Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-11621

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 27 december 2022 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 29 januari 2025

Overdracht advies aan UHT: 25 april 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en alsnog compensatie toe te kennen voor de jaren 2012, 2013, 2015 en de maand oktober 2014.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 29.212,- voor het jaar 2014 (met uitzondering van de maanden september en oktober) en geen compensatie toegekend voor de jaren 2012, 2013 en 2015.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 23 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2015.
  • UHT heeft bij beschikking van 23 februari 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 22 september 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat belanghebbende gedurende de jaren 2012, 2013, 2015 en de maanden september en oktober 2014 evident geen recht had op KOT, en daarom voor die perioden niet in aanmerking komt voor een compensatie op grond van hardheid of vooringenomen handelen.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende een compensatie
    toegekend voor een bedrag van € 29.212,- voor het jaar 2014 (met uitzondering
    van de maanden september en oktober) en geen compensatie toegekend voor de jaren 2012, 2013 en 2015.
  • De gemachtigde heeft bij brief van 2 februari 2023, ingekomen op dezelfde datum, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Op 30 maart 2023 is aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van € 11.521,- voor de terugvorderingen over de jaren 2012 t/m 2015. Tegen deze beschikking is belanghebbende niet in bezwaar gekomen. Gemachtigde heeft het bezwaarschrift op 1 november 2023 aangevuld.
  • UHT heeft op 30 april 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 29 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is
    een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 30 januari 2025 nadere stukken ingediend. UHT heeft op 14 maart 2025 een nadere
    schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 27 maart 2025 op
    gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, van de Wht af te wijzen voor de jaren 2012, 2013 en 2015 en gedeeltelijk af te wijzen voor het jaar 2014.

Niet herbeoordeelde jaren
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat UHT ook de jaren 2005 tot en met 2011 mee had moeten nemen in de herbeoordeling.

Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvang heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken.

De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op de jaren 2012 tot en met 2015. Dat volgt uit zowel de notitie van het verzoek om herbeoordeling (productie 1) als uit onderdeel C en D het informatie- en beoordelingsformulier (productie 2), waar door de persoonlijk zaakbehandelaar is genoteerd dat de KOT-terugvorderingen zagen op de jaren 2012 tot en met 2015. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft de jaren 2005 tot en met 2011 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om deze extra jaren in haar advisering te betrekken. UHT geeft in haar beschouwing van 30 april 2024 te kennen dat het verzoek tot herbeoordeling van de jaren 2005 tot en met 2011 is doorgezet naar de primaire afdeling. Nu deze werkwijze, in de opvatting van UHT, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie onderhavige bezwaarprocedure niet aan. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Onvolledigheden en fouten in het informatie- en beoordelingsformulier
Belanghebbende voert aan dat het informatie- en beoordelingsformulier incorrect en onvolledig is. Om die reden is volgens haar niet goed te volgen hoe UHT tot de bestreden beschikking is gekomen.
De Commissie overweegt dat UHT belanghebbende niet in de gelegenheid heeft gesteld om een zienswijze in te dienen, waarmee belanghebbende haar verhaal al in de primaire fase had kunnen aanvullen en zaken had kunnen verduidelijken. UHT had belanghebbende wel in de gelegenheid moeten stellen een zienswijze in te dienen en het is onzorgvuldig dat dit niet is gebeurd. Belanghebbende heeft echter in het kader van de bezwaarprocedure alsnog de gelegenheid gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Afwijzing compensatie over de jaren 2012, 2013 en 2015
UHT heeft geconcludeerd dat de Belastingdienst/Toeslagen (hier: B/T) ten aanzien van de jaren 2012, 2013 en 2015 vooringenomen gehandeld heeft jegens belanghebbende, omdat de KOT is bijgesteld op grond van de UWV-viewer, zonder dat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over de door haar gewerkte uren. UHT stelt daarnaast dat compensatie voor deze jaren achterwege dient te blijven, omdat geen sprake was van een onterechte verlaging van de KOT. De verlaging op grond van de UWV-viewer was namelijk correct, aldus UHT.

De Commissie begrijpt het bezwaar van belanghebbende zo, dat zij stelt dat de verlaging op grond van de uren uit de UWV-viewer onterecht was, omdat zij meer uren heeft gewerkt. Zij stelt dat de discrepantie tussen de UWV-uren en de daadwerkelijk gewerkte uren voortkomt uit frauduleus handelen door haar werkgever. Destijds was voor haar niet duidelijk dat de reden van de terugvorderingen was gelegen in een afwijkend aantal uren bij het UWV.
UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat onvoldoende is gebleken dat er gefraudeerd is met het aantal gewerkte uren en handhaaft haar opvatting dat de uren uit de UWVviewer correct zijn.

De Commissie overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat B/T ten aanzien van de jaren 2012, 2013 en 2015 vooringenomen heeft gehandeld.
De Commissie is van mening dat voldoende is vast komen te staan dat de verlagingen op basis van de UWV-viewer onterecht waren en dat er daarom sprake is van schade zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1 sub a van de Wht. Nu er over deze jaren vooringenomen jegens belanghebbende is gehandeld en er sprake is van schade dienen deze jaren alsnog voor compensatie in aanmerking te komen. De Commissie licht dat als volgt toe.

UHT heeft erkend dat B/T in het verleden ten onrechte heeft nagelaten om ter
vaststelling van haar recht op KOT uitvraag te doen bij belanghebbende over haar
gewerkte uren en doelgroeperschap. Dat UHT nu uitgaat van de juistheid van de
gegevens die B/T destijds niet zonder uitvraag voor volledig had mogen houden, kan zonder nadere toelichting niet gevolgd worden, zo meent de Commissie. De Commissie acht het op basis van de stukken die belanghebbende heeft overgelegd
(bijlagen 4.1 tot en met 8.4) en haar toelichting op de hoorzitting, namelijk voldoende aannemelijk dat de voormalig werkgever van belanghebbende te weinig werkuren geregistreerd en uitbetaald heeft. Dat belanghebbende in dit bezwaar geen gegevens kan overleggen die concreet weergeven hoeveel uren zij in de jaren 2012, 2013 en 2015 heeft gewerkt, mag gezien het ruime tijdverloop niet voor haar rekening komen. Temeer gezien de omstandigheid dat B/T deze gegevens destijds ten onrechte niet heeft opgevraagd.
De Commissie adviseert UHT daarom om aan belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen voor de jaren 2012, 2013 en 2015.

Toeslagjaar 2014; compensatie toegekend met uitzondering van de maanden september
en oktober
Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 compensatie toegekend wegens
vooringenomen handelen. UHT heeft de compensatie enkel berekend over de maanden januari tot en met augustus, november en december. Volgens UHT was in de maanden september en oktober namelijk sprake van evident geen recht op KOT, omdat belanghebbende toen een toeslagpartner had (de heer F.) die geen geldige verblijfstitel had.
Belanghebbende voert aan dat de heer F. feitelijk niet meer op haar adres woonde in de maanden september en oktober van 2014 en daarom niet als haar toeslagpartner moet worden aangemerkt. Zij stelt tijdig te hebben gemeld bij de IND dat de heer F. niet op haar adres verbleef.

De Commissie overweegt in de eerste plaats dat UHT in haar informatie- en
beoordelingsformulier en in de bestreden beschikking tot het oordeel is gekomen dat de toeslagpartner van belanghebbende vanaf 20 oktober 2014 een geldige verblijfstitel had, en belanghebbende daarom vanaf die datum recht had op KOT. Gelet op het beleid van UHT dat perioden waarop herstelregelingen betrekking hebben vanwege ruimhartigheid en uitvoerbaarheid afgerond worden op hele maanden, meent de Commissie dat belanghebbende in ieder geval voor de volledige maand oktober compensatie toekomt.

Wat betreft de maand september 2014 overweegt de Commissie dat moet worden
aangenomen dat belanghebbende een toeslagpartner had zonder geldige verblijfstitel, waardoor zij geen recht had op KOT. Het hebben van een toeslagpartner die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, is een ernstige onregelmatigheid in de zin van artikel 2.1, lid 2, van de Wht, waarbij compensatie achterwege kan blijven (Kamerstukken II 2021/22, 36515, nr. 3 herdruk, p. 72 (MvT)). In die zin heeft UHT de maand september 2014 terecht buiten beschouwing gelaten. Uit de stukken volgt echter ook dat belanghebbende op 20 oktober 2014 een verzoek om een adresonderzoek voor de heer F. heeft gedaan (productie 20). Naar aanleiding van dit adresonderzoek heeft de Gemeente de heer F. per 13 november 2014 uitgeschreven op het adres van belanghebbende. De Commissie acht de toelichting van belanghebbende dat de heer F. in september al niet meer op het adres woonde gezien dit tijdsverloop aannemelijk. Een melding voor een adresonderzoek bij de gemeente is immers een escalatiestap die niet direct wordt genomen zodra een persoon uit de woning vertrekt. Hoewel UHT zich juridisch op het standpunt kan stellen dat de maand september 2014 buiten beschouwing kan blijven, geeft de Commissie UHT mee om in overweging te nemen of in een dergelijke situatie het uitzonderen van één maand van
compensatie strookt met de ruimhartigheid die beoogd is in de hersteloperatie toeslagen.

Verzoek om toelichting van de hoogte van de terugvordering
De Commissie heeft goede nota genomen van het verzoek van belanghebbende om meer duidelijkheid te krijgen over de berekening van hoogte van de terugvorderingen. Zij verzoekt nadrukkelijk niet om een herziening, maar om een toelichting. De Commissie adviseert UHT om deze toelichting bij de beslissing op bezwaar te geven. De Commissie merkt in dit verband op dat de toepassing van de 70%-correctie, mogelijk heeft bijgedragen aan het beeld van belanghebbende dat de terugvorderingen niet verhouding stonden tot de wijzigingen in de rekenuren. Dit zijn correcties naar aanleiding van de per 1 januari 2012 in artikel 8a van het Besluit Kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang (BKO) ingevoerde koppeling gewerkte uren (ook wel: KGU), die het aantal te vergoeden uren voor BSO en gastouderopvang maximeerde op 70% van het aantal gewerkte
uren.

Ambtshalve heroverweging compensatieberekening
UHT heeft in bezwaar ambtshalve de compensatieberekening gecontroleerd. Hierbij heeft UHT geconstateerd dat de rente over gemiste KOT voor toeslagjaar 2014 is berekend vanaf een onjuiste aanvangsdatum, namelijk 17 juni 2014. Op grond van artikel 2.3, lid 7, van de Wht, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Awir, moet de rente over gemiste KOT van het jaar 2014 worden berekend vanaf 1 juli 2015.
Nu de Commissie adviseert om de grondslag voor compensatie van toeslagjaar 2014 te wijzigen, adviseert zij UHT om alle componenten opnieuw te berekenen en de rentevergoeding over gemiste KOT te berekenen tot aan de beslissing op bezwaar.

Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • aan belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen voor de jaren 2012, 2013 en 2015;
  • aan belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen voor de maand oktober van 2014 en te heroverwegen of compensatie voor de maand september van 2014 achterwege moet blijven;
  • de compensatieberekening te herzien;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter