BAC 2023-12083
Publicatiedatum 23-07-2025
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]
Primair besluit: 8 april 2022 met kenmerk UHT CHR GU en 6 december 2022 met kenmerk UHT-DCHA
Hoorzitting: 27 september 2024
Overdracht advies aan UHT: 11 december 2024
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar tegen de beschikking van 8 april 2022 niet-ontvankelijk te
verklaren, tegen de beschikking van 6 december 2022 ongegrond te verklaren
en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de volgende beschikkingen:
- Beschikking eerste toets € 30.000 van 8 april 2022 met kenmerk: UHT CHR GU;
- Definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) van 6
december 2022 met kenmerk: UHT-DCHA.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking van 8 april 2022 geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 8 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 en 2011.
- Bij beschikking van 8 april 2022 (kenmerk: UHT CHR GU) is aan belanghebbende
meegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor uitbetaling van 30.000.
Gemachtigde heeft op 26 oktober 2022 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. - De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is
geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. - UHT heeft bij beschikking van 6 december 2022 met kenmerk UHT-DCHA aan
belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een
compensatie kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2010 en 2011.
Gemachtigde heeft bij brief van 17 januari 2023, ingekomen op 18 januari 2023,
tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. Op 1 april 2024 heeft
gemachtigde de gronden van bezwaar aangevuld. - UHT heeft op 30 mei 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 27 september 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting
is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd. - Dit advies wordt uitgebracht door de Commissie.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Bij beschikking van 8 april 2022 heeft UHT na de eerste toets besloten om (nog) niet tot toewijzing van een compensatie over te gaan. Bij beschikking van 6 december 2022
heeft UHT het verzoek om compensatie over de toeslagjaren 2010 en 2011, na een
integrale beoordeling, opnieuw afgewezen. De gemachtigde heeft niet gewezen op feiten of omstandigheden die aannemelijk maken dat belanghebbende nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van vorenbedoelde beschikking van 8 april 2022. Het belang van vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten levert evenmin een procesbelang op (vergelijk de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1979 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635). Dat betekent dat de Commissie zal adviseren het bezwaarschrift tegen de beschikking van 8 april 2022 niet-ontvankelijk te verklaren.
De gemachtigde heeft er voorts over geklaagd dat beide beschikkingen niet op de juiste wijze bekend zijn gemaakt omdat deze, in strijd met de wet, niet aan haar zijn
toegezonden.
Dit punt kan blijven rusten nu UHT ook het bezwaarschrift tegen de beschikking van 6
december 2022 ontvankelijk heeft geacht en de gemachtigde dat standpunt niet heeft
bestreden.
Het bezwaarschrift tegen de beslissing van 6 december 2022 (verder onder meer aan te duiden als: “het bestreden besluit”) zal hierna inhoudelijk worden behandeld.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich allereerst gesteld voor de beantwoording van de vraag of
belanghebbende in deze procedure recht heeft op het persoonlijk dossier en of de
bestreden beschikking in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel is
genomen.
Het persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zij niet beschikt over haar persoonlijke dossier. De Commissie overweegt daaromtrent als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 6:17 van de Awb moet het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar te beslissen de op de zaak betrekking hebbende stukken aan gemachtigde ter beschikking stellen. De schriftelijke
reactie/beschouwing van UHT is vergezeld gegaan met stukken die een rol hebben
gespeeld bij de totstandkoming van de bestreden beschikking. Deze, op de zaak
betrekking hebbende stukken, zijn aan de gemachtigde van belanghebbende
toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie tekent hierbij aan dat de stukken behorende tot het zogenoemde “ouderdossier” niet samenvallen met de op de zaak betrekking hebbende stukken, als hiervoor bedoeld. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Hier zij ten overvloede opgemerkt dat UHT heeft bevestigd dat het verzoek tot
verstrekking van het persoonlijk dossier momenteel bij haar in behandeling is.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
De Commissie is van oordeel dat UHT bij het uitbrengen van de bestreden beschikking
deze weliswaar niet voldoende heeft toegelicht, maar dat door middel van het indienen van de schriftelijke beschouwing, een uitgebreide uitleg met behulp van LIC-overzichten, het informatie- en beoordelingsformulier en overige producties het aanvankelijke motiveringsgebrek in bezwaar is hersteld. Niet is gebleken dat UHT bij het voorbereiden en nemen van de bestreden beschikking de grenzen van de zorgvuldigheid zou hebben genaderd, laat staan overschreden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
FSV-lijst
Belanghebbende meent dat zij is opgenomen op de FSV-lijst en daardoor schade heeft
geleden. UHT heeft ter zitting aangegeven dat belanghebbende inderdaad is opgenomen op de FSV-lijst, maar dat niet aannemelijk is geworden dat dit heeft geresulteerd in vooringenomen handelen aan de zijde van Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden het standpunt van UHT hier voor onjuist te houden en adviseert het bezwaar ook op dit punt ongegrond te verklaren.
Vermindering KOT toeslagjaren 2010 en 2011
De vermindering aangaande toeslagjaar 2010 van 13 april 2010 heeft plaatsgevonden
ten gevolge van een door belanghebbende doorgegeven verlaging van het aantal
afgenomen opvanguren. De twee hierop volgende verminderingen van 24 september
2011 en 26 juli 2013 zijn vervolgens gelegen in een verhoging van het toetsingsinkomen. Ten aanzien van het toeslagjaar 2011 geldt dat één vermindering heeft plaatsgevonden bij beschikking van 25 februari 2011. De reden hiervoor was een door belanghebbende doorgegeven stopzetting van de kinderopvang per 1 maart 2011.
Deze bijstellingen zijn daarom aan te merken als reguliere wijzigingen die conform de
wet zijn uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een
zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Doorgegeven wijzigingen
Belanghebbende betoogt dat zij zelf geen wijzigingen heeft doorgegeven in de jaren 2010 en 2011. Zij geeft aan dat zij niet weet wie de wijzingen heeft doorgegeven die hebben geleid tot de verlagingen in KOT. De Commissie overweegt hierover als volgt. Om een stopzetting KOT te kunnen doen, moet de aanvrager inloggen met haar persoonlijke DigiD-inloggegevens. Daarmee heeft de B/T willen bewerkstelligen dat alleen een rechthebbende op de toeslag een dergelijke aanvraag kan indienen. Een DigiD biedt immers een persoonsgebonden ingang naar een digitaal portaal. Zo blijkt ook dat de wijzigingen van 22 februari 2010 en 12 januari 2011 zijn doorgegeven met het BSN-nummer van belanghebbende. Belanghebbende heeft geen stukken aangeleverd waaruit volgt dat een en ander hierin een ander licht dient te worden bezien. In dit verband zij nog opgemerkt dat de Commissie de vaste advieslijn hanteert dat het delen van DigiD-inloggegevens met derden, voor rekening en risico van belanghebbenden dient te komen. De Commissie ziet op grond van het voornoemde geen aanleiding om UHT niet te volgen in haar voornemen om het bezwaar op dit punt evenzeer ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding
een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar tegen de beschikking van 8 april
2022 niet-ontvankelijk te verklaren en tegen de beschikking van 6 december 2022
ongegrond. De beschikking van 6 december 2022 wordt hiermee in stand gelaten. Voor een proceskostenvergoeding is dan ook, als gezegd, geen aanleiding.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter