BAC 2023-11497
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluiten: 13 december 2022 met de kenmerken UHT-DCHA en UHT-O OGS B
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 10 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de volgende twee beschikkingen van UHT van 13 december 2022:
- Definitieve beschikking beoordeling kinderopvang met kenmerk UHT-DCHA
- Definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS) met kenmerk UHT-O OGS B
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) over de jaren 2011 tot en met 2015 geen compensatie toegekend op grond van vooringenomenheid dan wel de hardheidsregeling. Belanghebbende heeft voor toeslagjaar 2015 wel recht op een O/GS-tegemoetkoming ter grootte van € 3.060. Op grond van de Catshuisregeling is de totale vergoeding aangevuld tot € 30.000.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 9 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 en 2015. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is besloten de beoordeling uit te breiden naar de jaren 2011 tot en met 2015.
- UHT heeft bij besluit van 21 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 21 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2011 tot en met 2015 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Belanghebbende komt voor toeslagjaar 2015 wel in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming.
- UHT heeft met de eerste bestreden beschikking van 13 december 2022 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2015.
- UHT heeft met de tweede bestreden beschikking van 13 december 2022 met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een tegemoetkoming toegekend van € 3.060. Op grond van de Catshuisregeling is dit bedrag aangevuld tot €30.000.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 januari 2023 tegen de twee bestreden beschikkingen een voorlopig bezwaarschrift ingediend. Op 21 september 2023, 15 oktober 2025 en 15 december 2025 heeft gemachtigde haar bezwaren aangevuld.
- UHT heeft op 2 juni 2025 en 8 januari 2026 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 15 december 2025 heeft de gemachtigde de Commissie verzocht de zaak op de stukken af te doen. De Commissie ziet daarom, op grond van artikel 7:3, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), af van het horen van belanghebbende.
- Op 26 januari 2026 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingebracht.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie zal eerst ingaan op de volgende (algemene) bezwaargronden van belanghebbende:
- gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT;
- geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier;
- het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel;
- het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir);
- registratie van de kinderopvanginstelling;
- beslissen op bezwaar;
- gebruik van informatie uit de KOI-viewer;
- opname op de FSV-lijst;
- opzet/grove schuld (hierna: O/GS)-kwalificatie;
- code HOTHOR;
- discriminatie;
- beoordeling per jaar;
- hoogte van de KOT;
- uitleg (motivering) verrekeningen door UHT onvoldoende;
- vergoeding van aanvullende schade.
Gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT
De belanghebbende verzoekt de Commissie advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen gevolgen van het overschrijden van de voor UHT geldende (beslis)termijnen. De Commissie gaat aan dit verzoek voorbij, omdat beoordeling van de door UHT gehanteerde termijnen van beslissen buiten het kader van de bevoegdheden van de Commissie valt. Uit artikel 3 van het Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen volgt dat de Commissie een adviserende taak heeft die beperkt is tot bezwaren tegen beschikkingen die zijn genomen op grond van de Wht. Klachten of geschillen die uitsluitend zien op de overschrijding van de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar vallen buiten deze taak. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.
Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over alle benodigde informatie om de bestreden beschikkingen te kunnen controleren. Zij heeft namelijk niet de beschikking over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier en/of het volledige bezwaardossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende op 2 juli 2025 toegezonden.
Met de aanvullende beschouwing van 26 januari 2026 zijn aan het bezwaardossier de producties 60 tot en met 67 toegevoegd.
De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier of aanvullende stukken moeten worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat – bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende.
Gelet op het vorenstaande treft deze bezwaargrond geen doel.
Het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikking onvoldoende inzichtelijk is gemotiveerd en op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Volgens belanghebbende heeft UHT voorafgaand aan de bestreden beschikking haar zienswijze niet aan Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) kenbaar kunnen maken en dat is in strijd met de Wht.
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van zowel de motivering van de twee bestreden beschikkingen als de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de beschikkingen op uitvoerige en overtuigende wijze heeft gemotiveerd. Met de beschouwingen van 2 juni 2025 en 26 januari 2026 heeft UHT een uitgebreide toelichting gegeven, onder meer aan de hand van de LIC- en SAS-overzichten en overige relevante stukken. Daarbij heeft UHT rekening gehouden met het persoonlijk verhaal van belanghebbende en het oordeel van de CvW, voordat de bestreden beschikkingen werden genomen. Deze documenten maken tevens deel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
De Commissie overweegt dat het ontbreken van een vooraankondiging of de mogelijkheid om vooraf een zienswijze in te dienen bij het nemen van een primaire beschikking niet zonder meer leidt tot onrechtmatigheid van dat besluit. Doorslaggevend is of dit eventuele gebrek in de bezwaarprocedure alsnog volledig is hersteld. Daarbij dient de belanghebbende daadwerkelijk en in voldoende mate in de gelegenheid te zijn gesteld om haar standpunt naar voren te brengen en haar belangen toe te lichten.
In dit geval stelt de Commissie vast dat belanghebbende met de indiening van de bezwaarschriften van 23 januari 2023, 21 september 2023, 15 oktober 2025 en 15 december 2025 herhaaldelijk en uitvoerig de gelegenheid heeft gehad om haar argumenten naar voren te brengen. Daarnaast is belanghebbende de mogelijkheid geboden om te worden gehoord, waarvan zij uitdrukkelijk heeft afgezien. Gelet hierop is de Commissie van oordeel dat belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld haar standpunten kenbaar te maken en dat het ontbreken van een vooraankondiging of zienswijze voorafgaand aan de primaire beschikking in de bezwaarprocedure afdoende is hersteld.
De bezwaargrond treft gelet op het voorgaande geen doel.
Het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir)
Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de aan belanghebbende toekomende KOT, maar dat B/T dit niet heeft gedaan.
De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
Registratie van de kinderopvanginstelling
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.
De Commissie stelt vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. Over toeslagjaar 2015 in het bijzonder merkt de Commissie op dat belanghebbende gebruik maakte van een KOI die vanaf 17 maart 2015 niet meer geregistreerd stond. Als gevolg hiervan zou de KOT vanaf deze datum worden stopgezet omdat voor het recht op KOT een geldige LRK-registratie noodzakelijk is. Doordat belanghebbende op het antwoordformulier van 18 oktober 2016 opgaf dat over geheel 2015 geen gebruik is gemaakt van kinderopvang is het belang van het ontbreken van de registratie vanaf 17 maart 2015 komen te ontvallen. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Beslissen op bezwaar
Belanghebbende heeft aangevoerd dat het niet beslissen op bezwaren die in de herbeoordeelde jaren door belanghebbende zijn gemaakt, vooringenomen handelen oplevert.
De Commissie stelt vast dat een dergelijke situatie zich in het geval van belanghebbende niet heeft voorgedaan en zodat deze bezwaargrond geen doel treft.
Gebruik van informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de KOI-viewer in te vullen.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat B/T aan de informatie uit de KOI-viewer had behoren te twijfelen. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Opname op de FSV-lijst
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken. UHT heeft in de beschouwing van 26 januari 2025 verwezen naar de FSV-Sanctie check. Uit deze check blijkt dat belanghebbende niet op de FSV-lijst is opgenomen. Daarmee heeft UHT aannemelijk gemaakt dat er niet meer informatie verschaft kan worden zodat daarmee deze bezwaargrond geen doel treft.
O/GS-kwalificatie
UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 26 januari 2026 gewezen op het O/GS-document. Uit dit document blijkt dat uitsluitend over toeslagjaar 2015 sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie. De Commissie is van oordeel dat UHT hiermee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende alleen over dit toeslagjaar voldeed aan de voorwaarden voor een O/GS-kwalificatie.
Over de toeslagjaren 2013, 2014 en 2016 voldeed belanghebbende niet aan de voorwaarden voor een O/GS-tegemoetkoming, omdat over deze jaren met belanghebbende een betalingsregeling is getroffen. De Commissie wijst in dit verband op de brief van 15 juni 2016. Belanghebbende heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat over deze jaren wél aan de voorwaarden is voldaan, zodat deze bezwaargrond geen doel treft.
Code HOTHOR
Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat sprake is geweest van vooringenomenheid vanwege een HOTHOR-registratie in 2014. De Commissie volgt dit standpunt niet.
HOTHOR staat voor: hoge toeslag/hoog risico. Het kan zo zijn dat uit de stukken blijkt dat B/T aan een aanvraag het kenmerk ‘HOTHOR’ heeft toegevoegd. Dit kenmerk werd geautomatiseerd toegevoegd in situaties waarin sprake was van een laag inkomen en dus recht op een relatief hoog bedrag aan toeslagen. Dit kenmerk had tot gevolg dat een extra handmatige controle plaatsvond. Het doel van deze extra controles was gelegen in het voorkomen dat ouders met hoge terugvorderingen zouden worden geconfronteerd. Een uitvraag of controle als gevolg van het door B/T gegeven kenmerk HOTHOR maakt wel dat goed moet worden onderzocht of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar houdt dat niet per sé in. Daarvoor is nodig dat er meer aanwijzingen zijn in de stukken. Dergelijke aanwijzingen zijn onvoldoende aannemelijk geworden. Daarbij komt dat UHT heeft toegelicht dat het accepteren van het kenmerk HOTHOR niet ertoe heeft geleid dat correctie van de KOT noodzakelijk was. De Commissie adviseert UHT dan ook om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Discriminatie
De Commissie overweegt dat voor toekenning van compensatie wegens discriminatie, vooringenomenheid of onbillijke hardheid concreet moet worden aangetoond dat het bestuursorgaan onzorgvuldig heeft gehandeld of in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur is opgetreden. Daarbij dient aannemelijk te worden gemaakt dat dit handelen daadwerkelijk tot schade heeft geleid. Het enkele bestaan van een risicoprofiel, een intern signaal of een intensievere controle vormt op zichzelf onvoldoende grond voor compensatie. Vereist is dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen het handelen van het bestuursorgaan en een nadelige beslissing of situatie voor belanghebbende.
In het onderhavige geval heeft belanghebbende weliswaar gesteld dat zij is gediscrimineerd, maar deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd met concrete feiten, omstandigheden of stukken. De Commissie merkt daarbij op dat van degene die zich op deze gronden beroept mag worden verwacht dat dit standpunt deugdelijk wordt gemotiveerd.
Gelet op het voorgaande acht de Commissie deze bezwaargrond ongegrond.
Beoordeling per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders.
De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Gelet op deze overweging treft deze bezwaargrond geen doel.
Hoogte van de KOT
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van (de gevolgen van) vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en geen betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Uitleg (motivering) verrekeningen door UHT onvoldoende
Belanghebbende voert ook aan dat zij onvoldoende inzicht heeft gekregen in de wijze waarop de terugvorderingen van de KOT en de daarop volgende verrekeningen hebben plaatsgevonden.
De Commissie overweegt dat B/T bij de vaststelling van betalingen en verrekeningen in beginsel mag uitgaan van de in de systemen opgenomen LIC-overzichten, mits deze voldoende inzichtelijk en navolgbaar zijn gemaakt. Dergelijke overzichten worden aangemerkt als een betrouwbare weergave van de financiële afwikkeling van toeslagen.
Van belanghebbende mag worden verwacht dat zij, indien zij de juistheid van deze overzichten betwist, dit onderbouwt met concrete en verifieerbare gegevens waaruit blijkt dat de weergegeven betalingen of verrekeningen onjuist zijn. Een algemene betwisting, zonder aanwijzing van specifieke fouten of onderliggende bewijsstukken, is daarvoor onvoldoende.
Nu in bezwaar geen concrete aanknopingspunten zijn aangedragen die de juistheid van de LIC-overzichten in twijfel trekken, ziet de Commissie geen aanleiding om aan de juistheid van deze overzichten te twijfelen en mocht B/T bij de beoordeling daarvan uitgaan.
Op grond van het voorgaande treft deze bezwaargrond geen doel.
Voor aanvullende schade naar CWS
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade bestemd.
De toeslagjaren 2011 tot en met 2015
De Commissie ziet zich voorts gesteld voor de vraag of op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2011 tot en met 2015 af te wijzen.
Toeslagjaar 2011
De Commissie overweegt dat voor het toekennen van compensatie vereist is dat aannemelijk wordt gemaakt dat daadwerkelijk KOT is aangevraagd of ontvangen. Indien niet is gebleken van een aanvraag en er geen beschikkingen bekend zijn, kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van een recht op KOT, zodat compensatie niet aan de orde is. In dit geval heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat voor het toeslagjaar 2011 een aanvraag voor KOT is ingediend. Daarmee ontbreekt een noodzakelijke voorwaarde voor het toekennen van compensatie over dat jaar.
Toeslagjaar 2012
De Commissie overweegt dat in het toeslagjaar 2012 geen neerwaartse bijstelling of terugvordering van de KOT heeft plaatsgevonden. Daarmee is geen sprake van schade in de zin van de Wht. Zowel de wet als vaste beoordelingsmaatstaven vereisen dat daadwerkelijk financieel nadeel is geleden als gevolg van een besluit van B/T om aanspraak te kunnen maken op compensatie. De hardheidsclausule is in dit geval niet van toepassing, nu deze uitsluitend ziet op situaties waarin sprake is van reële en aantoonbare financiële nadelen. Compensatie op grond van vooringenomenheid of hardheid is derhalve uitgesloten.
Voorts leidt de Commissie uit de melding in de tijdlijn van het informatie- en beoordelingsformulier af dat B/T de betaling van de KOT over de maand maart 2012 zou uitvoeren, mits het Terugvordering/Formulier Onderzoek (TERFO) door belanghebbende werd geretourneerd. Na deze melding heeft, zoals reeds eerder is vastgesteld, geen neerwaartse bijstelling van de KOT plaatsgevonden.
Toeslagjaar 2013
Belanghebbende voert aan dat B/T bij de vaststelling van KOT is uitgegaan van informatie uit de KOI-viewer. Uit deze KOI-viewer volgt dat tot en met 16 juli 2013 kinderopvang is afgenomen en daarna niet meer. Belanghebbende stelt dat zij over het gehele jaar 2013 kinderopvang heeft afgenomen. UHT stelt daartegenover dat uit informatie die is ontvangen van de kinderopvanginstelling blijkt dat belanghebbende slechts tot 16 juli 2013 gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Belanghebbende stelt dat voorafgaand aan de neerwaartse bijstelling geen uitvraagbrieven zijn verzonden en ziet hierin een aanwijzing voor vooringenomen handelen. UHT beaamt dat de uitvraagbrieven niet zijn verzonden wat duidt op vooringenomen handelen, maar stelt zich op het standpunt dat belanghebbende evident geen recht had op KOT en daarom geen aanspraak heeft op compensatie.
Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wht komt een ouder in aanmerking voor compensatie indien aannemelijk is dat de vaststelling van de aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van institutioneel vooringenomen handelen door B/T. Op grond van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht blijft toekenning van compensatie achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Hiervan is onder meer sprake indien een belanghebbende evident geen recht had op KOT.
De Commissie is aldus van oordeel dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T, maar dat geen ruimte is voor compensatie nu het standpunt van UHT dat er slechts opvang is geweest tot en met 16 juli 2013, voldoende aannemelijk is. Deze opvangperiode blijkt immers uit de KOI-viewer en belanghebbende heeft geen concrete aanknopingspunten geboden waaruit zou kunnen volgen dat in het gehele toeslagjaar 2013 opvang is genoten.
In uitzonderlijke situaties kan sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende heeft verkeerd in zodanige uitzonderlijke omstandigheden. Belanghebbende komt voor het toeslagjaar 2013 derhalve niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.
Toeslagjaar 2014
Belanghebbende voert aan dat de KOT is stopgezet omdat niet op een informatieverzoek zou zijn gereageerd. Zij stelt dat zij meerdere malen informatie aan B/T heeft verstrekt, waarna de KOT uiteindelijk alsnog voor haar twee kinderen is toegekend. Volgens belanghebbende heeft zij hierdoor over de maanden maart tot en met augustus 2014 de kosten voor kinderopvang zelf moeten dragen, hetgeen heeft geleid tot financiële problemen.
UHT stelt daartegenover dat belanghebbende niet volledig heeft gereageerd op de informatieverzoeken van B/T van 15 april 2014 en 9 juni 2014. Op 24 juli 2014 heeft de kinderopvanginstelling de ontbrekende informatie, bestaande uit facturen, betaalbewijzen en documenten van DUO waaruit blijkt dat belanghebbende een opleiding volgt, aan B/T verstrekt. Op basis daarvan was B/T in staat de KOT opwaarts bij te stellen tot een bedrag van € 21.809.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2014 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat de regelgeving in dit geval tot bijzondere hardheid heeft geleid. De neerwaartse bijstelling van de KOT over 2014 was gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. Dit voorschot is naar aanleiding van reguliere wijzigingen opnieuw berekend, omdat uit informatie uit de KOI-viewer is gebleken dat het voorschot te hoog was vastgesteld. Op basis daarvan is de KOT neerwaarts bijgesteld van €21.809 naar € 15.704.
De Commissie merkt daarbij op dat belanghebbende tegen deze neerwaartse bijstelling, zoals vastgelegd in de beschikking van 27 mei 2016, geen bezwaar heeft gemaakt. De inhoud van die beschikking staat daarmee vast. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een hardheidstegemoetkoming. De Commissie ziet geen aanleiding om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Evenmin is sprake geweest van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld, zodat ook op die grond geen recht bestaat op compensatie.
Ten aanzien van de bezwaren van belanghebbende merkt de Commissie voorts op dat B/T naar aanleiding van de brief van 9 juni 2014 geen gevolg heeft gegeven aan een stopzetting van de KOT. Uit het LIC-overzicht over 2014 blijkt dat B/T de KOT, ondanks deze mededeling, ongewijzigd en maandelijks is blijven uitbetalen op de rekening van belanghebbende. Daarnaast volgt uit dit overzicht dat het na de neerwaartse bijstelling resterende bedrag van € 6.279 in het kader van de hersteloperatie toeslagen administratief is verwijderd.
Toeslagjaar 2015
Belanghebbende stelt dat de kinderopvanginstelling vanaf 17 maart 2015 niet langer beschikte over een geldige LRK-registratie. Zij geeft aan hierdoor onder druk te zijn gezet om een andere kinderopvanginstelling te zoeken. Vanaf 22 mei 2015 is belanghebbende naar Curaçao vertrokken. Deze harde stop zou tot gevolg hebben gehad dat zij te maken kreeg met hoge maandelijkse invorderingen en dwangmaatregelen.
Volgens belanghebbende had met haar een betalingsregeling moeten worden getroffen. Tevens stelt zij dat het antwoordformulier van 18 oktober 2016 niet van haar afkomstig kan zijn en dat B/T de KOT zonder voldoende uitvraag op nihil heeft gesteld.
UHT heeft hierop gereageerd dat belanghebbende per brief is geïnformeerd dat de kinderopvanginstelling vanaf 17 maart 2015 niet langer stond geregistreerd met een LRK-nummer. De KOT is verlaagd omdat de kinderen van belanghebbende vanaf 22 mei 2015 in Curaçao verbleven. Na ontvangst van het door belanghebbende ondertekende antwoordformulier van 18 oktober 2016 heeft B/T de KOT op nihil gesteld.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2015 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel in dit geval te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering over het toeslagjaar 2015 was gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend. Dit voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de geldende wetgeving uitgevoerd.
De Commissie stelt vast dat in 2015 twee neerwaartse bijstellingen hebben plaatsgevonden. De eerste bijstelling volgde op de elektronische melding van belanghebbende van 15 juni 2015, waarin zij aangaf dat de KOT met ingang van 22 mei 2015 moest worden stopgezet, omdat haar kinderen vanaf dat moment in het buitenland verbleven. Bij beschikking van 21 juli 2015 is de KOT vervolgens aangepast van € 26.340 naar € 10.267. De Commissie merkt hierbij op dat uit het LIC-overzicht van 2015 blijkt dat B/T tot en met 16 juni 2015 op reguliere wijze maandelijks KOT aan belanghebbende heeft uitbetaald. De LRK-registratie heeft daarbij geen rol gespeeld.
De tweede neerwaartse bijstelling heeft plaatsgevonden nadat belanghebbende met het antwoordformulier van 18 oktober 2016 aan B/T heeft doorgegeven dat in 2015 geen gebruik is gemaakt van kinderopvang. Naar aanleiding hiervan heeft B/T de nihilbeschikking van 11 augustus 2017 genomen. Tegen deze beschikking heeft belanghebbende geen bezwaar aangetekend. De Commissie ziet in de melding van belanghebbende geen aanleiding voor het verzenden van aanvullende vraagbrieven, nu B/T in beginsel van de juistheid van deze verklaring mocht uitgaan.
Ten aanzien van de gestelde harde stop merkt de Commissie voorts op dat uit het LIC-overzicht van 2015 blijkt dat belanghebbende een bedrag van € 4.145 niet heeft hoeven terug te betalen en dat zij naar aanleiding van de nihilstelling het bedrag van in totaal € 11.293,34 niet heeft hoeven terug te betalen. Belanghebbende heeft, blijkens het LIC-overzicht, de terugvordering verder onder andere voldaan door middel van loonvorderingen en deels via een betalingsregeling van € 40 per maand over de periode van 25 september 2019 tot en met 24 maart 2021.
De Commissie ziet gelet op deze bijstellingen van de KOT in beginsel geen aanleiding voor het toekennen van een hardheidstegemoetkoming. Zij heeft geen aanknopingspunten gevonden om in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
De Commissie is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de bezwaargronden gericht tegen de toeslagjaren 2011 tot en met 2015 geen doel treffen.
De Commissie adviseert het bezwaar tegen de eerste bestreden beschikking ongegrond te verklaren.
O/GS voor toeslagjaar 2015
De Commissie stelt vast dat met betrekking tot de hoogte van de O/GS-tegemoetkoming geen onregelmatigheden zijn geconstateerd. Nu belanghebbende hiertegen geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd, verklaart de Commissie het bezwaar tegen de tweede bestreden beschikking ongegrond.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de tweede bestreden beschikkingen te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter