Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-11576

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 15 december 2022 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 30 juni 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 17 september 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking op
onderdelen te herroepen, de compensatie opnieuw te berekenen met
inachtneming van dit advies en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 47.483 voor de toeslagjaren 2011, de maanden januari tot en met juni 2012, 2016 en 2017, een tegemoetkoming toegekend voor opzet/grove schuld (hierna: O/GS) voor een bedrag van € 828 voor het toeslagjaar 2012 en geen compensatie toegekend voor de maanden juli tot en met december 2012 en de toeslagjaren 2018 tot en met 2020.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 28 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2012 en 2016 tot en met 2020. In overeenstemming met belanghebbende is het herbeoordelingsverzoek met het toeslagjaar 2011 uitgebreid.
  • UHT heeft bij beschikking van 28 mei 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 12 september 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de maanden juli tot en met december 2012 en de toeslagjaren 2018 tot en met 2020 geen sprake is geweest van institutionele
    vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 15 december 2022 met kenmerk UHTDCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 47.483 voor de toeslagjaren 2011, de maanden januari tot en met juni 2012, 2016 en 2017 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2018 tot en met 2020.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 25 januari 2023, ingekomen op 26 januari 2023,
    tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft bij beschikking van 28 februari 2023 met kenmerk UHT-O OGS B een
    tegemoetkoming voor O/GS toegekend voor een bedrag van € 828 voor het
    toeslagjaar 2012.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 25 oktober 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 19 september 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 30 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een
    verslag gemaakt, dat aan het advies is gehecht.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 7 juli 2025 een
    nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 10 juli 2025 op
    gereageerd.
  • De Commissie heeft op 24 juli 2025 nadere vragen voorgelegd aan UHT, deze
    heeft op 29 juli 2025 hierop (met bijlage) gereageerd.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft de bezwaren behandeld en dit advies uitgebracht.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2011, de maanden januari tot en met juni 2012, 2016 en 2017 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de maanden juli tot en met december 2012 en de toeslagjaren 2018 tot en met 2020 af te wijzen.

Compleetheid dossier, motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Voor zover UHT haar beoordeling bij het uitbrengen van de bestreden beschikking niet voldoende zou hebben gemotiveerd dan wel onzorgvuldig zou hebben voorbereid, is dat gebrek door het indienen van de schriftelijke beschouwing, met daarin een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) en overige producties hersteld. De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 6 mei 2025 aan gemachtigde toegezonden. Het ouderdossier is op 10 juni 2025 aan gemachtigde gestuurd. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom
om deze onderdelen van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Rentevergoeding over gemiste KOT
De Commissie constateert dat de rentevergoeding over de gemiste KOT voor de
toeslagjaren 2011, 2012, 2016 en 2017 onjuist is berekend. Ingevolge artikel 2.2, aanhef onder g, Wht wordt over het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van de voorschotverlening KOT, rente vergoed. Ingevolge artikel 2.3, lid 7 in samenhang gelezen met lid 1, Wht wordt de rente berekend over het bedrag dat als gevolg van een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT niet is toegekend of is teruggevorderd, met overeenkomstige toepassing van artikel 27 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). Ingevolge artikel 27 Awir wordt de rente enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op 1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar en eindigt op de dag van de datum van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, tot herziening van de tegemoetkoming of tot herziening van de terugvordering. Het rentepercentage is
gelijk aan het percentage dat ingevolge artikel 30hb Algemene wet inzake
rijksbelastingen ten aanzien van de inkomstenbelasting wordt gehanteerd.

De Commissie acht het bezwaar op dit punt gegrond en adviseert UHT de
rentevergoeding voor het toeslagjaar 2011 aan te passen van € 3.085 naar €3.266, voor het toeslagjaar 2012 aan te passen van € 2.671 naar € 3.046 en voor het toeslagjaar 2016 aan te passen van € 785 naar € 819. De Commissie adviseert de rentevergoeding voor het toeslagjaar 2017 niet aan te passen, omdat de destijds berekende rente in het voordeel van belanghebbende is.

Vergoeding van immateriële schade
De Commissie constateert dat bij de berekening van de vergoeding van immateriële schade van een onjuiste startdatum is uitgegaan. Als startdatum dient van de datum van de eerste onrechtmatigde stopzetting van de KOT, 25 januari 2013, te worden uitgegaan. De Commissie adviseert UHT dit aan te passen in haar beslissing op bezwaar.

Aangezien het bezwaar gedeeltelijk gegrond is, dient de periode waarover de immateriële schade wordt berekend door te lopen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar. De aanpassing van de diverse componenten heeft ook gevolgen voor de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal.

Toeslagjaar 2012
In het toeslagjaar 2012 is belanghebbende voor de maanden januari tot en met maart, mei en juni gecompenseerd op grond van vooringenomen handelen en voor de maand april op grond van hardheid. Belanghebbende stelt dat zij ook voor de maanden juli tot en met september 2012 dient te worden gecompenseerd.

De Commissie overweegt hierover als volgt. Uit de door belanghebbende overgelegde facturen van de kinderopvanginstelling volgt dat zij van januari tot en met juni 2012 kinderopvang heeft afgenomen. De informatie-uitvraag door de
Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarop gereageerd werd met voormeld
overleggen van facturen, is niet in de systemen van B/T teruggevonden. Niet met
zekerheid dus worden aangenomen dat die uitvraag betrekking had op het gehele
toeslagjaar 2012 en dat belanghebbende, blijkens haar reactie, alleen in de maanden januari tot en met juni 2012 kinderopvang heeft afgenomen. Belanghebbende heeft de KOT op 3 oktober 2012 per 30 september 2012 stopgezet. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij tot en met september 2012 kinderopvang heeft afgenomen. De Commissie gaat uit van de juistheid van die verklaring, omdat zij die geloofwaardig vindt. De Commissie acht het niet aannemelijk dat sprake was van ernstige onregelmatigheden die aan belanghebbende kunnen worden toegerekend. Dit alles in aanmerking genomen kan niet worden geconcludeerd dat in de maanden juli tot en met september 2012 evident geen recht op KOT bestond. De Commissie acht het bezwaar daarom op dit punt gegrond en adviseert UHT alsnog compensatie over deze maanden toe te kennen. De daarvoor toe te kennen compensatie zal met de toegekende O/GS-tegemoetkoming worden verrekend.

Toeslagjaar 2018
De Commissie constateert dat UHT in haar schriftelijke verweer heeft toegezegd alsnog compensatie aan belanghebbende toe te kennen voor het toeslagjaar 2018 op grond van hardheid. Het niet reageren op de verzoeken om informatie in dit jaar kan niet worden verweten aan belanghebbende. Daarnaast bestaat een causaal verband tussen de onterechte nihil beschikking in het toeslagjaar 2017 en de niet-automatische continuering van de KOT in 2018. Hierdoor is zij geconfronteerd met onbillijkheden van overwegende aard. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt derhalve gegrond te verklaren en dit in de beslissing op bezwaar aan te passen.

Toeslagjaar 2019
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2019 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De KOT over dit toeslagjaar is verlaagd nadat de KOT door de bewindvoerder van belanghebbende per 31 maart 2019 is stopgezet. De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden die erop duiden dat B/T de KOT heeft stopgezet. Over dit jaar is na de stopzetting alsnog KOT toegekend op basis van de aanvraag en de bewijsstukken die namens belanghebbende zijn aangeleverd. De Commissie acht niet aannemelijk dat belanghebbende recht had op meer KOT dan aan haar is toegekend. De
bijstellingen over het toeslagjaar 2019 zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke
bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde
hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie over 2019, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2020
Belanghebbende stelt dat zij ook voor het toeslagjaar 2020 dient te worden
gecompenseerd. Zij stelt dat, hoewel de beschikkingen van dit jaar pas na 23 oktober 2019 zijn genomen, sprake is van een causaal verband tussen de initiële nihilbeschikkingen over dit jaar en de eerdere vooringenomen handelingen door B/T.

Het voorschot van de KOT over het toeslagjaar 2020 werd om onduidelijke redenen op 27 december 2019 eerst op nihil vastgesteld, voordat in februari 2020 een bedrag aan KOT werd toegekend. Uit de gegevens van B/T volgt dat een melding van 30 oktober 2019 ten grondslag lag aan deze nihil-beschikking. De compensatieregelingen zijn niet van toepassing op handelingen van B/T vanaf 23 oktober 2019, tenzij die handelingen oorzakelijk verbonden zijn met vooringenomen handelingen van voor die datum. De Commissie heeft onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te kunnen oordelen dat een causaal verband bestaat tussen de initiële nihil-beschikkingen over 2020 en eerdere vooringenomen handelingen door B/T. Zij heeft geen aanwijzingen gevonden dat de meldingen in het dossier over de toeslagjaren 2018 en 2019 aan deze nihil-beschikkingen ten grondslag lagen. De Commissie is daarom van oordeel dat het niet binnen haar bevoegdheid valt om over dit jaar te adviseren.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de
Commissie UHT de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden.
Belanghebbende heeft, gezien de late ontvangst van het omvangrijke ouderdossier, om een hogere proceskostenvergoeding dan de standaardvergoeding verzocht. De Commissie ziet geen aanleiding om een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en bijwonen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • alsnog compensatie toe te kennen voor de maanden juli, augustus en september
    2012 en het toeslagjaar 2018;
  • in de compensatieberekening de rentevergoeding over gemiste KOT voor het
    toeslagjaar 2011 aan te passen naar € 3.266, voor het toeslagjaar 2012 aan te
    passen naar € 3.046 en voor het toeslagjaar 2016 aan te passen naar € 819;
  • de vergoeding voor de immateriële schade opnieuw te berekenen en uit te gaan
    van de einddatum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen;
  • de aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal) aan te passen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter