BAC 2023-11625
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit:3 februari 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting:15 januari 2025 om 13:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 11 maart 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, een compensatie wegens hardheid toe te kennen over een deel van het jaar 2009 en geheel 2010 en een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 3 februari 2023. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2008, 2009 en 2010.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 8 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 en 2009. In overleg met belanghebbende is ook de KOT over het jaar 2010 beoordeeld.
- UHT heeft bij beschikking van 17 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 17 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden en geen recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2008, 2009 en 2010.
- Gemachtigde X heeft bij brief van 3 februari 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigden Y hebben zich bij brief van 17 mei 2024 in deze procedure als gemachtigde gesteld.
- UHT heeft op 24 september 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Op 15 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Belanghebbende is daarbij vertegenwoordigd door gemachtigde. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 16 januari 2025 per e-mail het memo “handmatige toetsing van O/GS door eerste herstelteam” waarop ter zitting een beroep is gedaan toegezonden. Het memo is aan het bezwaardossier toegevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 31 januari 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend.
- Gemachtigde heeft op 13 februari 2025 op die nadere schriftelijke reactie gereageerd en daarbij een schriftelijke reactie van de zoon van belanghebbende gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2008, 2009 en 2010 af te wijzen.
Belanghebbende heeft verzocht om een afschrift van het volledige bezwaardossier, daaronder ook begrepen de tijdlijn, betaal- en verrekenoverzichten, alle beschikkingen, interne notities en aantekeningen.
De Commissie stelt vast dat de beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken op 16 december 2024 aan gemachtigde zijn toegezonden. De door gemachtigde concreet verzochte stukken maken onderdeel uit van dat bezwaardossier. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Deze bezwaargrond treft om die reden geen doel.
Belanghebbende meent dat het bestreden besluit onjuist en onzorgvuldig is. Zij is van mening dat zij gecompenseerd moet worden over de jaren 2008, 2009 en 2010. UHT handhaaft haar standpunt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.
Vooringenomen handelen
De Commissie volgt UHT in haar standpunt dat er over de jaren 2008 tot en met 2010 geen sprake was van vooringenomen handelen door B/T. Belanghebbende heeft nimmer voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de KOT nu, zoals zij zelf ook ter zitting heeft verklaard, nimmer opvang heeft afgenomen. Zij werkte niet en verzorgde thuis haar kinderen. Kortom, belanghebbende heeft in de periode 2008 tot en met 2010 geen gebruik gemaakt van opvang. In de neerwaartse bijstellingen van de KOT zijn geen aanknopingspunten voor vooringenomen handelen en deze moeten worden beschouwd als regulier.
Hardheid van het stelsel
De tweede vraag die aan de orde is, is of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie wegens hardheid van het stelstel. Naar het oordeel van de Commissie is daarvan sprake, waartoe het volgende wordt overwogen.
Uit de Memorie van Toelichting bij de Wht volgt dat van hardheid van het stelsel onder meer sprake is bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de KOT in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als:
- een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt zonder dat de KOT volledig ten goede komt aan de belanghebbende;
- een derde op een andere wijze fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende; of
- een door belanghebbende redelijkerwijze niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op KOT, terwijl aan alle materiële eisen voor de KOT is voldaan.
De Commissie stelt vast, op basis van de voorhanden zijnde stukken, dat op naam van belanghebbende KOT is aangevraagd en dat vervolgens ook KOT is uitbetaald, meer concreet op het rekeningnummer dat bij de aanvraag is vermeld.
Ter zitting heeft belanghebbende, nadat de Commissie haar daarover heeft bevraagd, aangegeven dat zij niet zeker weet of het desbetreffende rekeningnummer van haar is. Zij vermoedt dat een derde fraude heeft gepleegd met haar identiteitsgegevens, maar zegt ook dat zij haar sofi-nummer niet aan een derde heeft afgegeven. Zij verbleef enige tijd in hechtenis (eerst in 2008 gedurende drie dagen en daarna in 2009 gedurende drie maanden). Zij heeft toen een taakstraf uitgevoerd bij een kinderdagverblijf in Rotterdam. Ook is belanghebbende enige tijd (vanaf midden 2009) naar Suriname vertrokken. UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, in de aanvullende beschouwing enkele vragen beantwoord die ter zitting aan de orde zijn gekomen, waaronder allereerst de vraag op wiens naam het rekeningnummer stond over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010. UHT heeft aangegeven dat in de voor UHT te raadplegen informatie is weergegeven dat het rekeningnummer op naam van belanghebbende stond. De Commissie is van oordeel dat op basis van die informatie voldoende vaststaat dat ten tijde hier van belang het rekeningnummer van belanghebbende is/was.
De Commissie betrekt bij haar overwegingen verder ook het antwoord van UHT op de vraag van de Commissie naar de code “WBKV” (weergegeven in het XML-bestand, productie 34, zijnde de aanvraag van de KOT). UHT geeft aan dat die code verwijst naar de voorloper van het huidige digitale portaal waarmee destijds de aanvraag voor KOT digitaal kon worden ingediend. Dat betekent dat, met de gegevens van belanghebbende, waaronder ook haar burgerservicenummer is ingelogd op het digitale portaal, dat de KOT op naam van belanghebbende is aangevraagd en na toekenning van de KOT ook is overgemaakt op het bankrekeningnummer dat aan belanghebbende toebehoort.
De vraag is of, gegeven deze uitgangspunten, toch sprake is van hardheid van het stelsel. De Commissie stelt eerst vast dat belanghebbende is geconfronteerd met hoge terugvorderingen van de KOT over zowel het jaar 2009 als 2010, terwijl de KOT op 22 januari 2009 al is stopgezet. B/T heeft de KOT automatisch gecontinueerd in januari 2009 en gedurende het gehele jaar 2009 voorschot uitbetaald. Ook in december 2009 is de KOT opnieuw voor 2010 gecontinueerd. UHT heeft gesteld dat de stopzetting van de KOT niet tijdig in haar systemen zijn verwerkt. Volgens UHT is geen sprake van hardheid. Belanghebbende meent van wel, nu ondanks de stopzetting langdurig is doorbetaald en zij daardoor met hoge terugvorderingen is geconfronteerd.
De Commissie overweegt als volgt. De Commissie is van oordeel dat UHT voor de automatische continuering van de KOT in januari 2009 over het jaar 2009 een plausibele verklaring heeft gegeven, namelijk dat dit moment te kort op de verwerking van de stopzetting van 22 januari 2009 zat. De Commissie is echter van oordeel dat daarmee geen overtuigende verklaring is gegeven voor de automatische continuering tot het einde van 2009 en voor het jaar 2010. Tussen het moment van de stopzetting, 22 januari 2009, en de automatische continuering van de KOT voor 2010 op 5 december 2009 zit een aanzienlijke periode van ruim 10 maanden. Waarom B/T de stopzetting niet eerder heeft verwerkt, is op geen enkele wijze duidelijk geworden, ook niet uit de aanvullende beschouwing van UHT. De Commissie is van oordeel dat dit moet worden geduid als nalatig handelen van B/T. Zij had de stopzetting van de KOT redelijkerwijs eerder kunnen verwerken. Het trage, nalatige handelen van B/T heeft gemaakt dat de KOT over een langere periode is uitgekeerd, leidend tot (onnodig) hoge terugvorderingen bij belanghebbende. Dat belanghebbende door dit trage handelen van B/T in ernstige (financiële) problemen is geraakt en dat dit voorkomen had kunnen worden door tijdig handelen van B/T, is naar het oordeel van de Commissie voldoende aannemelijk geworden.
Anderzijds betrekt de Commissie bij de vraag of sprake is van hardheid ook de op belanghebbende rustende verplichting om in een situatie als hier aan de orde waakzaam te zijn. Zij heeft immers gedurende het gehele jaar 2009 en 2010 KOT ontvangen op haar bankrekening, terwijl de KOT reeds was stopgezet op 22 januari 2009 (met terugwerkende kracht) en zij bovendien geen enkele opvang heeft afgenomen. Zij heeft daar geen actie op ondernomen door bijvoorbeeld melding te maken bij B/T. Dat lag wel op haar weg. Die onoplettendheid van belanghebbende kan haar worden aangerekend, waarbij de Commissie niet voorbijziet aan de door haar geschetste problematische omstandigheden in 2009 en de maar beperkte informatie over de gang van zaken rond de aanvraag en betaling van KOT en of die aan haar ten goede is gekomen.
De Commissie concludeert dat de betalingen van KOT onnodig lang hebben voortgeduurd wat mede moet worden beschouwd als een ernstige nalatigheid van B/T. Gelet hierop is volgens de Commissie sprake van dusdanig bijzondere omstandigheden die maken dat sprake is van hardheid van het stelsel, omdat in de mate van terugvordering in dit geval ten onrechte niet de eigen nalatigheid van B/T is verdisconteerd. De Commissie wijst hierbij op de stand van de rechtspraak inzake de toepassing van het evenredigheidsbeginsel, zoals de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:726). De Commissie zoekt voor wat betreft de periode waarover een compensatie wegens hardheid moet worden toegekend aansluiting bij de eerder toegepaste, ook in genoemde rechtspraak vermelde zogeheten zesmaandenjurisprudentie voor wat betreft toeslagjaar 2009. Voor toeslagjaar 2010 adviseert de Commissie voor het gehele jaar een compensatie toe te kennen gelet op de nalatigheid van B/T in dat jaar. Belanghebbende komt aldus in aanmerking voor compensatie wegens hardheid over de maanden augustus tot en met december 2009 en het gehele jaar 2010. Het bezwaar is op dit onderdeel gegrond.
O/GS en beroep op gelijkheidsbeginsel
Tot slot heeft belanghebbende aangevoerd dat zij gecompenseerd moet worden wegens een onterechte O/GS-kwalificatie nu niet gebleken is van de intentie van belanghebbende om fraude te plegen. Verder meent belanghebbende dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij verwijst daarbij naar het memo “handmatige toetsing van O/GS door eerste herstelteam”. Volgens belanghebbende heeft UHT het beleid gewijzigd (medio 2023). Tot dat moment werden alle ouders automatisch gecompenseerd voor een (onterechte) O/GS-kwalificatie maar na de beleidswijziging is dat niet meer het geval, aldus belanghebbende. UHT heeft dit standpunt betwist. De O/GS-kwalificatie over de jaren 2008, 2009 en 2010 is terecht en van strijd met het gelijkheidsbeginsel is evenmin sprake, aldus UHT.
De Commissie overweegt als volgt.
Van opzet of grove schuld is onder meer sprake in een situatie waarin de ouder de voorschotbetalingen KOT te lang door heeft laten doorlopen, zonder dat sprake was van opvang, terwijl de ouder zich ervan bewust was of bewust heeft moeten zijn dat er KOT werd ontvangen zonder dat er opvangkosten waren (zie Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek, pagina 29). Een dergelijke situatie doet zich hier voor nu belanghebbende de KOT op haar bankrekening ontving (de KOT werd niet verrekend met andere toeslagen) én belanghebbende nimmer opvang heeft afgenomen.
Niet is vereist dat belanghebbende de intentie had om te frauderen.
Ten slotte overweegt de Commissie dat het beroep op het hiervoor genoemde memo en het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Het staat B/T vrij om een beleidswijziging door te voeren zoals zij heeft gedaan. Dat die beleidswijziging gevolgen heeft voor nieuwe gevallen betekent niet dat reeds hierom sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Dat is nu eenmaal inherent aan een beleidswijziging. Het bezwaar met betrekking tot de weigering van een O/GS-tegemoetkoming slaagt dus niet.
Nu het bezwaar gedeeltelijk gegrond is en zal moeten leiden tot herroeping van het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHA, zal de Commissie UHT adviseren de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit te herroepen en om:
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
- een compensatie wegens hardheid toe te kennen over de maanden augustus tot en met december 2009 en het jaar 2010;
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter