Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-11705

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 13 juli 2022 (UHT-DH5 A)

Hoorzitting: 30 oktober 2025

Overdracht advies aan UHT: 4 februari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 en 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 1 november 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2014. In overleg met belanghebbende is de beoordeling beperkt tot de jaren 2012 en 2013.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 13 mei 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2012 en 2013 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DH5 A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 en 2013.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 13 december 2022, ingekomen op 7 februari 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 8 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 30 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Voorafgaand aan de hoorzitting heeft gemachtigde de Commissie, eveneens op 30 oktober 2025, aanvullende stukken toegestuurd. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 6 november 2011 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 13 november 2011 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Persoonlijk dossier

Belanghebbende verzoekt om het persoonlijk dossier te overleggen. De Commissie is van oordeel dat dit verzoek op zichzelf niet is aan te merken als een bezwaar in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor zover daarmee echter bedoeld wordt dat het procesdossier niet volledig is vindt de commissie dat UHT met het toezenden van de schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Aan de hand daarvan kan het bestreden besluit in de beslissing op bezwaar worden hersteld. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende.

2012

Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst / Toeslagen (hierna: B/T). Tussen partijen staat vast dat belanghebbende met betrekking tot het toeslagjaar 2012 vooringenomen door B/T is behandeld. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. UHT stelt, zo begrijpt de Commissie, dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende in 2012 heeft gewerkt en gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen. Aldus had belanghebbende volgens UHT evident geen recht op KOT en dient compensatie vanwege de geconstateerde vooringenomenheid achterwege te blijven.

Uit het ouderdossier van belanghebbende volgt dat zij in 2012 in Nederland als ZZP-er aan de slag wilde gaan. Zij had moeite werk te vinden en kreeg hulp van een boekhouder die toeslagen voor haar heeft aangevraagd. Belanghebbende sprak in die tijd geen Nederlands. Uit het informatie- en beoordelingsformulier blijkt dat namens belanghebbende voor of op 13 januari 2012 KOT is aangevraagd. B/T heeft direct bij belanghebbende aanvullende gegevens opgevraagd. Nadat belanghebbende 17 maart 2012 opnieuw KOT heeft aangevraagd, met inbreng van de benodigde gegevens, heeft B/T op 2 april 2014 aan belanghebbende een voorschot KOT verleend van € 9.233 voor de periode maart tot en met december 2012. Kennelijk ontving belanghebbende een verzoek tot het toesturen van gegevens. Dit blijkt uit de tijdlijn die in het informatie- en beoordelingsformulier is opgenomen: B/T heeft belanghebbende op 20 september 2012 een herinnering gestuurd met het verzoek informatie aan B/T toe te sturen. Uit de omstandigheid dat het voorschot van belanghebbende op 29 december 2012 werd aangepast naar € 8.310 leidt de Commissie af dat B/T de gevraagde informatie heeft ontvangen. Dit leidt zij ook af uit het gegeven dat de periode waarover belanghebbende KOT ontving is aangepast naar 1 maart tot en met 31 november 2012. Niet is gebleken dat B/T belanghebbende in 2014 voldoende heeft uitgevraagd ten behoeve van de definitieve vaststelling van de KOT. Tegen die achtergrond acht de Commissie het aannemelijk dat belanghebbende vooringenomen is behandeld.

Ter onderbouwing van de stelling dat sprake is van evident geen recht op KOT wijst UHT erop dat met betrekking tot de opvang van het kind van belanghebbende geen gegevens zijn opgenomen in de KOI-viewer. Ook wijst UHT erop dat belanghebbende in 2012 slechts een winst uit onderneming zou hebben genoten van € 5.000 (privé-onttrekking).

De Commissie stelt voorop dat UHT de bewijslast draagt dat sprake was van ernstige onregelmatigheden die aan belanghebbende toerekenbaar zijn. In een voorkomend geval is het aan UHT aannemelijk te maken dat belanghebbende wist of moest weten dat zij geen recht op KOT had.

Het enkele ontbreken van gegevens in KOI-viewer rechtvaardigt niet de conclusie dat er geen sprake is geweest van kinderopvang en aldus van evident geen recht op KOT. De KOI-viewer werd destijds slechts met gegevens gevuld wanneer deze door B/T waren uitgevraagd bij de kinderopvanginstelling. Het ontbreken van gegevens in de KOI-viewer kan dus niet alleen betekenen dat er geen sprake was van kinderopvang, maar ook dat geen uitvraag bij de kinderopvanginstelling in kwestie heeft plaatsgevonden of na uitvraag geen antwoord is gekomen van de instelling. De omstandigheid dat B/T het voorschot KOT tussentijds, op 29 december 2012, na ontvangst van gegevens met betrekking tot de periode van kinderopvang heeft bijgesteld is wat de Commissie betreft een aanwijzing dat er bij B/T gegevens voorhanden waren waaruit kon blijken dat kinderopvang heeft plaatsgevonden.

Uit zowel de jaarrekening 2012 die belanghebbende aan de Commissie heeft toegestuurd, als de IB-gegevens van belanghebbende die UHT bij haar aanvullende beschouwing heeft gevoegd, leidt de Commissie af dat belanghebbende in 2012 heeft gewerkt. Uit de thans voorhanden gegevens kan niet worden afgeleid hoeveel belanghebbende heeft gewerkt en in welke verhouding het aantal gewerkte uren stond tot het aantal uren kinderopvang. UHT wijst erop dat belanghebbende geen gebruik zou hebben gemaakt van ondernemersaftrek. Voor zover UHT daarmee veronderstelt dat belanghebbende niet voldoende uren zou hebben gewerkt om voor KOT in aanmerking te komen, kan de Commissie UHT niet volgen. Dat geen ondernemersaftrek is genoten, kan namelijk niet worden afgeleid uit de IB-gegevens die UHT aan de Commissie heeft toegestuurd.

Bij deze stand van zaken blijft over dat UHT niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende evident geen recht op kinderopvangtoeslag had. De Commissie adviseert UHT daarom bij beslissing op bezwaar over het toeslagjaar 2012 compensatie wegens vooringenomenheid toe te kennen.

2013

Aan belanghebbende is geen voorschot KOT verleend voor het jaar 2013. Blijkens het LIC-overzicht hebben geen betalingen aan, verrekeningen met of terugvorderingen van KOT bij belanghebbende plaatsgevonden. De Commissie heeft dan ook geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2013 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Belanghebbende heeft niet verzocht om een proceskostenvergoeding. Aangezien belanghebbende op de hoorzitting is bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener en de Commissie van oordeel is dat het primaire besluit moet worden herroepen, adviseert de Commissie om belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de bijstand tijdens de hoorzitting (één procespunt met een wegingsfactor 2).

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie UHT bij beslissing op bezwaar:

  • het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DH5 A gegrond te verklaren en over het toeslagjaar 2012 compensatie wegens vooringenomenheid toe te kennen;
  • een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van 2 procespunten met een wegingsfactor 2. De Commissie adviseert daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter