BAC 2023-12084
Publicatiedatum 04-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 27 december 2022 met kenmerk UHT-DCHA
Hoorzitting: 8 april 2025 om 10:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 17 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift gericht tegen de definitieve afwijzing van compensatie ongegrond te verklaren en het verzoek om proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de, met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) genomen beschikking van 27 december 2022, waarin UHT compensatie voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2019 afwijst.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 21 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met belanghebbende ziet de herbeoordeling op de toeslagjaren 2007 tot en met 2019.
- Op 23 maart 2022 heeft UHT besloten op grond van de eerste lichte toets geen €30.000 aan belanghebbende toe te kennen.
- Op 6 december 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) als advies uitgebracht dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op de toeslagjaren 2007 tot en met 2019.
- Op 27 december 2022 heeft UHT in een definitieve beschikking besloten dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2019.
- Op 19 januari 2023 heeft gemachtigde een bezwaarschrift ingediend.
Op 2 oktober 2023 zijn de gronden van bezwaar aangevuld. - Op 2 april 2024 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
- Op 8 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van het bezwaarschrift is niet in geschil.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde aangegeven dat het bezwaar zich enkel nog richt op de afgewezen toeslagjaren 2014, 2015 en 2016. Derhalve beperkt het advies van de Commissie zich tot deze jaren. De Commissie ziet zich voor de vraag gesteld of compensatie voor deze toeslagjaren terecht is afgewezen.
Tussen partijen is niet in geschil dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de uitvoering van de KOT over de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016 vooringenomen heeft gehandeld jegens belanghebbende. De reden is dat B/T niet kan aantonen of de informatiebrieven voorafgaand aan de nihil beschikkingen daadwerkelijk zijn verstuurd en wat daar precies de inhoud van was.
UHT stelt echter dat er geen enkele aanwijzing is dat in de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016 daadwerkelijk kinderopvang is afgenomen. UHT heeft meerdere malen om nadere informatie hierover verzocht. Daarom stelt UHT dat sprake is van evident geen recht op KOT en komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie. Gemachtigde stelt dat belanghebbende in deze jaren wel gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Omdat het al zo lang geleden is, zijn daar geen stukken meer van. Gemachtigde stelt voorts dat het door UHT gestelde 'evident geen recht' in ieder geval voor toeslagjaar 2016 een direct gevolg is van de verrekeningen door B/T. Door het verrekenen kon belanghebbende de opvang niet meer betalen en moest ze wel stoppen met het afnemen ervan.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt volgens de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.
Belanghebbende heeft in het kader van deze bezwaarprocedure verklaard dat in de toeslagjaren 2014 tot en met 2016 sprake is geweest van kinderopvang, maar heeft dat niet met objectief verifieerbare stukken onderbouwd. Er zijn bijvoorbeeld geen jaaropgaves of bankoverschrijvingen overgelegd. Ook is niet gebleken dat belanghebbende naar aanleiding van de nihil stellingen heeft gecorrespondeerd met B/T. De Commissie is met UHT van oordeel dat belanghebbende hierdoor niet aannemelijk heeft gemaakt dat in deze toeslagjaren inderdaad sprake was van kinderopvang. Hierdoor werd niet voldaan aan de voorwaarden voor aanspraak op KOT en blijft toekenning van compensatie achterwege.
Met betrekking tot hetgeen gemachtigde stelt over het noodgedwongen niet meer kunnen afnemen van kinderopvang in verband met verrekeningen door B/T, overweegt de Commissie als volgt. Het verrekenen van terechte terugvorderingen levert geen compensatie op grond van hardheid op. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: 'Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen' (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de nota naar aanleiding van het verslag wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14).
Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het advies van de CvW en het standpunt van UHT met betrekking tot de afgewezen toeslagjaren 2014, 2015 en 2016 onjuist te achten. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier het standpunt van belanghebbende te volgen. De Commissie is verder van oordeel dat met het indienen van het schriftelijke verweer en de overige producties, het bestreden besluit ten aanzien van de afgewezen toeslagjaren voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand is gekomen. De Commissie acht het bezwaar ongegrond.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar ongegrond acht, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter