Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-11788

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 1 februari 2023 met kenmerk UHT-DCHA

Hoorzitting: 15 april 2025 om 13:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 17 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) van 1 februari 2023 met kenmerk UHT-DCHA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 en 2010.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 22 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over 2009 en 2010.
  • UHT heeft bij beschikking van 8 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 12 december 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Over deze jaren is de Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS) tegemoetkoming niet van toepassing.
  • UHT heeft met de beschikking van 1 februari 2023 met kenmerk UHT-DCHA (hierna: de bestreden beschikking) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 en 2010.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 17 februari 2023 tegen de bestreden beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 27 mei 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • UHT heeft op 8 april 2025 per email de aanvullende beschouwing van 26 maart 2025 en de producties 2700001 en 2700002 van het ouderdossier naar de Commissie gestuurd.
  • Op 15 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft in de email van 22 april 2025 op de aanvullende beschouwing van 26 maart 2025 gereageerd.
  • Gemachtigde heeft in de email van 28 en 29 april 2025 nog een aanvullende reactie gegeven.
  • UHT heeft op 1 mei 2025 naar aanleiding van de gemaakte afspraken op de hoorzitting een aanvullende beschouwing ingebracht.
  • Gemachtigde heeft op 26 mei 2025 op de aanvullende beschouwing gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Bij aanvang van de hoorzitting is de Commissie geïnformeerd dat belanghebbende ongeveer een jaar geleden overleden is. De Commissie begrijpt dat het overlijden van belanghebbende voor de familie een zeer moeilijke tijd moet zijn geweest en waardeert de beslissing om de bezwaarprocedure voort te zetten.

De Commissie zal naar aanleiding van de ingediende bezwaarschriften ingaan op:

  • Het bezwaardossier;
  • Strijd met het zorgvuldigheids-en motiveringsbeginsel.

Het bezwaardossier

Gemachtigde stelt prijs op het bezwaardossier zodat de gronden van het bezwaar verder aangevuld kunnen worden. Op grond van het bepaalde in artikel 6:17 van de Awb moet het orgaan dat bevoegd is om op het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde ter beschikking stellen. De Commissie stelt vast dat de gemachtigde op 28 oktober 2024 in het bezit is gesteld van alle op de zaak betrekking hebbende documenten (het bezwaardossier) en de schriftelijke beschouwing van 27 mei 2024.

Op 26 maart 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingebracht waarin het verwijst naar diverse documenten van het ouderdossier.

Tijdens de hoorzitting is met UHT afgesproken dat ook het ouderdossier binnen 14 dagen naar gemachtigde gestuurd dient te worden.

Op 15 april 2025 is het ouderdossier naar gemachtigde gestuurd.

Op 1 mei 2025 heeft UHT nog een aanvullende beschouwing ingebracht waarbij wordt ingegaan op de gemaakte afspraken tijdens de hoorzitting.

De Commissie meent dat gemachtigde met het versturen van het bezwaardossier en het ouderdossier en de (aanvullende) beschouwingen alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ontvangen.

De Commissie heeft het bezwaardossier en ouderdossier bij de advisering betrokken. Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.

Strijd met het zorgvuldigheids-en motiveringsbeginsel

Gemachtigde voert aan dat de bestreden beschikking in strijd met het zorgvuldigheids-en motiveringsbeginsel is genomen.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT bij de afwijzing van compensatie over de jaren 2009 en 2010 rekening heeft gehouden met het informatie- en beoordelingsformulier en de (voorschot)beschikkingen. In het bezwaar en de verwijzing naar diverse documenten van het ouderdossier zijn daarbij de SAS- en LIC-overzichten, RKT-bestanden en overige producties opgenomen, zodat daarmee de bestreden beschikking voldoende is onderbouwd. Deze bezwaargrond treft geen doel.

De Commissie zal verder ingaan op de volgende bezwaargronden:

  • Toerekenbare ernstige onregelmatigheden over de jaren 2009 en 2010;
  • O/GS-kwalificatie;
  • Het gelijkheidsbeginsel;
  • FSV-register;
  • Het vertrouwensbeginsel;
  • Herstelbetaling van € 5.562,07;
  • Hardheidsclausule ex artikel 9.1 van de Wht;
  • Gedupeerde en de gevolgen daarvan voor de werkelijke schade.

Toerekenbare ernstige onregelmatigheden over de jaren 2009 en 2010

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, tweede lid, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.

UHT meent dat de belanghebbende over de jaren 2009 en 2010 evident geen recht had op KOT omdat geen gebruik is gemaakt van geregistreerde kinderopvang. De Commissie kan zich met het standpunt van UHT verenigen.

De Commissie heeft daarbij het volgende meegewogen: uit de onderliggende stukken blijkt dat de belanghebbende op 28 februari 2010 voor drie van haar kinderen voor toeslagjaar 2009 KOT heeft aangevraagd. Deze aanvraag is opgevolgd door een tweetal voorschotbeschikkingen van 3 april 2010 waarin voor 2009 € 36.075 en voor 2010 €35.500 is toegekend. B/T heeft deze bedragen vervolgens op 3 april en 30 april 2010 op het rekeningnummer van de belanghebbende overgemaakt. Uit het LIC-overzicht maakt de Commissie op dat deze bedragen op het rekeningnummer van de belanghebbende zijn overgemaakt omdat daarbij de melding is opgenomen dat het gaat om "ouder/relatie in de 1e graad". Er is betaald op rekeningnummer: X. Dit rekeningnummer stemt overeen met de aanvraag van 28 februari 2010. De Commissie stelt vast dat gemachtigde in bezwaar niet heeft betwist dat de belanghebbende de KOT-aanvraag heeft ingediend en de eerdergenoemde bedragen ook daadwerkelijk heeft ontvangen.

Op 4 mei 2010 heeft B/T de melding ontvangen dat het gaat om een nepaanvraag en dat de belanghebbende geen recht heeft op KOT en dat het gaat om een fraudezaak. Daarop aansluitend heeft B/T de beschikkingen van 22 mei 2010 en 11 mei 2011 naar de belanghebbende gestuurd waarin de KOT voor 2009 op nihil is gesteld. Voor toeslagjaar 2010 zijn de twee nihilbeschikkingen van 22 mei 2010 en 15 juli 2011 naar de belanghebbende gestuurd. De belanghebbende heeft destijds alleen bezwaar aangetekend tegen de beschikking van 22 mei 2010. In deze bezwaarprocedure heeft gemachtigde niet aannemelijk gemaakt dat er geregistreerde kinderopvang is afgenomen. In de KOI-viewer zijn ook geen gegevens opgenomen waaruit blijkt dat er kinderopvang heeft plaatsgevonden.

De Commissie ziet verder geen enkele aanleiding voor twijfel of de brief van 14 januari 2015 van de belanghebbende afkomstig is geweest. De brief beschrijft zeer gedetailleerd de moeilijke financiele situatie waarin de belanghebbende zich op dat moment bevond.

Het oogmerk van de brief is geweest om te komen tot een betalingsregeling omdat B/T geen rekening hield met de beslagvrije voet. In de brief legt de belanghebbende ook uit dat zij veel geld op haar rekening kreeg gestort en dat zij daarmee de begrafenis van haar overleden moeder heeft bekostigd. Zij en haar kinderen hebben het geld ook gebruikt om tickets naar Suriname te bekostigen. De belanghebbende geeft ook aan dat dit heel dom van haar was. De Commissie is van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de ondertekening van het bezwaarschrift van 24 juli 2012 niet overeenkomt met de ondertekening van de brief van 14 januari 2015. De Commissie ziet het onjuiste jaartal waarop de moeder van belanghebbende is overleden als een verschrijving van de belanghebbende. De Commissie wijst, nu onvoldoende weerlegd is dat de belanghebbende de brief van 14 januari 2015 heeft ondertekend, het verzoek om een handtekeningenonderzoek dan ook af.

B/T heeft het verzoek om een betalingsregeling overeen te komen, met de brief van 18 februari 2016, afgewezen omdat de terugvorderingen zijn ontstaan door grove onachtzaamheid. B/T heeft daarbij de brief van 14 januari 2015 als uitgangspunt genomen. De belanghebbende kreeg wel de mogelijkheid om de terugvorderingen in 24 gelijke betalingstermijnen te voldoen.

De Commissie is van oordeel dat de belanghebbende niet heeft aangetoond dat over de jaren 2009 en 2010 geregistreerde kinderopvang heeft plaatsgevonden, zodat sprake is van een toerekenbare ernstige onregelmatigheid. De Commissie neemt daarbij mee dat ingevolge artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op grondslag van het bezwaarschrift een heroverweging plaatsvindt van het bestreden besluit. Ingevolge het tweede lid van dit artikel herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw besluit, indien de heroverwegingdaartoe aanleiding geeft. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6898) staat artikel 7:11 van de Awb niet in de weg aan de handhaving in bezwaar van een primair besluit op een andere grond dan die waarop dat primaire besluit steunt, omdat de bezwaarprocedure bedoeld is voor een volledige heroverweging.

De Commissie meent dat UHT haar stelling dat de partner van de belanghebbende destijds vrijwilligerswerkzaamheden verrichtte en daarom over de jaren 2009 en 2010 evident geen recht heeft op KOT, niet met aanvullende documenten heeft onderbouwd. De verklaring van de belanghebbende dat haar partner destijds vrijwilligerswerk deed, is daarbij onvoldoende. In de verklaring van 14 januari 2015 wordt slechts beschreven dat hij vrijwilligerswerk op de school van haar kinderen deed. Deze verklaring is te vaag en beschrijft niet de exacte periode waarin deze situatie speelde. De belastingaangifte van haar partner, die hierover meer duidelijkheid had kunnen geven, heeft de Commissie niet onder de stukken aangetroffen.

Gemachtigde heeft de juistheid van hetgeen hiervoor is beschreven niet gemotiveerd weerlegd. Volgens het beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken dat de belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. De belanghebbende komt voor de jaren 2009 en 2010 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

0/GS-kwalificatie

De Commissie is van oordeel dat met de beschikking van 18 februari 2016 B/T duidelijk heeft gemaakt dat het ontstaan van de terugvorderingen over 2009 en 2010 het gevolg is geweest van grove onachtzaamheid. Belanghebbende heeft KOT aangevraagd zonder dat aannemelijk is gemaakt dat er geregistreerde kinderopvang heeft plaatsgevonden. Hierdoor is het verzoek voor een betalingsregeling afgewezen en heeft de belanghebbende daartegen geen bezwaar aangetekend, zodat de inhoud van de brief in kracht van gewijsde is gegaan. UHT heeft aan de belanghebbende geen O/GS-tegemoetkoming toegekend, zodat de bezwaargrond dat deze niet goed is onderbouwd geen doel treft.

Het gelijkheidsbeginsel

Gemachtigde doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat in vergelijkbare gevallen standaard een O/GS-tegemoetkoming wordt toegekend. In de situatie van belanghebbende is dat niet gebeurd.

De Commissie gaat voorbij aan de stelling van gemachtigde dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel anderen in gelijke situaties wel worden geloofd. Gemachtigde heeft deze algemene stelling niet onderbouwd met documenten of op andere wijze aannemelijk gemaakt.

FSV-register

Gemachtigde voert aan dat UHT ten onrechte heeft verwezen naar een samenvatting van het FSV-register. Het is de Commissie niet duidelijk wat gemachtigde met deze bezwaargrond tracht te bewerkstelligen, omdat UHT op het informatie- en beoordelingsformulier heeft vermeld dat belanghebbende op de FSV-lijst stond. Dat de belanghebbende op de lijst staat, is voor de inhoudelijke beoordeling met betrekking tot de afwijzing van compensatie verder niet van belang geweest.

Het vertrouwensbeginsel

Gemachtigde stelt dat B/T de nog openstaande schulden heeft kwijtgescholden en dat dat erop wijst dat de belanghebbende door UHT als gedupeerde wordt aangemerkt. Aan de erven van belanghebbende is een schikkingsvoorstel gedaan en dat wordt alleen gedaan indien er een herstelmaatregel door UHT van toepassing is. De belanghebbende mocht hieruit concluderen dat zij als gedupeerde werd aangemerkt en dat compensatie aan de orde is.

De Commissie zal daarbij eerst ingaan op de vraag of de beschikking van 8 mei 2021 en de uitkomst van een eerste toets bij de belanghebbende het vertrouwen heeft opgewekt dat zij door UHT als gedupeerde wordt aangemerkt.

In de beschikking van 8 mei 2021, waarbij aan de belanghebbende een uitkering op grond van de Catshuisregeling werd toegekend, staat onder meer: "Wij zijn van mening dat u in aanmerking komt voor de betaling van € 30.000. Dit is het bedrag dat u in ieder geval van ons krijgt voor de situatie met uw kinderopvangtoeslag (.). Wij hebben uw situatie nog niet helemaal beoordeeld. Dat gaan wij nog doen. Hebt u dan recht op meer dan € 30.0007 Dan krijgt u een aanvulling op het bedrag dat u al van ons hebt ontvangen. (.)".

De inhoud van deze beschikking wijkt inhoudelijk niet af van hetgeen omtrent de aard van de uitkering van € 30.000 in het hiervoor aangehaalde besluit van de Staatssecretaris van 18 maart 2021 is vermeld. Met name valt in de beschikking - afgezien van de toezegging dat betrokkene die € 30.000,- nooit hoeft terug te betalen - niet de toezegging te lezen dat ook bij de integrale beoordeling van het verzoek voor herstel met toepassing van de herstelregelingen zal worden aangenomen dat belanghebbende zal worden aangemerkt als een gedupeerde die (in beginsel) in aanmerking komt voor toekenning van een compensatie op de voet van die herstelregelingen. Juist bij de integrale beoordeling kan immers informatie naar boven komen die maakt dat de uitkomst, in negatieve zin, afwijkt van de eerste toets.

Dat betekent dat de beschikking van 8 mei 2021 bij de belanghebbende geen vertrouwen kan hebben gewekt dat daarmee vast is komen te staan dat zij in de integrale beoordeling als gedupeerde wordt aangemerkt. Om dezelfde redenen kan aan correspondentie die naar aanleiding van die beschikking heeft plaatsgevonden evenmin vertrouwen worden ontleend ten aanzien van de uitkomst van de integrale beoordeling.

In aansluiting daarop heeft UHT genoegzaam toegelicht dat het schikkingsvoorstel ten onrechte aan de erven is gedaan omdat belanghebbende niet als gedupeerde wordt aangemerkt.

Herstelbetaling van 5.562,07

De Commissie maakt uit het LIC-overzicht van het jaar 2010 op dat de betaling van 7 juli 2018 van € 5.562,07 ten onrechte in mindering is gebracht op de totale vordering van €35.500. Deze betaling diende op een ander BSN-nummer in mindering gebracht te worden. Op 10 augustus 2018 heeft B/T deze gemaakte fout hersteld. De Commissie ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze uitleg.

Hardheidsclausule ex artikel 9.1 van de Wht.

Gemachtigde stelt dat de situatie van de belanghebbende en erven een beroep op de hardheidsclausule ex artikel 9.1 van de Wht te rechtvaardigen is en dat daarom alsnog compensatie aan de orde is.

Op grond van artikel 9.1, lid 1, van de Wht kan UHT bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van artikel 2.1, voor zover toepassing van dit artikel gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die heeft verzocht om de toekenning. Daarbij volgt uit de wetsgeschiedenis bij artikel 9.1 van de Wht dat de hardheidsclausule is bedoeld voor een bijzondere situatie waarin niet is voorzien en waarin toepassing van de wetsbepaling tot een zeer onbillijke uitkomst leidt. Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat vasthouden aan de toepassing van de desbetreffende bepaling voor degene die heeft verzocht om toekenning van een van de genoemde herstelregelingen, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

De Commissie meent dat zo'n bijzondere situatie zich hier niet voordoet, alleen al omdat aan de belanghebbende ten onrechte een bedrag van € 30.000 is toegekend, waarop zij achteraf gezien geen recht had. Daar komt bij dat UHT heeft toegelicht dat over de jaren 2009 en 2010 ook nog eens de volgende bedragen, €9.987,04 en € 5.092,44, administratief zijn verwijderd vanwege de toeslagenaffaire. De Commissie meent dat de belanghebbende en erven daarmee door UHT zeker niet tekort zijn gedaan. Overigens heeft gemachtigde haar beroep op de hardheidsclausule niet gemotiveerd onderbouwd, zodat deze bezwaargrond geen doel treft.

Gedupeerde en de gevolgen daarvan voor de werkelijke schade

Voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade komt in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T, de ouder die ten onrechte een kwalificatie opzet/grove schuld heeft gekregen en daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd, of de ouder waaraan ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd en die ingevolge artikel 9.1 Wht een O/GS-tegemoetkoming toekomt. Nu de Commissie van mening is dat UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek om compensatie van belanghebbende af te wijzen, komt belanghebbende ook niet in aanmerking voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter