt dat institutioneel vooringenomen is gehandeld.

Hoogte van de KOT
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Belanghebbende verzoekt onder meer om een aanpassing van de hoogte van de KOT over een aantal toeslagjaren zoals deze indertijd definitief zijn vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt echter buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert zij om het verzoek tot vergoeding van de proceskosten in deze bezwaarprocedure toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • de bezwaren ten aanzien van de componenten a en m van de compensatie-berekening gegrond te verklaren;
  • de bestreden besluiten op deze punten te herroepen;
  • de compensatie opnieuw te berekenen en ook alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende vergoedingen (waaronder de vergoeding voor immateriele schade) opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies;
  • de bezwaren voor het overige ongegrond te verklaren;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter