Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-11791

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 december 2022 met kenmerk: UHT-CHR GU
24 januari 2023 met kenmerk: UHT-DCHA

Hoorzitting: 29 november 2024 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 27 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar tegen de beschikking van 7 december 2022 met kenmerk UHT-CHR
GU niet-ontvankelijk te verklaren. Voorts adviseert de Commissie om het
bezwaar tegen de beschikking van 24 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHA
gedeeltelijk gegrond te verklaren, en alsnog compensatie toe te kennen voor
het toeslagjaar 2012 op basis van vooringenomenheid en voor de maand januari
van het toeslagjaar 2013 op grond van hardheid van het stelsel. De Commissie
adviseert tevens een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende
bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking
beoordeling kinderopvangtoeslag van 24 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 10 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2012 en 2013. Dit verzoek is op 17 mei 2021 uitgebreid met het toeslagjaar 2014 en op 5 november 2021 verder uitgebreid met de toeslagjaren 2007 tot en met 2009. Na overleg met belanghebbende is besloten om de herbeoordeling te beperken tot de toeslagjaren 2011 tot en met 2013.
  • UHT heeft bij beschikking van 7 december 2022 met kenmerk UHT-CHR GU aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 2 december 2022 een bezwaarschrift ingediend tegen deze beschikking.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 16 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013.
  • UHT heeft bij beschikking van 24 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 geen compensatie toegekend, noch op grond van vooringenomenheid, noch op grond van hardheid.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 17 februari 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 27 mei 2024 schriftelijk op het bezwaarschrift gereageerd.
  • Op 29 november 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 17 december 2024 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 11 januari 2025 op gereageerd.
  • Naar aanleiding van de ingebrachte schriftelijke verklaringen van belanghebbende en haar zoon is UHT in de gelegenheid gesteld om hierop een nadere reactie te geven. UHT heeft deze middels een aanvullende beschouwing op 30 januari 2025 ingediend. Gemachtigde heeft vervolgens op 17 februari 2025 een reactie daar op gegeven.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en belang

Bij beschikking van 7 december 2022 heeft UHT na de eerste toets besloten om (nog) niet tot toewijzing van een compensatie over te gaan. Bij beschikking van 24 januari 2023 heeft UHT, na een integrale beoordeling, het verzoek om compensatie over de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013 opnieuw afgewezen. Gemachtigde heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat belanghebbende nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van vorenbedoelde beschikking 'eerste toets' van 7 december 2022. Het belang van vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten levert in ieder geval geen procesbelang (meer) op (vergelijk de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1979 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635). Dat betekent dat de Commissie zal adviseren het bezwaarschrift tegen de beschikking van 7 december 2022 niet-ontvankelijk te verklaren.

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift tegen de beslissing van 24 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHA (verder onder meer aan te duiden als: "het bestreden besluit") ontvankelijk is. Dit bezwaarschrift zal hierna inhoudelijk worden behandeld.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Op de zaak betrekking hebbende stukken

Belanghebbende verzoekt om de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit, met name het zogenaamde "ouderdossier" en de stukken die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de opzet/grove schuld (hierna: O/GS) kwalificatie.

De beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 23 oktober 2024 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie tekent hierbij nog aan dat de stukken behorende tot het zogenoemde "ouderdossier" evenals de stukken die ten grondslag liggen aan het vaststellen van de O/GS niet samenvallen met de op de zaak betrekking hebbende stukken, als hiervoor bedoeld. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling afwijzing compensatie 2012 en de maand januari van het toeslagjaar 2013

De Commissie ziet zich, uitgaande van de gronden van bezwaar, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2012 en 2013 af te wijzen. Door belanghebbende zijn geen bezwaargronden opgevoerd tegen de afwijzing van compensatie voor het toeslagjaar 2011. Overigens heeft voor het toeslagjaar 2011 ook geen neerwaartse bijstelling plaatsgevonden.

UHT heeft bij de bestreden beschikking van 24 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHA bepaald dat belanghebbende over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 niet in aanmerking komt voor compensatie. In de schriftelijke beschouwing van 30 januari 2025 heeft UHT echter expliciet het standpunt ingenomen dat voor het toeslagjaar 2012 recht bestaat op compensatie wegens vooringenomenheid, en voor de maand januari van het toeslagjaar 2013 op grond van hardheid.

De Commissie adviseert UHT om overeenkomstig dit gewijzigde standpunt compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2012 op grond van vooringenomenheid, en voor de maand januari van het toeslagjaar 2013 op grond van hardheid. Tevens wordt UHT geadviseerd bij de beslissing op bezwaar een compensatieberekening te maken, voorzien van een duidelijke toelichting. Dit zorgt ervoor dat voor belanghebbende inzichtelijk wordt hoe de verschillende onderdelen van de toegekende compensatie zijn vastgesteld. Het bezwaar is in zoverre gegrond.

Beoordeling afwijzing compensatie periode februari tot en met december 2013

Belanghebbende voert ten aanzien van de periode februari tot en met december 2013 aan dat er sprake is van een situatie die valt onder de hardheidsregeling, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden.

UHT stelt daartegenover dat belanghebbende per brief van 26 januari 2013 op de hoogte is gesteld van het feit dat de kinderopvanginstelling waar zij opvang afnam, per 6 september 2012 niet langer geregistreerd stond in het Landelijk Register Kinderopvang (hierna: LRK). Gelet hierop, komt belanghebbende volgens UHT over de periode vanaf februari 2013 niet in aanmerking voor een herstelmaatregel.

De Commissie overweegt dat uit het Handboek Integrale Beoordeling UHT volgt dat indien deze LRK-registratie op enig moment is komen te vervallen, deze ontbrekende registratie in beginsel niet aan de ouder wordt tegengeworpen. Echter, volgens de heersende rechtspraak (bijvoorbeeld RvS 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1572) behoudt de ouder het recht op KOT alleen totdat de ouder nadrukkelijk geïnformeerd is over het vervallen van de LRK-registratie. Dit kan onder meer blijken uit een brief waarin de ouder wordt geïnformeerd dat de kinderopvanginstelling vanaf een bepaalde datum niet langer over een geldig LRK-nummer beschikt. Aangezien belanghebbende op 26 januari 2013 door middel van een brief op de hoogte is gesteld (productie 28), had zij tot die datum recht op KOT. Vanaf dat moment bestaat er evident geen recht op KOT meer.

Tegen deze achtergrond kan de Commissie zich verenigen met het standpunt van UHT dat belanghebbende in de periode vanaf februari tot en met december van het toeslagjaar 2013 niet in aanmerking komt voor een herstelmaatregel. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat een beroep kan worden gedaan op hardheid. De namens belanghebbende in dit verband naar voren gebrachte bezwaren kunnen derhalve niet tot het door haar gewenste resultaat leiden.

Zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel

Aangezien de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHA niet in stand kan blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar moet worden verbeterd.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag ontkennend beantwoordend, gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHA, adviseert de Commissie om de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie en advies

Samengevat adviseert de Commissie UHT als volgt:

  • het bezwaar tegen de beschikking van 7 december 2022 met kenmerk UHT-CHR GU niet-ontvankelijk te verklaren;
  • het bezwaar tegen de beschikking van 24 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHA gedeeltelijk gegrond te verklaren en deze beschikking te herroepen;
  • op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen over het toeslagjaar 2012;
  • op grond van hardheid van het stelsel alsnog compensatie toe te kennen over de maand januari van het toeslagjaar 2013;
  • het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter