BAC 2023-11528
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 21 juli 2022 met kenmerken UHT-DC I en UHT-DC I A
Hoorzitting: 4 december 2024
Overdracht advies aan UHT: 28 februari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan
te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door toenmalig gemachtigde en gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag met kenmerken UHT-DC I en UHT-DC I A.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna:
Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van € 39.614,- voor de jaren 2008 en juni tot en met augustus 2011 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010, januari 2011 tot en met mei 2011 en september 2011 tot en met december 2011.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 9 augustus 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2013. UHT heeft de jaren 2008 tot en met 2010 ook herbeoordeeld.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 maart 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2009, 2010 en de maanden januari tot en met mei en september tot en met december 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 21 juli 2022 met kenmerk UHT-DC I
aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €39.614,- voor de jaren 2008 en juni tot en met augustus 2011 en bij de bestreden beschikking van 21 juli 2022 met kenmerk UHT-DC I A geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010, januari 2011 tot en met mei 2011 en september 2011 tot en met december 2011. - Toenmalig gemachtigde heeft bij brief van 11 januari 2023, ingekomen op 18
januari 2023, tegen deze beschikkingen een pro forma bezwaarschrift ingediend.
Op 9 oktober 2023 zijn de bezwaargronden aangevuld door opvolgend
gemachtigde. - UHT heeft op 9 januari 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 4 december 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is
een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd. - UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 21 januari 2025 aanvullende stukken ingediend, namelijk de KOI-viewer over toeslagjaren 2009 tot en met 2011.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 29 januari 2025 het
ouderdossier van belanghebbende overgelegd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, 1e commissielid en 2e commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
De Commissie volgt dat.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten
Het inzagerecht van belanghebbende en de op de zaak betrekking hebbende stukken
Ingevolge artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
UHT heeft gedurende de bezwaarprocedure het bezwaardossier overgelegd. Bij
schriftelijke reactie van 9 januari 2024 heeft zij het dossier aangevuld met productie 25 tot en met 50. Het komt de Commissie voor dat belanghebbende hiermee kan beschikken over de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verzoek van belanghebbende om aan haar het persoonlijk dossier te verstrekken, is door UHT in behandeling genomen. Nu ook het ouderdossier op 29 januari 2025 is gedeeld met gemachtigde en de Commissie, adviseert de Commissie aan UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
De compensatieberekening over toeslagjaar 2008 en over de periode juni tot en
met augustus 2011
Immateriële schadevergoeding
Belanghebbende is het niet eens met de berekende vergoeding voor immateriële schade en stelt dat zij meer schade heeft gehad dan € 500,- per half jaar.
Belanghebbende voert met deze bezwaargrond in wezen aan dat de toekenning van een forfaitaire vergoeding voor (im)materiële schade niet is te verenigen met het evenredigheidsbeginsel. De wetgever heeft echter de keuze gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van forfaitaire vergoedingen, oftewel vergoedingen volgens een vaste norm. De Wht is een wet die door de regering en de Eerste en Tweede Kamer is vastgesteld. Dat heet een wet in formele zin. In de rechtspraak is uitgemaakt dat een wet in formele zin niet kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Zie over dit onderwerp bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. De Wht voorziet wel op een andere manier in een vergoeding van de werkelijke (im)materiële schade. Een belanghebbende kan zich daartoe volgens de wet namelijk wenden tot de Commissie Werkelijke Schade.
Ten aanzien van de berekening van de vergoeding voor de immateriële schade betoogt UHT dat is uitgegaan van de startdatum 28 april 2010 in plaats van 14 mei 2010 (productie 23). De Commissie adviseert aan UHT om wél de datum 28 april 2010 aan te houden als startdatum, omdat volgens het beleid van UHT moet worden uitgegaan van de eerste vooringenomen handeling.
Rente over gemiste kinderopvangtoeslag
UHT erkent dat de rente over gemiste kinderopvangtoeslag (in component o) over
toeslagjaar 2008 niet juist is berekend en onjuist is vastgesteld op € 6.169,-. Bij de
berekening is een onjuiste startdatum gehanteerd, namelijk 28 april 2010. De correcte startdatum voor de berekening moet 1 juli 2009 zijn. De einddatum voor de berekening is vastgesteld op de datum van het primaire besluit van 21 juli 2022 (productie 6). Op grond van de aanpassing moet de rentevergoeding € 6.462,- zijn (productie 42; rentetool 2008). Dit wordt in de beslissing op bezwaar aangepast.
De gemachtigde van belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting te kennen gegeven dat zij met betrekking tot de berekening over 2008 verder geen opmerkingen heeft.
De grondslag in berekeningsjaar 2011
Met betrekking tot de berekening van de compensatie over 2011 heeft belanghebbende verder aangevoerd dat bij component a (de kinderopvangtoeslag voordat de Belastingdienst/Toeslagen deze onterecht naar beneden bijstelde) ten onrechte is uitgegaan van het bedrag van € 3.969,-. Dat had volgens haar €15.876,- moeten zijn.
UHT heeft hierover toegelicht dat de Belastingdienst met de stopzetting per 17 augustus 2011 weliswaar vooringenomen heeft gehandeld maar dat in de periode van januari tot en met mei 2011 en van 17 augustus tot en met december 2011 sprake was van evident geen recht op kinderopvangtoeslag. Uit de gegevens van de KOI viewer blijkt namelijk dat belanghebbende in die periode geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang.
Belanghebbende betwist dat. Bij ontbreken van een jaaropgave is volgens haar niet te controleren of de KOI gegevens juist zijn.
De Commissie volgt belanghebbende niet in haar standpunt. Bij ontbreken van
andersluidende gegevens ziet de Commissie geen aanleiding om de gegevens in de KOI viewer van 2011 voor onjuist te houden. Bovendien sluit het aan bij wat belanghebbende gelet op het Informatie- en Beoordelingsformulier heeft verteld bij de persoonlijk zaaksbehandelaar, namelijk dat de opvang in 2011 (bij haar schoonmoeder) een paar maanden is geweest (1 juni 2011 tot en met 31 juli 2011).
Vergoeding voor juridische hulp
Belanghebbende vraagt zich af waarom aan haar geen compensatie voor de juridische hulp is toegekend, gelet op gevoerde procedures en verwijst in dit kader naar component m van de compensatieberekening.
Op grond van artikel 2.2, onderdeel f, in combinatie met artikel 2.3, zesde lid, van de Wht wordt een forfaitaire vergoeding toegekend voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor zover deze kosten niet eerder zijn vergoed. De kosten worden vastgesteld op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij een wegingsfactor twee wordt toegepast.
De Commissie overweegt dat uit het dossier niet is gebleken dat belanghebbende
juridische hulp heeft gehad.
Gevolgen van wat hiervoor is overwogen op de berekening van de immateriële
schadevergoeding en de aanvullende vergoeding van 1%
Nu het bezwaar gegrond is, wordt voor de berekening van de vergoeding voor
immateriële schade de datum van de nog te nemen beslissing op bezwaar als einddatum gehanteerd. Ook zal de aanvullende vergoeding van 1% worden aangepast in de nieuwe compensatieberekening. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal adviseren dat UHT inderdaad tot de door haar genoemde aanpassingen over gaat.
Beoordeling afwijzing over toeslagjaren 2009 en 2010
Belanghebbende stelt dat zij mogelijk gedupeerd is in de toeslagjaren 2009 en 2010 en vraagt zich af waarom deze toeslagjaren niet in de beoordeling zijn meegenomen.
Toeslagjaar 2009
UHT stelt zich op het standpunt dat de Belastingdienst/Toeslagen in toeslagjaar 2009 niet vooringenomen heeft gehandeld. In dat jaar is de kinderopvangtoeslag automatisch gecontinueerd. Met een beschikking van 11 december 2008 is het voorschot berekend op € 27.941,- voor het gehele jaar. De neerwaartse bijstelling op 12 november 2009 naar een bedrag van € 18.860,- was het directe gevolg van de verwerking van informatie die de Belastingdienst/Toeslagen van de gemeente heeft ontvangen. Uit de BRP-gegevens bleek namelijk dat belanghebbende per 4 september 2009 ingeschreven was op Curaçao (productie 32). Op 1 november 2010 heeft belanghebbende een jaaropgave van de kinderopvang overgelegd (productie 30), waarop stond dat over heel 2009 kinderopvang was genoten. Daarna heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot met een beschikking van 22 december 2011 gesteld op een bedrag van € 27.971,- (productie 29). In de definitieve beschikking van 20 maart 2012 is dit bedrag vastgesteld.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat de neerwaartse bijstelling op 12 november 2009 getuigt van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen. Deze neerwaartse bijstelling was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van een reguliere wijziging opnieuw is berekend. Deze bijstelling was conform de wet uitgevoerd.
Belanghebbende heeft verder gesteld dat haar een compensatie toekomt omdat de Belastingdienst/Toeslagen pas op 20 maart 2012 de definitieve beschikking heeft genomen. Daarmee was gelet op het bepaalde in artikel 19 van de Awir sprake van een termijnoverschrijding bij het nemen van deze definitieve beschikking. Over het jaar 2009 was sprake van een terugvordering en invordering. Dat deze terugvordering later gedeeltelijk is teruggedraaid, doet daar niet aan af.
De Commissie stelt vast dat dat de duur tussen de eerste voorschotbeschikking en de definitieve beschikking van 3 jaar en 3 maanden beslaat. Het is duidelijk dat dit te laat was. Een lange duur tot vaststelling van de definitieve beschikking is op zichzelf echter onvoldoende om te oordelen dat sprake is geweest van vooringenomenheid. De lange duur tot vaststelling van een definitieve beschikking kan in combinatie met andere omstandigheden wel tot de conclusie vooringenomenheid leiden. Daarbij kan gedacht worden aan de situatie waarin de ouder vanwege de wachttijd niet meer in staat is geweest om kinderopvang af te nemen of waarin de kinderopvanginstelling de opvang heeft stil gezet wegens het niet meer ontvangen van gelden. In deze zaak doen zich dergelijke omstandigheden niet voor. Vaststaat immers dat belanghebbende in de periode van 4 september 2009 tot en met 22 september 2010 niet in Nederland verbleef.
Zij had dus in die periode in het geheel geen recht op kinderopvangtoeslag. Daarom ziet de Commissie geen aanleiding om belanghebbende te volgen in deze bezwaargrond. De Commissie volgt UHT verder in het standpunt dat in dit geval geen aanspraak bestaat op compensatie vanwege hardheid van het stelsel.
Toeslagjaar 2010
UHT heeft toegelicht dat volgens haar de Belastingdienst/Toeslagen over dit jaar niet vooringenomen heeft gehandeld. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aanvankelijk op 22 oktober 2010 een voorschot toegekend van € 16.497,-. Belanghebbende heeft in dat jaar driemaal voor twee van haar kinderen opeenvolgend als kinderopvanginstelling per 1 januari 2010 doorgegeven kinderopvanginstelling X, kinderopvanginstelling Y en per 1 februari 2010 kinderopvanginstelling Z. Vanwege een melding op 21 januari 2011 van kinderopvanginstelling Z dat geen opvang was afgenomen in 2010, heeft de Belastingdienst/Toeslagen op 25 februari 2011 (en daarna op: 19 oktober 2011) nihil beschikt. UHT ziet hierin geen vooringenomenheid: de Belastingdienst/Toeslagen heeft beschikkingen genomen als direct gevolg van de melding dat geen kinderopvang is afgenomen.
Belanghebbende heeft op de hoorzitting het volgende aangevoerd. Zij kent niet de
namen van de genoemde kinderopvanginstellingen. Vanaf 1 oktober 2010 heeft zij haar kinderen voor opvang naar een gastouder gebracht; deze gastouder is haar ex
schoonmoeder. Belanghebbende heeft tot september 2010 op Curaçao gewoond. Zij is toen weer naar Nederland gekomen en heeft met de gemeente overlegd dat zij een opleiding zou gaan volgen. Zij heeft een aanvraag voor kinderopvang ingediend via een gastouderbureau. De gemeente heeft over de maanden oktober, november en december een gemeentelijke bijdrage betaald. Gezien het LIC overzicht is er over dat jaar niks uitbetaald. Dat was in de praktijk ook merkbaar: de ex schoonmoeder heeft de opvang gestopt omdat zij niets uitbetaald kreeg. Dat is zelfs een grote ruzie geworden.
De Commissie overweegt dat belanghebbende geen stukken heeft overgelegd die haar stelling met betrekking tot de opvang onderbouwen. Pas op 1 juni 2011 is door een derde een aanvraag gedaan voor kinderopvangtoeslag (productie 47). Daarom heeft de Commissie onvoldoende in handen om er van uit te gaan dat in de periode oktober tot en met december 2010 sprake is geweest van een aanvraag voor kinderopvangtoeslag en van kinderopvang. De KOI-viewer van 2010 toont ook geen opvanggegevens.
Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat zij door de directe verrekeningen in 2010 in de problemen is gekomen. Dat biedt volgens haar ook een grond voor compensatie.
UHT stelt zich op het standpunt dat Belastingdienst/Toeslagen op grond van artikel 30 Awir bevoegd was tot het verrekenen van een verschuldigd bedrag aan terugvordering met een uit te betalen voorschot.
De Commissie overweegt dat hoewel het voor belanghebbende onwenselijk is geweest, het verrekenen van een terechte terugvordering geen compensatie op grond van hardheid oplevert. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever zulke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wet hersteloperatie toeslagen wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting.
Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de
terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (te vinden in: Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat voor eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever nodig is (te vinden in: Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14).
Ook een verrekening na een terugvordering ten aanzien waarvan wel gedupeerdheid vaststaat wegens vooringenomenheid of hardheid en op grond waarvan een belanghebbende compensatie heeft ontvangen, levert geen grond voor compensatie op. Als een belanghebbende al een compensatie heeft ontvangen, geldt namelijk het volgende. In de berekening van het compensatiebedrag is het bedrag aan verrekeningen al begrepen. De verrekeningen op zichzelf houden daarom geen aparte schadepost in.
Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij een verzoek daartoe indienen bij de Commissie Werkelijke Schade.
Tegemoetkoming op grond van artikel 2.6, Wht
Vaststaat dat geen sprake is geweest van een zogenoemde O/GS-kwalificatie (productie 51). Belanghebbende stelt dat aan haar een betalingsregeling is geweigerd, terwijl zij een verzoek daartoe met behulp van haar maatschappelijk werker heeft ingediend.
UHT stelt dat zij geen stuk heeft aangetroffen waarin een dergelijk verzoek is neergelegd en ook uit andere omstandigheden is deze stelling van belanghebbende niet aannemelijk geworden.
De Commissie heeft ook niet voldoende aanknopingspunten gevonden om hierover anders dan UHT te oordelen. Het verhaal van belanghebbende tijdens de hoorzitting is vrij vaag en biedt niet voldoende aanknopingspunten om aannemelijk te achten dat de Belastingdienst/Toeslagen (in een bepaalde periode) een verzoek van of namens haar om een betalingsregeling heeft afgewezen.
De periode van 1 januari 2011 tot en met 31 mei 2011 en van 17 augustus 2011
tot en met 31 december 2011
In wat hiervoor is beschreven, is deze periode al aan bod gekomen. UHT heeft toegelicht dat de Belastingdienst/Toeslagen in 2011 vooringenomen heeft gehandeld door zonder uitvraag bij belanghebbende, de Kinderopvangtoeslag per 17 augustus 2011 nihil te stellen. Belanghebbende heeft echter van januari tot en met mei en van 17 augustus tot en met december 2011 geen opvang afgenomen. Daarom had zij in die maanden evident geen recht op kinderopvangtoeslag. In het vorenstaande heeft de Commissie al hierover overwogen. Zij volstaat op deze plek met een verwijzing naar die overwegingen.
Overige bezwaargronden
Code 'HOTHOR' / discriminatie
Belanghebbende stelt dat door toepassing van het HOTHOR vooringenomen is gehandeld, er sprake is van discriminatie en in strijd is gehandeld met artikel 1 en 10 van de Grondwet en artikelen 8 EVRM, 14 IVBPR en Protocol 12 van het EVRM.
De Commissie overweegt hierover het volgende. HOTHOR staat voor: hoge toeslag/hoog risico. Het kan zo zijn dat uit de stukken blijkt dat de Belastingdienst/Toeslagen aan een aanvraag het kenmerk 'HOTHOR' heeft toegevoegd. UHT heeft hierover uitgelegd dat dit kenmerk geautomatiseerd werd toegevoegd in situaties waarin sprake was van een laag inkomen en dus recht op een relatief hoog bedrag aan toeslagen. Dit kenmerk had tot gevolg dat een extra handmatige controle plaatsvond. Het doel van deze extra controles was gelegen in het voorkomen dat ouders met hoge terugvorderingen zouden worden geconfronteerd. Een uitvraag of controle als gevolg van het door de Belastingdienst/Toeslagen gegeven kenmerk HOTHOR maakt wel dat goed moet worden gekeken of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar houdt dat niet persé in. Daarvoor is nodig dat er meer aanwijzingen zijn in de stukken. Dergelijke aanwijzingen zijn onvoldoende aannemelijk geworden.
Overschrijding beslistermijn beslissing op bezwaar
Belanghebbende stelt dat de uiterlijke termijn om een beslissing op bezwaar te nemen, namelijk 18 weken na 11 januari 2023, tot een einde is gekomen en verzoekt de Commissie daarom om advies uit te brengen over de aan Belastingdienst/Toeslagen op te leggen gevolgen van de termijnoverschrijding.
UHT stelt zich op het standpunt dat de overschrijding van de beslistermijn niet een van de kenmerken betreft van vooringenomenheid en daarom buiten de reikwijdte van de Wht valt.
De Commissie constateert dat belanghebbende op 4 september 2023 een beroep wegens het niet tijdig beslissen heeft ingediend. Daarom zal de Commissie dit punt verder niet in overweging nemen.
Herberekenen van de kinderopvangtoeslag
Belanghebbende betoogt dat UHT de hoogte van de kinderopvangtoeslag niet achteraf herberekent als achteraf bezien een beschikking niet juist is. Tegelijkertijd wordt door UHT wel naar het verleden gekeken in het geval dat sprake is van evident geen recht, en er volgens UHT in bepaalde maanden geen recht zou hebben bestaan op kinderopvangtoeslag. Belanghebbende verzoekt de Commissie om hierover een lijn uit te zetten in haar advies.
De Commissie overweegt dat een bezwaar dat inhoudt dat de kinderopvangtoeslag in het verleden onjuist is vastgesteld, buiten de reikwijdte van de Wht valt.
Deze wet is immers bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een weigering van een betalingsregeling. Volgens de Wet hersteloperatie toeslagen moet dus eerst worden getoetst of de Belastingdienst/Toeslagen in het verleden vooringenomen of hard heeft gehandeld. Als dat zo is, kán het zo zijn dat een ouder toch geen recht heeft op compensatie als er sprake is van 'ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn' (zo staat het in 2.2, lid 2, Wet hersteloperatie toeslagen). Te denken valt aan de situatie dat de ouder niet werkte, studeerde of re integreerde. Of: er is helemaal geen opvang afgenomen. Of: de kinderopvanginstelling was niet geregistreerd. Als ernstige onregelmatigheden niet aan de ouder toerekenbaar zijn, bestaat er volgens
de wet weer wél recht op compensatie. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij fraude door derden of als de ouder niet kon weten dat de kinderopvanginstelling niet meer geregistreerd stond. Dat houdt dus in dat in de Wht is voorzien in een toets zoals hiervoor omschreven. Een eventuele andere omissie in het verleden kan alleen met een verzoek om herziening worden hersteld. De Wet hersteloperatie toeslagen is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en ziet niet op de herziening van definitieve kinderopvangtoeslag beschikkingen.
De Commissie geeft UHT in overweging om met belanghebbende te bespreken wat de bedoeling is van haar bezwaargrond: wil zij inderdaad een verzoek om herziening indienen? Als dat inderdaad het geval is, adviseert de Commissie UHT om ervoor te zorgen dat dat verzoek door het juiste onderdeel van de Dienst Toeslagen in behandeling wordt genomen.
Werkelijke schade
Belanghebbende betoogt dat zij veel meer schade heeft geleden dan nu gecompenseerd is. De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade bestemd. Belanghebbende heeft op de hoorzitting verteld dat zij inmiddels een procedure bij de Commissie Werkelijke Schade aanhangig heeft gemaakt.
Proceskostenvergoeding
Op grond van het Besluit proceskosten heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (1 bezwaarschrift en verschijnen ter hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- De compensatieberekening als volgt aan te passen;
- de rentevergoeding voor gemiste kinderopvangtoeslag voor het jaar 2008
en de maanden juni tot en met augustus 2011 aan te passen; - de vergoeding voor immateriële schade te berekenen vanaf 28 april 2010
tot de datum van de beslissing op bezwaar; - de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen.
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
- de rentevergoeding voor gemiste kinderopvangtoeslag voor het jaar 2008
De secretaris De Voorzitter