BAC 2023-11572
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 20 december 2022 met de kenmerken: UHT-DC I, UHT-DC-I A en UHT-DH5 A
Hoorzitting: 10 juni 2025 om 15:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 24 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een
proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen drie beschikkingen van 20 december 2022. Het gaat daarbij om de volgende beschikkingen:
- Definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) met
kenmerk: UHT-DC I; - Definitieve beschikking afwijzing compensatie KOT met kenmerk: UHT-DC-I A en
- Beschikking herbeoordeling KOT met kenmerk: UHT-DH5 A.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) het definitieve compensatiebedrag vastgesteld op € 17.126 en wordt belanghebbende gecompenseerd met een bedrag van € 30.000. De compensatie wordt toegekend omdat belanghebbende over de toeslagjaren 2005, 2009 en 2010 door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vooringenomen is behandeld. Over de jaren 2006 tot en met 2008 en 2011 wordt geen compensatie toegekend.
Procesverloop
Belanghebbende heeft op 11 juni 2020 verzocht om een herbeoordeling van de
KOT over 2011. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is het verzoek
uitgebreid naar de jaren 2005 tot en met 2011.
UHT heeft bij beschikking van 21 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld
dat hij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
van belanghebbende op 11 april 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
geadviseerd dat gedurende de jaren 2006 tot en met 2008 en 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
De compensatieregeling is wel van toepassing over de toeslagjaren 2005, 2009 en
2010.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 17.031 voor de jaren 2005, 2009 en 2010.
- UHT heeft met de eerste bestreden beschikking van 20 december 2022 met
kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende compensatie toegekend voor de
toeslagjaren 2005, 2009 en 2010 waarbij het compensatiebedrag is vastgesteld
op € 17.126. Belanghebbende wordt gecompenseerd met een bedrag van €30.000. - UHT heeft met de tweede bestreden beschikking van 20 december 2022 met
kenmerk UHT-DC-I A belanghebbende laten weten dat het verzoek op
compensatie over de jaren 2006 tot en met 2008 en 2011 vanwege
vooringenomenheid wordt afgewezen. - UHT heeft met de derde bestreden beschikking van 20 december 2022 met
kenmerk UHT-DH5 A belanghebbende laten weten dat het verzoek op
compensatie over de jaren 2006 tot en met 2008 en 2011 vanwege een beroep op de hardheidsregeling wordt afgewezen. - Gemachtigde heeft bij brief van 30 januari 2023 tegen de drie beschikkingen een
bezwaarschrift ingediend. - UHT heeft op 1 mei 2024 schriftelijk op het bezwaarschrift gereageerd.
- Op 10 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een
verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd. - UHT heeft op 17 juni 2025 een aanvullende beschouwing ingebracht.
- UHT heeft op 23 juni 2025 nog nadere informatie ingebracht.
- Gemachtigde heeft op 1 juli 2025 op de aanvullende beschouwing en nadere
informatie gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie zal eerst ingaan op de volgende bezwaargronden:
- Op de zaak betrekking hebbende stukken;
- Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel;
- Het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Awir;
- Toekenning van te weinig KOT in toeslagjaar 2006;
- Vaststelling van component a in de compensatieberekening;
- Informatie uit de KOI-viewer over 2009 en 2010;
- Materiële, immateriële schade en werkelijke schade.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
De Commissie stelt vast dat de op de zaak betrekking hebbende stukken op 14 januari 2025 aan belanghebbende zijn verstrekt. Daarmee is voldaan aan de verplichting, zoals neergelegd in artikel 7:4, lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), om alle relevante stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben de gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en hebben zij de gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken ontbreken die van belang hadden kunnen zijn voor het door UHT genomen besluit.
De Commissie merkt aanvullend op dat UHT in de beschouwing heeft toegelicht dat voor bepaalde jaren geen beschikkingen of vraagbrieven meer konden worden achterhaald en dus ook niet konden worden toegevoegd aan de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het ontbreken van deze documenten is reden geweest om belanghebbende voor de jaren 2005, 2009 en 2010 te compenseren.
Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende voert aan dat de beoordeling waarop de bestreden beschikkingen zijn gebaseerd, is gedaan op basis van een onjuist en onvolledig beeld van zijn situatie. Het is daarom onterecht dat hij over bepaalde jaren niet is gecompenseerd.
De Commissie verstaat deze bezwaargrond aldus dat de bestreden beschikkingen in strijd zijn met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de
motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het daaraan voorafgaande
onderzoek. Door middel van de beschouwing en de bijbehorende producties zijn de bestreden beschikkingen voldoende onderbouwd en op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.
Het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Awir
De gemachtigde stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Awir destijds niet binnen 13 weken, en in ieder geval niet uiterlijk op 31 december volgend op het toeslagjaar, een beschikking tot toekenning heeft genomen. Ook is er geen kennisgeving in het dossier opgenomen waaruit blijkt dat niet binnen 9 maanden een definitieve beslissing kon worden genomen.
De Commissie is van oordeel dat deze bezwaargrond - wat daar verder ook van zij
buiten het bereik van deze bezwaarprocedure valt en laat deze daarom verder
onbesproken. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Toekenning van te weinig KOT in toeslagjaar 2006
Belanghebbende voert aan dat hij op basis van een eigen berekening voor het
toeslagjaar 2006 te weinig KOT heeft ontvangen, waardoor de terugvordering boven de drempel van € 1.500 voor een beroep op de hardheidsregeling uitkomt.
De Commissie heeft deze bezwaargrond opgevat als de stelling dat UHT alle voorschoten definitieve beschikkingen waarin de KOT is vastgesteld, opnieuw zou moeten toetsen. De Commissie stelt voorop dat de Wht geen herziening van onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen van de KOT beoogt. De regeling is niet bedoeld om alsnog (een hoger bedrag aan) KOT uit te keren, maar richt zich op compensatie voor ten onrechte teruggevorderde of niet toegekende KOT. Voor zover het bezwaar van belanghebbende zich richt op het aantasten van onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen, gaat de Commissie daaraan voorbij.
Vaststelling van component a in de compensatieberekening
De Commissie stelt vast dat UHT op grond van de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht voor de vaststelling van component a over de jaren 2005, 2009 en 2010 terecht is uitgegaan van de voorlaatste beschikkingen die voorafgingen aan de neerwaartse dan wel nihilbeschikkingen. Het betreft de volgende beschikkingen: 17 januari 2005, 10 december 2008 en 3 december 2010. In deze beschikkingen werd het voorschot vastgesteld op respectievelijk € 106, € 2.979 en € 2.979. Deze bedragen zijn als uitgangspunt genomen voor de compensatieberekening. De Commissie ziet geen aanleiding om van hogere bedragen uit te gaan, zodat deze bezwaargrond geen doel treft.
Informatie uit de KOI-viewer over 2009 en 2010
De Commissie stelt vast dat UHT in de beschouwing van 17 juni 2025 heeft toegelicht dat in de KOI-viewer geen informatie is opgenomen over afgenomen kinderopvang in de jaren 2009 en 2010. De Commissie merkt hierover op dat het ontbreken van deze informatie voor belanghebbende geen negatieve gevolgen heeft gehad. UHT is voor deze jaren uitgegaan van vooringenomenheid, waarvoor belanghebbende wordt gecompenseerd.
Materiële, immateriële schade en werkelijke schade
Belanghebbende stelt dat de geboden compensatie de volledige schade niet dekt.
Volgens hem is zowel de materiële als de immateriële schade aanzienlijk hoger. Hij
verzoekt daarom om vergoeding van de werkelijke schade en om doorzending van het bezwaarschrift naar de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).
UHT heeft verwezen naar de vaste compensatiebedragen die worden vastgesteld op grond van de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht. Afwijken van deze wettelijke bepalingen is niet mogelijk. Voor vergoeding van werkelijke schade dient belanghebbende een verzoekschrift in te dienen bij de CWS.
Op grond van artikel 2.3, derde lid, van de Wht bedraagt de vergoeding voor materiële schade 25% van het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of is teruggevorderd. Voor immateriële schade geldt op grond van artikel 2.3, vierde lid, een forfaitaire vergoeding van € 500 per half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van de eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie. Een deel van een half jaar wordt daarbij naar boven afgerond.
Het is op basis van de Wht niet mogelijk om van deze systematiek af te wijken of een hogere schadevergoeding toe te kennen. De onderhavige bezwaarprocedure ziet uitsluitend op de toekenning van genoemde forfaitaire vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht kan belanghebbende hiervoor een verzoek indienen bij de CWS.
Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.
De Commissie zal hierna ingaan op de volgende onderwerpen van het bezwaar:
- De compensatieberekening;
- Reguliere bijstellingen van de KOT;
- Stopzetting van de KOT over toeslagjaar 2011;
- Instellen van invorderingsmaatregelen;
- Opname in het FSV-register en discriminatie.
De compensatieberekening
UHT heeft in de beschouwing van 1 mei 2024 verwezen naar de bijlage bij de
compensatieberekening en vastgesteld dat de rentevergoeding voor gemiste KOT over de toeslagjaren 2009 en 2010 onjuist is berekend. De juiste (hogere) bedragen luiden respectievelijk € 1.342 en € 1.268. Hierdoor dient ook de aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal) opnieuw te worden berekend.
Gelet op het voorgaande is het bezwaar tegen de beslissing van 20 december 2022, met kenmerk UHT-DC I, gedeeltelijk gegrond.
Reguliere bijstellingen van de KOT
De Commissie overweegt dat, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2006 tot en met 2008 en 2011 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (B/T), dan wel van hardheid van het stelsel. De terugvorderingen over deze jaren zijn het gevolg van te hoge voorschotten, die op basis van reguliere wijzigingen opnieuw zijn berekend. Voor de jaren 2006 tot en met 2008 en 2011 is de KOT neerwaarts bijgesteld vanwege aanpassingen in het aantal opvanguren, wijzigingen in het uurtarief, verhoging van het toetsingsinkomen en de stopzetting van de KOT in toeslagjaar 2011. Deze laatste wordt nader toegelicht onder het kopje ''Stopzetting van de KOT over toeslagjaar 2011''. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke aanpassingen geven in beginsel geen recht op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om in het geval van belanghebbende hiervan af te
wijken. Ook is er geen sprake geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie, zodat ook op die grond geen aanspraak bestaat op compensatie. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te
verklaren.
Stopzetting van de KOT over toeslagjaar 2011
UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 17 juni 2025 toegelicht dat de KOT vanaf 1 november 2011 door B/T is stopgezet vanwege een melding van uitsluiting van de ''massaal automatische continuering'' (hierna: MAC). De reden hiervoor was dat belanghebbende sinds toeslagjaar 2009 niet had gereageerd op herhaalde verzoeken om informatie. Vanaf toeslagjaar 2012 is het verstrekken van voorschotten voor de KOT volledig stopgezet. Belanghebbende stelt dat hij door B/T vooringenomen is behandeld, omdat er naar aanleiding van het ingezonden antwoordformulier en de MAC-melding geen nader onderzoek is ingesteld.
De Commissie is van oordeel dat belanghebbende over het jaar 2011 niet vooringenomen is behandeld. Hij heeft over de jaren 2009 en 2010 geen informatie verstrekt over de daadwerkelijk gemaakte opvangkosten. Gezien het uitblijven van deze informatie is het begrijpelijk dat B/T op 2 oktober 2011 heeft besloten de automatische continuering van de KOT per 1 november 2011 stop te zetten. Daarbij heeft belanghebbende op het antwoordformulier van 19 oktober 2012 aan B/T doorgegeven dat in 2011 geen gebruik is gemaakt van kinderopvang. De vermelding op het formulier ''en ook geen toeslag ontvangen'' is voor de Commissie niet geheel duidelijk, mede omdat uit het LIC-overzicht
van 2011 blijkt dat in ieder geval tot en met 15 juli 2011 wél KOT is uitbetaald op het rekeningnummer van belanghebbende. Daarna zijn er geen betalingen meer verricht. De Commissie ziet echter in de beantwoording van het antwoordformulier geen aanleiding voor B/T om nader onderzoek te verrichten. Indien belanghebbende daadwerkelijk gebruik had gemaakt van kinderopvang, had het voor de hand gelegen dat ook vraag 4 van het formulier zou zijn ingevuld en voorzien van aanvullende informatie. De Commissie beschouwt de mededeling ''en ook geen toeslag ontvangen'' dan ook niet als een ontkrachting van de conclusie dat er in 2011 geen gebruik is gemaakt van kinderopvang. Daarnaast merkt de Commissie op dat belanghebbende geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de beschikkingen van 10 mei 2013 en 28 mei 2013, waarin is medegedeeld dat de KOT op nihil is gesteld. Daarmee zijn deze beschikkingen vast komen te staan. Hoewel belanghebbende in deze bezwaarprocedure heeft gesteld dat hij in 2011 wel kinderopvang heeft afgenomen, heeft hij deze stelling niet nader onderbouwd. Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.
Instellen van invorderingsmaatregelen
UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 17 juni 2025 toegelicht dat de verrekening van de KOT op 2 juni 2020 met de inkomstenbelastingteruggave over 2019 in de situatie van belanghebbende ongelukkig is geweest. Het herbeoordelingsverzoek van belanghebbende, ingediend op 2 januari 2020, is pas op 11 juni 2020 door UHT geregistreerd. Het pauzeren van invorderingen van KOT gaat pas in op het moment van registratie van het verzoek. Voor de berekening van de compensatie heeft deze verrekening echter geen gevolgen. Belanghebbende voert aan dat B/T ondanks de toeslagenaffaire is doorgegaan met het innen van KOT en dat het verrekenen van de KOT met de teruggave inkomstenbelasting 2019 getuigt van vooringenomenheid.
De Commissie stelt vast dat B/T op grond van artikel 30 van de Algemene wet
inkomensafhankelijke regelingen (Awir) de bevoegdheid heeft om vorderingen te
verrekenen met andere toeslagen of belastingteruggaven, ongeacht het jaar waarop deze betrekking hebben. Het gebruikmaken van deze wettelijke bevoegdheid levert op zichzelf geen institutionele vooringenomenheid op.
In dit geval stelt de Commissie vast dat belanghebbende over het jaar 2011 niet in
aanmerking komt voor compensatie, omdat er sprake was van reguliere aanpassingen van de KOT. Belanghebbende heeft de toeslag voor dat jaar zelf stopgezet, waardoor geen sprake is van vooringenomenheid of hardheid. De verrekening van de KOT over 2011 met de teruggave inkomstenbelasting 2019 is dan ook rechtmatig uitgevoerd. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.
Opname in het FSV-register en discriminatie
De Commissie heeft in de door UHT verstrekte informatie vastgesteld dat
belanghebbende op 7 mei 2013 is opgenomen in het FSV-register. Deze opname had betrekking op mogelijke onregelmatigheden bij de inkomstenheffing over het
belastingjaar 2012. De opmerking op pagina 14 van het Informatie- en
beoordelingsformulier, dat de FSV-opname geen invloed heeft gehad op het
herbeoordelingsverzoek over de jaren 2005 tot en met 2011, acht de Commissie dan ook begrijpelijk.
De Commissie heeft in de onderliggende stukken geen aanwijzingen aangetroffen waaruit blijkt dat in de situatie van belanghebbende over de toeslagjaren 2005 tot en met 2011 sprake is geweest van discriminatie, institutionele vooringenomenheid of een onterechte O/GS-kwalificatie. Hoewel belanghebbende wel op de FSV-lijst stond, was er geen sprake van een strafrechtelijke veroordeling of een vergrijpboete. Er is ook geen individueel fraudedossier aangemaakt, er is geen boete opgelegd en belanghebbende heeft geen O/GS-kwalificatie gekregen.
De Commissie heeft in de RKT-overzichten van 2009 en 2010 wel een opmerking van B/T aangetroffen dat, als gevolg van het uitblijven van een reactie van belanghebbende, de KOT op nihil is gesteld en daarom een ''toezichtactie KOT 2009 en 2010'' is gestart. De oorzaak van deze vermelding houdt echter geen verband met discriminatie.
Gelet op het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.
De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar van belanghebbende tegen de twee beschikkingen van 20 december 2022, met de kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A, ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de proceskosten. Ingevolge artikel 7:15 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden proceskosten alleen vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van de op dit punt heersende rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRVB 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3140, JB 2021/25), is sprake van herroepen in de zin van artikel 7:15 lid 2 Awb als het primaire besluit wordt gewijzigd voor wat betreft het met dat besluit beoogde rechtsgevolg. De aanpassing van de compensatieberekening heeft niet tot gevolg dat belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan compensatie dan de al eerder uitgekeerde € 30.000. De aanpassing van de compensatieberekening heeft wel tot gevolg dat het vertrekpunt voor een eventuele procedure over aanvullende compensatie voor de werkelijke schade verandert. De Commissie is daarom, in lijn met de genoemde rechtspraak en gelet op het systeem van de Wht, van mening dat er sprake is van een wijziging van het rechtsgevolg. Daarom adviseert de Commissie aan UHT om een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- Het bezwaar tegen de beslissing van beslissing van 20 december 2022 gedeeltelijk gegrond te verklaren, in de compensatieberekening de rentevergoeding voor gemiste KOT over de toeslagjaren 2009 en 2010 aan te passen naar € 1.342 en € 1.268, en de aanvullende vergoeding opnieuw te berekenen.
- Het bezwaar tegen de beschikkingen van 20 december 2022 met de volgende
kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren. - Een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter