Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-11740

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Ontvangst bezwaarschrift: 13 februari 2023

Hoorzitting: 14 oktober 2024 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 5 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC I op onderdelen te herroepen, de compensatie opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000 voor het toeslagjaar 2015 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2013 en 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 11 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2013 tot en met 2017. In de integrale beoordeling zijn de toeslagjaren 2013 tot en met 2015 opnieuw beoordeeld.
  • UHT heeft bij beschikking van 26 april 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 12 april 2022 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geoordeeld dat gedurende de toeslagjaren 2013 en 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 1 augustus 2022 met kenmerk UHT-VC I aan belanghebbende voor het toeslagjaar 2015 een voorlopige vergoeding toegekend van € 16.490. Belanghebbende heeft in het kader van de Catshuisregeling recht op het bedrag van € 30.000.
  • Bij beschikking van 13 januari 2023 met kenmerk UHT-DC I heeft UHT aan belanghebbende voor het toeslagjaar 2015 een definitief compensatiebedrag toegekend van € 17.097.
  • Bij beschikkingen van 13 januari met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A heeft UHT aan belanghebbende voor de toeslagjaren 2013 en 2014 geen compensatie of tegemoetkoming toegekend.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 13 februari 2023 tegen bovengenoemde beschikkingen drie bezwaarschriften ingediend.
  • UHT heeft op 29 februari 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 14 oktober 2024 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden in aanwezigheid van partijen via een videoverbinding. Een verslag hiervan is achter dit advies gevoegd.
  • Op 3 februari 2025 heeft UHT de Commissie en gemachtigde geinformeerd dat het herbeoordelingsverzoek over de toeslagjaren 2016 tot en met 2019 niet binnen de afgesproken termijn in behandeling is genomen.
  • Op 20 februari 2025 heeft de Commissie partijen geïnformeerd de bezwaarprocedure niet langer aan te houden tot de herbeoordeling over de toeslagjaren 2016 tot en met 2019 is uitgevoerd.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden beschikkingen

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het toeslagjaar 2015 op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2013 en 2014 af te wijzen.

Motiveringsbeginsel

De Commissie is van oordeel dat ter motivering van de bestreden beschikkingen gewezen kan worden op het bezwaardossier en het schriftelijke verweer van UHT. In het bezwaardossier zijn voorschotbeschikkingen, definitieve vaststellingen van de KOT, SAS-, RKT- en overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: LIC) opgenomen. UHT heeft de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikkingen weliswaar niet voldoende toegelicht, maar door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van LIC-overzichten en overige producties ze alsnog voldoende onderbouwd.

Persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat zij niet beschikt over haar persoonlijk dossier. Op grond van het bepaalde in artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet het orgaan dat bevoegd is op het bezwaar te beslissen de op de zaak betrekking hebbende stukken aan gemachtigde ter beschikking stellen. Het betreft hier onder meer de LIC-overzichten van de toeslagjaren 2013 tot en met 2015. De Commissie meent dat gemachtigde op 2 augustus 2024 in het bezit is gesteld van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verzoek van belanghebbende om haar persoonlijk dossier staat daarmee niet in de weg aan de behandeling van en beslissing op haar bezwaar. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Equality of arms

Belanghebbende voert aan dat het volledige dossier niet is verstrekt en dat UHT daardoor in strijd heeft gehandeld met het beginsel van "equality of arms" in de zin van artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. Belanghebbende is hierdoor in haar processuele belangen geschaad. De Commissie meent, zoals hiervoor al is overwogen, dat belanghebbende in het bezit is gesteld van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarmee is in deze bezwaarprocedure gewaarborgd dat partijen in een gelijkwaardige positie ten opzichte van elkaar verkeren ('equality of arms'). De Commissie adviseert om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Afwijzing compensatie

Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) in de toeslagjaren 2013 en 2014 vooringenomen heeft gehandeld en dat zij hiervoor dient te worden gecompenseerd. UHT stelt dat in deze toeslagjaren geen sprake is van vooringenomenheid of hardheid.

De Commissie overweegt dat zij geen aanknopingspunten heeft gevonden om te adviseren dat in de toeslagjaren 2013 en 2014 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. In de toeslagjaren 2013 en 2014 hebben geen verlagingen of terugvorderingen van KOT plaatsgevonden. In beide toeslagjaren zijn informatie-uitvragen gedaan bij belanghebbende. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen concluderen dat belanghebbende hier nadelige gevolgen van heeft ondervonden, omdat de uitvragen geen gevolgen hebben gehad voor de toekenning of de hoogte van de KOT. Verder is ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beslagvrije voet

Belanghebbende voert aan dat B/T over de toeslagjaren 2013 en 2014 geen rekening heeft gehouden met haar beslagvrije voet. UHT stelt dat hier geen sprake van is, omdat geen beslaglegging heeft plaatsgevonden in deze jaren.

De Commissie overweegt hierover als volgt. Over de toeslagjaren 2013 en 2014 hebben geen terugvorderingen, beslaglegging of verrekeningen plaatsgevonden. Gelet hierop komt de Commissie niet toe aan de bezwaargrond dat B/T hierbij geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Rentevergoeding gemiste KOT

Belanghebbende voert aan dat niet inzichtelijk is hoe de rentevergoeding over gemiste KOT is berekend en of is uitgegaan van de juiste startdatum. UHT stelt in haar schriftelijke verweer dat de rentevergoeding over de gemiste KOT onjuist is berekend.

De Commissie acht het bezwaar op dit punt gegrond en adviseert UHT de rentevergoeding voor het toeslagjaar 2015 aan te passen van €1.589 naar €1.775.

Vergoeding voor immateriele schade

Belanghebbende voert aan dat niet inzichtelijk is of bij de berekening van de vergoeding voor immateriele schade is uitgegaan van de juiste startdatum. UHT stelt in haar schriftelijke verweer dat is uitgegaan van de juiste startdatum.

De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.3, lid 4, Wht de forfaitaire vergoeding voor immateriele schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beeindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. De Commissie meent op grond van bovengenoemd wettelijk kader dat bij beschikking van 28 april 2017 de KOT voor toeslagjaar 2015 voor het eerst neerwaarts is bijgesteld. De Commissie begrijpt uit het standpunt van UHT dat als startdatum voor de berekening van de vergoeding voor immateriele schade 28 februari 2017 is toegepast, omdat dit de datum is van de administratieve beslissing tot de verlaging van KOT. De Commissie kan zich verenigen met deze gekozen startdatum omdat dit voordelig voor belanghebbende is.

Aangezien het bezwaar gedeeltelijk gegrond is, dient de periode waarover de immateriele schade wordt berekend door te lopen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar. De aanpassing van de diverse componenten heeft ook gevolgen voor de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal.

Herbeoordeling toeslagjaren 2016 tot en met 2019

Belanghebbende stelt dat de toeslagjaren 2016 tot en met 2019 ten onrechte niet zijn meegenomen in de herbeoordeling. UHT heeft belanghebbende geinformeerd dat alsnog een herbeoordeling zal plaatsvinden over deze toeslagjaren. Omdat het herbeoordelingsverzoek niet binnen de gestelde termijn in behandeling is genomen, kan de Commissie niet oordelen over deze jaren. De Commissie is van oordeel dat het bezwaar dienaangaande gegrond is en adviseert UHT de betreffende herbeoordeling met spoed uit te voeren en daarover een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing te nemen.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar gericht tegen de beschikking met het kenmerk UHT-DC I naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de Commissie UHT de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en bijwonen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en:

  • in de compensatieberekening de rentevergoeding over gemiste KOT voor het toeslagjaar 2015 aan te passen naar € 1.775;
  • de vergoeding voor de immateriele schade opnieuw te berekenen en uit te gaan van de einddatum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen;
  • de aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal) aan te passen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief;
  • met spoed de herbeoordeling van de jaren 2016 tot en met 2019 te doen plaatsvinden en daarover een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing te nemen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter