Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-11714

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 30 december 2022 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 23 april 2025

Overdracht advies aan UHT: 14 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2016 tot en met 2021.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 2 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2017, 2018 en 2019. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar zijn ook de jaren 2016, 2020 en 2021 betrokken in de herbeoordeling.
  • UHT heeft bij beschikking van 26 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 december 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2016 tot en met 2021.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 3 februari 2023, ingekomen op 8 februari 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 6 oktober 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 29 augustus 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 23 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 1 mei 2025 een aanvullend stuk ingediend. UHT heeft een nadere schriftelijke reactie, gedagtekend 27 mei 2025, ingediend en op 25 juni 2025 een aanvullende productie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 30 juni 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2018 en 2019 af te wijzen. De overige beoordeelde jaren zijn niet in geschil.

Toeslagjaar 2018

Belanghebbende voert aan dat zij voor toeslagjaar 2018 niet het juiste bedrag aan KOT heeft ontvangen, omdat B/T bij haar berekening ten onrechte rekening heeft gehouden met het inkomen van een toeslagpartner. Zij stelt om die reden in aanmerking te komen voor compensatie op grond van de Wht.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2018 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.

Blijkens het SAS-overzicht (productie 40) en de toelichting van UHT ter zitting, is het inkomen van toeslagpartner zowel bij de voorschotbeschikkingen als bij de definitieve beschikking meegewogen voor de berekening van de KOT in de maand september van 2018. De Commissie is van opvatting dat B/T hierbij mocht uitgaan van de gegevens uit de BRP (productie 67), waaruit volgt dat de partner tot en met 18 september 2018 op het adres van belanghebbende stond ingeschreven. Dit geldt temeer nu niet is gebleken dat bij B/T informatie bekend was die op een andere conclusie had kunnen wijzen. Dat belanghebbende in de nadere reactie van 30 juni 2025 heeft verklaard dat partner feitelijk al in mei 2018 was vertrokken, kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden over het handelen van B/T destijds.

Voor zover belanghebbende verzoekt om een herziening van de definitieve KOT beschikking van het jaar 2018, overweegt de Commissie dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling van de hoogte van de KOT over dit jaar valt dus buiten de reikwijdte van de Wht.

Toeslagjaar 2019

Belanghebbende voert aan dat B/T vooringenomen gehandeld heeft door haar KOT bij beschikking van 21 november 2019 op nihil te stellen, zonder daaraan voorafgaand uitvraag te doen bij belanghebbende. Bovendien betoogt zij dat B/T vanaf de beschikking van 13 maart 2020 ten onrechte het inkomen van een toeslagpartner X heeft meegewogen in de berekening van de KOT voor 2019.

De Commissie overweegt als volgt. Volgens artikel 2.1 lid 1 Wht vindt toekenning van compensatie plaats aan aanvragers die gedupeerd zijn door institutionele vooringenomenheid of door de hardheid van de toepassing die vóór 23 oktober 2019 aan het wettelijke systeem werd gegeven. Deze tijdsgrens is bepaald op de datum van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die het kader voor de besluitvorming over de KOT hebben veranderd. Dat betekent dat de Wht niet van toepassing is op handelingen van B/T vanaf 23 oktober 2019, tenzij die handelingen causaal verband houden met vooringenomen handelingen van vóór die datum.

De Commissie kan UHT volgen in de analyse dat de nihilbeschikking van 21 november 2019 het gevolg is geweest van de melding van 3 november 2019 (productie 63). Het is niet aannemelijk geworden deze melding is voortgekomen uit informatie of een beslissing van een eerdere datum. De Commissie ziet evenmin het door gemachtigde gestelde verband met de nihilbeschikking van 27 december 2018. De Commissie heeft namelijk geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat die beschikking voortkwam uit vooringenomen handelen door B/T.

Ook de kwestie van het meewegen van het inkomen van de toeslagpartner Y in 2019, die verklaard heeft dat hij feitelijk per november 2019 niet meer bij belanghebbende woonde, heeft enkel betrekking gehad op beslissingen van B/T van na 23 oktober 2019.

De Commissie ziet aldus geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de beslissingen die B/T na 23 oktober 2019 heeft genomen ten aanzien van het recht op KOT, verband houden met vooringenomen handelen of hardheid van voor die datum. Voor beslissingen van na 23 oktober 2019 zijn de reguliere rechtsmiddelen van toepassing.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter