BAC 2023-11722
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 12 januari 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 6 augustus 2025
Overdracht advies aan UHT: 12 augustus 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor het jaar 2013.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 24 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Het jaar 2013 is betrokken in de herbeoordeling.
- UHT heeft bij beschikking van 6 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat ten aanzien van het jaar 2013 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor het jaar 2013.
- Belanghebbende heeft bij brief van 6 februari 2023, ingekomen op 9 februari 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 6 mei 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 5 augustus 2025 een aanvullende schriftelijke reactie ingediend.
- Gemachtigde heeft bij bericht van 6 augustus 2025 de bezwaargronden aangevuld.
- Op 6 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Belanghebbende voert aan dat de terugvordering van de KOT over 2013 haar in de problemen heeft gebracht. Omdat de kinderopvanginstelling de KOT ontvangen had kon zij de terugvordering niet voldoen. Doordat andere toeslagen werden ingehouden kwam belanghebbende financieel zodanig in de knel dat zij geen geld overhield om van te leven. Zij heeft geen betalingsregeling gekregen.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2013 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De eerste verlaging van de KOT over het toeslagjaar 2013 was vanwege een door of namens belanghebbende telefonisch doorgegeven stopzetting per 30 september 2013 (productie 17). De tweede verlaging van de KOT kwam door een verhoging van het toetsingsinkomen. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Bovendien blijkt uit de in het dossier aanwezige jaaropgave dat de uiteindelijk toegekende KOT in overeenstemming is met het aantal afgenomen opvanguren (productie 12).
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
De verrekeningen van de terugvordering over jaar 2013, als gevolg waarvan aan belanghebbende andere toeslagen niet (volledig) zijn uitbetaald, waren onderdeel van een reguliere uitvoering die over het jaar 2013 aan de KOT is gegeven. Het verrekenen van terechte terugvorderingen levert geen compensatie op grond van hardheid op.
Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiele tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daarbij komt dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14).
Het feit dat de KOT voor een gedeelte aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald geeft in de situatie van belanghebbende evenmin aanleiding voor het toekennen van een hardheidscompensatie, nu niet is gebleken dat de aan de kinderopvanginstelling uitbetaalde KOT de gemaakte opvangkosten met minstens € 1.500,- overstijgt.
Volgens het betaal- en verrekenoverzicht (productie 15) is aan Kinderdagverblijf X een bedrag van € 2.385,- aan KOT uitbetaald. Volgens het antwoordformulier en de jaaropgave die belanghebbende op 24 september 2014 heeft ingestuurd (productie 12), bedroegen de opvangkosten bij Kinderdagverblijf X € 2.630,40. In een dergelijke situatie kan worden aangenomen dat het aan de kinderopvanginstelling uitbetaalde bedrag volledig ten goede is gekomen aan de door belanghebbende afgenomen opvang.
Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS (productie 18) en het is ook niet aannemelijk geworden dat belanghebbende om een persoonlijke betalingsregeling heeft verzocht en dat dit verzoek is afgewezen. Belanghebbende komt daarom niet in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming.
De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening] [handtekening]
Secretaris Fungerend voorzitter