BAC 2023-11500
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 16 januari 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: In deze zaak heeft de hoorzitting plaatsgevonden op 22 augustus 2025
Overdracht advies aan UHT: 23 september 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT
genomen definitieve beschikking compensatie KOT. Aan belanghebbende is met
toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie
toegekend. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als de bestreden beschikking.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 11 mei 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
van belanghebbende op 3 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
vermeld dat volgens de vaststelling van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de
B/T) op naam van belanghebbende nooit kinderopvangtoeslag (KOT) is
aangevraagd, terwijl aan haar ook nooit KOT is toegekend of bij haar KOT is
teruggevorderd. De CvW heeft geen aanwijzingen gevonden dat de gegevens van de B/T onjuist of onvolledig zijn, en zij heeft geconcludeerd dat er op basis van de aanwezige stukken geen aanleiding is om belanghebbende een compensatie toe te kennen op basis van de Wht. - UHT heeft bij de bestreden beschikking (de uitkomst van de integrale beoordeling) aan belanghebbende meegedeeld dat geen recht bestaat op compensatie.
- Gemachtigde heeft bij brief van 20 januari 2023, ingekomen op 20 januari 2023,
tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. - UHT heeft op 23 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Bij brief van 2 juli 2025 heeft de voorzitter van de Commissie aan
belanghebbende bericht dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken lijkt
te volgen dat nooit KOT is aangevraagd en dat ook nooit KOT is toegekend,
teruggevorderd of verrekend. - Bij diezelfde brief heeft de voorzitter van de Commissie aan belanghebbende bericht dat de Commissie vooralsnog vindt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en dat zij het plan heeft om gebruik te maken van haar bevoegdheid te adviseren zonder belanghebbende te horen. Voor het geval belanghebbende het daarmee oneens zou zijn, is die bij diezelfde brief in de gelegenheid gesteld om gemotiveerd te laten weten waarom een hoorzitting wel aan de orde zou zijn.
- Gemachtigde heeft bij brief van 14 juli 2025 het bezwaarschrift aangevuld en
toegelicht waarom een hoorzitting volgens belanghebbende wel noodzakelijk is. - De Commissie heeft belanghebbende op 22 augustus 2025 gehoord op haar
bezwaar. - Op verzoek van de Commissie heeft UHT op 22 augustus 2025 haar aanvullende
beschouwing van 20 augustus 2025 aan de Commissie en gemachtigde
overgelegd. - Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gemachtigde niet gereageerd op de aanvullende beschouwing van UHT en heeft hij ook geen antwoord gegeven op vragen van de Commissie.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, 1e commissielid en 2e commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet ter discussie staat dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen die tot dit advies hebben geleid
De Commissie moet advies uitbrengen over de vraag of UHT terecht en op goede
gronden het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming heeft afgewezen.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Nu aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt, is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting van het bestuursorgaan om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikking en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit.
Motivering, zorgvuldigheid en aannemelijk maken
Belanghebbende heeft betoogd dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de vraag of de B/T vooringenomen heeft gehandeld en dat ook de hardheidsclausule onvoldoende is getoetst. Verder voert belanghebbende aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de O/GS-regeling en dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd. De Commissie overweegt dat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken volgt dat aan belanghebbende nooit KOT is toekend, terwijl evenmin KOT van belanghebbende is teruggevorderd of bij haar is verrekend met andere toeslagen of dat een verzoek is gedaan voor een persoonlijke betalingsregeling. Hierdoor kan geen sprake zijn van vooringenomenheid, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie. In haar beschouwing en aanvulling daarop heeft UHT dit op een begrijpelijke en controleerbare wijze uitgelegd, terwijl de Commissie ook geen aanknopingspunten heeft gevonden die erop zouden kunnen wijzen dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen is.
Nu belanghebbende niet de informatie heeft verschaft waar de Commissie op de
hoorzitting om heeft gevraagd, en ook niet meer heeft gereageerd op de aanvullende beschouwing van UHT, bestaat geen recht op toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in de Wht. De Commissie wijst in dit kader op de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 25 september 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9426. Uit die uitspraak volgt dat de ''bewijslast'' voor het recht op compensatie bij de aanvrager van de compensatie ligt. De enkele stelling dat KOT is aangevraagd, is onvoldoende; belanghebbende moet aannemelijk maken dat KOT is aangevraagd. In dat laatste is belanghebbende niet
geslaagd. Bij deze stand van zaken kan het bezwaarschrift er dus niet toe leiden dat
belanghebbende alsnog in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht.
Tot besluit merkt de Commissie nog op de Wht uitsluitend betrekking heeft op aan KOT te relateren gebeurtenissen: dit sluit niet uit dat belanghebbende andere, met het toeslagenstelsel samenhangende problemen heeft ondervonden. Deze vallen echter buiten de reikwijdte van deze bezwaarprocedure.
Conclusie
De Commissie adviseert UHT het bezwaar ongegrond te verklaren.
De secretaris,
De voorzitter,