Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-11789

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 15 februari 2023 en 28 februari 2023 (UHT-DCH en UHT-O OGS B)

Hoorzitting: 3 december 2024 om 15:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 26 februari 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 15 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bezwaren gericht tegen het besluit van 28 februari 2023 met kenmerk UHT-O OGS B ongegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften worden geacht te zijn gericht tegen de volgende door UHT genomen besluiten.

  1. De beschikking van 15 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH waarin UHT heeft beslist dat aan belanghebbende een definitief compensatiebedrag van € 33.975 wordt toegekend voor de jaren 2009, 2011, 2013 en de periode maart tot en met december 2014. De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) over deze periode bij het toekennen van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) fouten heeft gemaakt dan wel de regels voor de KOT te streng heeft toegepast. Voor de jaren 2006, 2007, de periode januari tot en met februari 2014 en het jaar 2016 wordt geen compensatie toegekend.
  2. De beschikking van 28 februari 2023 met kenmerk UHT-O OGS B waarin UHT heeft beslist dat belanghebbende voor het jaar 2016 in aanmerking komt voor een opzet/grove schuld (hierna: O/GS) tegemoetkoming.

Procesverloop

  • Op 27 juli 2021 heeft belanghebbende verzocht om een herbeoordeling van de KOT. De herbeoordeling ziet op de toeslagjaren 2006, 2007, 2009, 2011, 2013, 2014 en 2016.
  • Bij beschikking van 28 mei 2021 heeft UHT belanghebbende geinformeerd dat zij op basis van de eerste toets in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000.
  • Op 18 oktober 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat niet is gebleken van institutioneel vooringenomen handelen voor de jaren 2006 en 2016 noch dat er met betrekking tot deze jaren reden is voor toepassing van de hardheidscompensatie. Voor het jaar 2007 volgt de CvW het standpunt van UHT dat er weliswaar vooringenomen is gehandeld door B/T, maar er geen recht is op de compensatieregeling nu belanghebbende geen financieel nadeel heeft ondervonden. Ditzelfde geldt voor de periode maart tot en met december 2014. Belanghebbende komt voor deze periode wel in aanmerking voor de hardheidsregeling.
  • Bij beschikking van 15 februari 2023 heeft UHT meegedeeld dat belanghebbende recht heeft op een definitief compensatiebedrag van € 33.975 voor de jaren 2009, 2011, 2013 en de periode maart tot en met december 2014. Voor de jaren 2006, 2007, de periode januari tot en met februari 2014 en het jaar 2016 wordt geen compensatie toegekend.
  • Bij beschikking van 28 februari 2023 heeft UHT meegedeeld dat belanghebbende voor toeslagjaar 2016 in aanmerking komt voor een O/GS tegemoetkoming.
  • Op 17 februari 2023 en 16 maart 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende twee bezwaarschriften tegen bovenstaande beschikkingen ingediend.
  • Op 22 april 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 3 december 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • Op 3 januari 2025 heeft UHT, daartoe in de gelegenheid gesteld door de Commissie, een aanvullende beschouwing ingediend. Op 30 januari 2025 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
  • De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft dit advies behandeld.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vragen of de definitieve compensatie op een juiste wijze is berekend en of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2006 en 2007 af te wijzen. Voorts zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.

Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel

Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikkingen onvoldoende zijn gemotiveerd en daarmee onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. De Commissie kan UHT volgen ten aanzien van de motivering van de besluiten en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Voor zover UHT de bestreden beschikkingen niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van mening dat met het indienen van het schriftelijke verweer, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties de bestreden besluiten voldoende zijn onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De Commissie adviseert de bezwaren op dit punt ongegrond te verklaren.

Bezwaardossier/persoonlijk dossier

Gemachtigde stelt dat het volledige persoonlijke dossier van belanghebbende nog altijd niet is toegezonden. De Commissie overweegt dat de schriftelijke reactie/beschouwing vergezeld is gegaan met stukken die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de bestreden beschikkingen. Deze, op de zaak betrekking hebbende, stukken zijn op 22 april 2024 en 17 januari 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie tekent hierbij nog aan dat de stukken behorende tot het zogenoemde 'ouderdossier' niet per definitie samenvallen met de op de zaak betrekking hebbende stukken, als hiervoor bedoeld. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Ten aanzien van de stelling dat belanghebbende de printscreen die ziet op de raadpleging van de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) lijst wenst te ontvangen, adviseert de Commissie het volgende. Indien UHT beschikt over deze documentatie, dient dit te worden overgelegd.

Definitieve compensatieberekening

De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht. UHT heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat de rentevergoeding gemiste KOT onjuist blijkt te zijn vastgesteld voor de jaren 2009, 2011, 2013 en 2014. Ingevolge artikel 2.3 lid 7 Wht wordt, kortweg, over het bedrag van de gemiste KOT als gevolg van de neerwaartse correctiebeschikking, rente vergoed. De rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten overeenkomstige toepassing van artikel 27 Awir. In de compensatieberekening is de rente over de gemiste KOT opgenomen onder component o. UHT heeft in haar schriftelijke reactie opgemerkt dat in de nieuwe berekening voor de jaren 2009, 2011, en 2013 op een hogere rentevergoeding wordt uitgekomen. Voor het jaar 2014 wordt op een lagere rentevergoeding uitgekomen. UHT stelt daarom het bedrag voor dit jaar niet aan te passen, nu dit in het nadeel van belanghebbende zou zijn.

Voorts heeft UHT de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar. Ten aanzien van de aanvangsdatum stelt UHT zich op het standpunt dat de gehanteerde datum van 24 december 2010 juist is. De Commissie heeft geen aanleiding UHT in bovenstaande standpunten niet te volgen. De Commissie adviseert UHT daarom aan haar toezeggingen uit de schriftelijke reactie gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar. De aanpassingen hebben tevens tot gevolg dat ook de aanvullende vergoeding van 1% wijzigt.

Toeslagjaren 2006, 2007 en 2013

Uit het bezwaardossier volgt dat belanghebbende eind 2005 voor het jaar 2006 KOT heeft aangevraagd. Vervolgens is, nadat bij belanghebbende informatie is opgevraagd, op 9 juni 2006 het eerste voorschot vastgesteld. Naar aanleiding van de door de kinderopvanginstelling opgestuurde informatie is het voorschot KOT twee keer verhoogd. Vervolgens is de KOT neerwaarts gecorrigeerd. De eerste neerwaartse correctie is het gevolg van een wijziging in de kinderopvanggegevens en een verhoging in het toetsingsinkomen. De tweede neerwaartse correctie is het gevolg van een door de belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT per 1 december 2006. De Commissie erkent dat het lang heeft geduurd voordat B/T het voorschot KOT en de verhoging hiervan heeft vastgesteld. Echter vormt dit volgens de Commissie onvoldoende reden om te concluderen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld. De verplichting tot het terugbetalen van de KOT is het gevolg geweest van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast. De Commissie overweegt derhalve de in dit kader opgeworpen bezwaren ongegrond te verklaren.

Ten aanzien van toeslagjaar 2007 erkent UHT dat B/T vooringenomen heeft gehandeld, nu belanghebbende voorafgaand aan de definitieve vaststelling van de KOT niet in de gelegenheid is gesteld om het recht op KOT aannemelijk te maken. Desondanks stelt UHT zich op het standpunt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor de compensatieregelingen, nu belanghebbende in dit jaar geen financieel nadeel heeft ondervonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid van het stelsel. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. De Commissie adviseert dan ook om de bezwaren op dit punt ongegrond te verklaren.

Ten aanzien van toeslagjaar 2013 ziet de Commissie geen reden, anders dan gemachtigde stelt, om af te wijken van het standpunt van UHT om belanghebbende te compenseren op basis van hardheid van het stelsel.

Niet herbeoordeelde toeslagjaren

Belanghebbende heeft tijdens de zitting van 3 december 2024 kenbaar gemaakt dat zij ook over de jaren 2008, 2012 en 2015 een herbeoordeling wenst. De Commissie kan hierover pas een advies uitbrengen, als UHT na de herbeoordeling van deze jaren een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen. Indien deze herbeoordeling niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, dan kan zij, indien zij dat wenst, tegen die beschikking een bezwaarschrift indienen, waarna de Commissie daarover een advies zal uitbrengen.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit met kenmerk UHT-DCH naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 15 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bezwaren gericht tegen het besluit van 28 februari 2023 met kenmerk UHT-O OGS B ongegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter