Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12080

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 23 januari 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 19 juni 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 23 juli 2025

Samenvatting

De Commissie adviseert om het bezwaar tegen de beschikking met de kenmerk UHT-DCH gegrond te verklaren en aan belanghebbende ter zake van dat bezwaar een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) compensatie toegekend voor een bedrag van € 70.118 voor de jaren 2008 en 2009 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2007.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 9 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007, 2008 en 2009.
  • UHT heeft bij beschikking van 3 maart 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 31 oktober 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende het jaar 2007 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging integrale beoordeling kinderopvangtoeslag over 2008 en 2009 op 30 november 2022 aan belanghebbende alsnog een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van € 69.934.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 23 januari 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende definitief een compensatie toegekend voor een bedrag van € 70.118 voor de jaren 2008 en 2009 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2007.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 22 februari 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 29 januari 2024 de bezwaarschriften aangevuld.
  • UHT heeft op 18 april 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 19 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.

Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is op 27 februari 2025 naar gemachtigde gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten.
Dat belanghebbende de noodzaak voelt om haar persoonlijk dossier in handen te krijgen, begrijpt de Commissie en zij adviseert UHT daarom zich zoveel mogelijk in te spannen om het persoonlijk dossier aan belanghebbende te verstrekken. Tegelijkertijd is de Commissie van oordeel dat het niet hebben van het persoonlijk dossier belanghebbende niet in de weg staat om op basis van het bezwaardossier inzicht te krijgen in hoe het compensatiebedrag tot stand is gekomen.
Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt dan ook ongegrond.

Motivering van de beschikking
Belanghebbende stelt dat UHT onvoldoende helder en begrijpelijk aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt hoe de onderdelen van de compensatieberekening zijn opgebouwd. Voorts wil belanghebbende graag toelichting van UHT op de plaatsgevonden hebbende verrekeningen.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van de besluiten en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De compensatieberekening is vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen en wijzigingsmeldingen van de KOT. Voor zover UHT de bestreden beschikkingen bij het uitbrengen niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van oordeel dat, met het indienen van de schriftelijke beschouwing met daarin per relevant toeslagjaar een toelichting voorzien van producties, de bestreden besluiten voldoende zijn onderbouwd. Gelet hierop adviseert de Commissie UHT de bezwaren ten aanzien van dit punt ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: "Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend." (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele - niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde - stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.

Gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT
Belanghebbende verzoekt de Commissie advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen gevolgen van het overschrijden van de voor UHT geldende (beslis)termijnen. De Commissie gaat aan dit verzoek voorbij, nu de door UHT gehanteerde termijnen van beslissen buiten het kader van haar bevoegdheden vallen als bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit Bezwaarschriftenadviescommissie Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken en hardheid van het toeslagenstelsel.

Code 'HOTHOR' / discriminatie
Belanghebbende voert aan dat in het RKT-bestand staat dat zij in het HOTHOR (hoge toeslag, hoge risico) systeem is opgenomen, maar daarvan nooit in kennis is gesteld. Voorts verwijst belanghebbende met een link naar een publicatie van het College voor de Rechten van de Mens. Uit onderzoek zou blijken dat mensen van buitenlandse komaf aanzienlijk vaker werden geselecteerd voor een HOTHOR signalering dan personen meteen Nederlandse achtergrond.
Volgens belanghebbende is zij daarom gediscrimineerd. Als dat volgens B/T niet zo is, dan is het aan B/T om dit aan te tonen.

In het geval van belanghebbende is een aantal keren - zo blijkt uit het bezwaar-dossier - het kenmerk HOTHOR - hoge toeslag/hoog risico - toegevoegd. Jaarlijks worden door B/T aanvragen voor KOT behandeld die een HOTHOR-signalering (Hoge Toekenning, Hoog Risico) hebben. HOTHOR ontstaat wanneer op basis van een aanvraag of wijziging van KOT een toeslagbedrag wordt berekend dat boven de vastgestelde norm van € 20.000 uitkomt. In dat geval komt een automatische melding in het systeem. Er wordt dan een handmatige controle uitgevoerd om te kijken of de aanvraag of wijziging juist is opgegeven. Een dergelijke risico inventarisatie wordt volledig automatisch toegepast bij iedere burger bij het passeren van het normbedrag van € 20.000 en betreft een vorm van regulier toezicht. Een uitvraag of controle als gevolg van het door B/T gegeven kenmerk HOTHOR dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar levert daar op zichzelf niet het doorslaggevende bevestigende antwoord op. Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of van discriminatie is, uit de ter beschikking staande stukken en de tijdens de hoorzitting gebleken feiten en omstandigheden, onvoldoende gebleken. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar - wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Toeslagjaar 2007
Belanghebbende voert aan dat ten onrechte geen compensatie is toegekend voor het jaar 2007. Volgens haar hebben alle drie haar kinderen opvang genoten, en niet enkel een kind. De Commissie overweegt als volgt.

Uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende op 1 maart 2007 KOT heeft aangevraagd voor haar twee oudste kinderen. Op basis van deze aanvraag is op
7 september 2007 een voorschot vastgesteld op € 6.990. Op 16 november 2007 heeft zij een aanvullende aanvraag ingediend voor haar derde kind, waarna het voorschot op 19 november 2007 is verhoogd naar € 7.600. Op 19 januari 2008 is dit bedrag vervolgens neerwaarts bijgesteld naar € 7.564, vanwege een correctie in de opvangperiode: de opvang bleek niet te hebben plaatsgevonden tot en met
31 december 2007, maar slechts tot 30 december 2007. Op 23 maart 2010 is de KOT definitief vastgesteld op € 602, en op 2 oktober 2010 is deze beschikking aangepast naar € 605.

Volgens UHT vond de neerwaartse bijstelling plaats omdat de twee oudste kinderen geen opvang hebben genoten. UHT baseert dit standpunt op gegevens uit de KOI-viewer en een vermeende jaaropgave. Daarnaast stelt UHT dat belanghebbende bezwaar had aangetekend tegen de vaststelling, maar dit bezwaar later zou hebben ingetrokken, aangezien haar kinderen weliswaar stonden ingeschreven bij de kinderopvanginstelling, maar daar feitelijk geen opvang hebben genoten.

De Commissie kan UHT in deze redenering niet volgen. In het bezwaardossier ontbreekt namelijk een jaaropgave. De enkele verwijzing in het RKT-bestand naar een jaaropgave is onvoldoende grond om te concluderen dat de KOT is aangepast op basis daarvan. De Commissie gaat er daarom van uit dat de neerwaartse bijstelling uitsluitend is gebaseerd op gegevens uit de KOI-viewer. Hoewel het in beginsel geoorloofd is de KOT te verlagen op basis van deze gegevens, zonder voorafgaande uitvraag, geldt dit niet indien er gerede twijfel had moeten bestaan over de juistheid ervan. In dit geval meent de Commissie dat van zulke twijfel sprake had moeten zijn. Belanghebbende had immers drie kinderen, waarvan er volgens de administratie van B/T een gebruikmaakte van buitenschoolse opvang. Het ligt dan voor de hand dat ook de andere twee kinderen opvang genoten. Bovendien blijkt uit het LIC-overzicht dat betalingen zijn gedaan aan de gemeente Schiedam. De Commissie heeft UHT gevraagdom te onderzoeken of het betreffende rekeningnummer toebehoorde aan de opvanginstelling waar de twee oudste kinderen verbleven. UHT heeft hier niet op gereageerd. De Commissie gaat er daarom van uit dat het rekeningnummer inderdaad betrekking had op de BSO van de twee oudste kinderen.

Ook volgt de Commissie UHT niet in haar standpunt dat het bezwaar mondeling is ingetrokken. Op grond van de Awb is een mondelinge intrekking slechts toegestaan tijdens een hoorzitting, welke in dit geval niet heeft plaatsgevonden. De B/T had derhalve een schriftelijke intrekking moeten ontvangen. Nu dit niet is gebeurd, had er een formele beslissing op het bezwaar genomen moeten worden.

Op grond van het voorgaande concludeert de Commissie dat er in 2007 sprake is geweest van vooringenomen handelen. De Commissie adviseert UHT dan ook om de beschikking met kenmerk UHT-DCH te herroepen en alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2007.

Toeslagjaar 2009
Het is voor belanghebbende niet duidelijk waarom onder component g een bedrag van € 3.053 is opgenomen.

In de schriftelijke beschouwing heeft UHT erkend dat dit bedrag onterecht is opgenomen onder component g en dat dit bedrag € 2.143,49 (afgerond € 2.143) had moeten zijn. Dit blijkt ook uit het LIC-overzicht 2009. Hierin is te lezen dat een deel van de terug te betalen KOT is voldaan door middel van verschillende verrekeningen. Dit betekent dat component g in de beslissing op bezwaar zal worden aangepast.

Vergoeding voor juridische kosten (component m)
In bezwaar stelt belanghebbende dat haar zonder geldige reden geen compensatie is geboden voor vergoeding voor juridische hulp en verzoekt hier alsnog om.
De Commissie is uit de beschikbare stukken gebleken dat er geen (bezwaar)-procedures zijn gevoerd tegen beschikkingen tot (voorlopige) vaststelling van de KOT over de desbetreffende toeslagjaren. Op grond van artikel 2.2 onderdeel f Wht kan een forfaitaire vergoeding voor juridische kosten slechts toegekend worden voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Nu niet gebleken is dat hiervan sprake is geweest, ziet de Commissie geen reden UHT te adviseren gevolg te geven aan het verzoek van belanghebbende.

Forfaitaire bedrag materiele en immateriele schade
Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiele en immateriele schade merkt de Commissie het volgende op. Op grond van artikel 2.3 lid 3 van de Wht is de vergoeding voor materiele schade gelijk aan 25 procent van het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of teruggevorderd. Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriele schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) bestemd. Bij de berekening van de werkelijke immateriele schade door CWS wordt in beginsel ook eventuele schade door ervaren discriminatie door de ouder in aanmerking genomen.

Rentevergoeding gemiste KOT (component o)
In haar schriftelijke beschouwing stelt UHT dat de berekeningen van de rente-vergoeding over gemiste KOT voor de toeslagjaren 2008 en 2009 niet correct zijn. UHT is namelijk uitgegaan van een verkeerde startdatum, aangezien deze op grond van artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) 1 juli van het jaar volgend op het desbetreffende toeslagjaar moet zijn.
Voor het toeslagjaar 2008 leidt dit tot de conclusie dat een te laag bedrag is opgenomen in de compensatieberekening (€ 55 te weinig) en over het toeslagjaar 2009 een te hoog bedrag (€ 481 te veel). UHT heeft in de schriftelijke beschouwing verklaard dat het te veel ontvangen bedrag verrekend zal worden met de nabetaling die nog zal plaatsvinden in het jaar 2009. De Commissie onderschrijft dit standpunt.

Daar het bezwaar gezien het voorgaande deels gegrond is, adviseert de Commissie UHT, zoals ook door UHT wordt aangegeven in de schriftelijke beschouwing, om de vergoeding voor immateriele schade te berekenen tot aan de datum van de beslissing op bezwaar.

Aanvullende vergoeding van 1 procent (component p)
Het advies van de Commissie om de compensatieberekening op de componenten n en o aan te passen, leidt ertoe dat ook de aanvullende vergoeding van 1 procent over een aldus gewijzigd subtotaal moet worden berekend in de beslissing op bezwaar.

Proceskostenvergoeding
Belanghebbende verzoekt om een proceskostenveroordeling conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de Commissie belanghebbende proces-kosten toe te kennen.

Conclusie

Gelet het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om:

  • het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH gegrond te verklaren in die zin dat in ieder geval:
    • over het toeslagjaar 2007 compensatie wegens vooringenomenheid wordt toegekend;de rentevergoeding gemiste KOT over het toeslagjaar 2008 berekend zal worden vanaf de juiste ingangsdatum, en de rentevergoeding gemiste KOT over het toeslagjaar 2009 intern verrekend zal worden met component g;de vergoeding voor immateriele schade (component n) berekend zal worden tot aan de datum van de beslissing op bezwaar en in het verlengde daarvan de aanvullende vergoeding van 1 procent van het subtotaal van het compensatie-bedrag (component p) aangepast zal worden;
    • een proceskostenvergoeding wordt toegekend voor deze bezwaarprocedure.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter