BAC 2023-11406
Publicatiedatum 29-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 12 december 2022
Hoorzitting: 14 januari 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 10 februari 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen het bestreden besluit betreffende de toeslagjaren 2012 tot en met 2015 (UHT-DC I) gedeeltelijk gegrond te verklaren, de overige bezwaren ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding voor de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Gemachtigde heeft namens belanghebbende bij afzonderlijke bezwaarschriften bezwaar ingediend tegen de onderscheiden besluiten van 12 december 2022 waarbij belanghebbende is meegedeeld:
- dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaar 2016 niet is gebleken van fouten en dat belanghebbende derhalve over dat tijdvak geen aanspraak maakt op compensatie (UHT-DC-I A);
- dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2012 tot en met 2015 gebleken is dat er fouten zijn gemaakt en dat belanghebbende recht heeft op een compensatiebedrag van € 55.896 (UHT-DC I);
- dat er bij de herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over 2016 niet is gebleken van omstandigheden die een tegemoetkoming rechtvaardigen (UHT-DH5 A).
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 3 februari 2021 een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- Bij brief van 28 mei 2021 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader van de eerste toets, in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- Op 7 januari 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat ten aanzien van toeslagjaar 2016 geen sprake is van institutioneel vooringenomen handelen noch dat bijzondere omstandigheden van toepassing zijn die een compensatie zouden rechtvaardigen. Wel komt belanghebbende in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming. Ten aanzien van de toeslagjaren 2012 tot en met 2015 is de compensatieregeling van toepassing.
- Bij brieven van 12 december 2022 zijn vorenstaande besluiten genomen.
- Bij afzonderlijke brieven van 16 januari 2023 heeft gemachtigde tegen bovenstaande besluiten bezwaar gemaakt.
- Op 17 april 2024 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 9 januari 2025 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Op 14 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Op 16 januari 2025 heeft UHT een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend.
- Bij e-mailbericht van 27 januari 2025 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Gelet op de samenhang die bestaat tussen de bestreden besluiten, zal de Commissie de afzonderlijke bezwaren die zijn ingediend tegen de onderscheiden besluiten gevoegd behandelen.
UHT-DC-I A, UHT-DC I en UHT-DH5 A
Motivering van de besluiten
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van de bestreden beschikkingen van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Voor zover UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikkingen niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering sprake is. De Commissie is van oordeel dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, met daarin een uitgebreide uitleg per component van de compensatieberekening, en het verstrekken van de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC en de overige producties, de bestreden beschikkingen alsnog voldoende zijn onderbouwd en geen sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Gelet hierop adviseert de Commissie UHT het bezwaar ten aanzien van dit punt ongegrond te verklaren.
Equality of arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen”, is aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren.
De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.
Geen vooraankondiging
Belanghebbende heeft geen vooraankondiging ontvangen, waardoor zij niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken. De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming kan daarmee worden gepasseerd. Omdat verder niet is aangegeven welk nadeel belanghebbende door dit nalaten heeft gehad, laat de Commissie deze grond van bezwaar verder buiten beschouwing. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Ontbrekende toeslagjaren
Belanghebbende is van mening dat ook de toeslagjaren 2008, 2009, 2010 en 2011 herbeoordeeld moeten worden. De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op toeslagjaren 2014, 2015 en 2016. De PZB heeft het verzoek vervolgens na een gesprek met belanghebbende uitgebreid met de toeslagjaren 2012 en 2013. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft toeslagjaren 2008 tot en met 2011 in de herbeoordeling te betrekken.
Nu het oorspronkelijke verzoek en het bestreden besluit de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 (alsnog) in haar advisering te betrekken.
De Commissie heeft goede nota genomen van de in de schriftelijke beschouwing gedane toezegging om het verzoek van belanghebbende om de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 alsnog ter herbeoordeling voor te leggen aan de primaire afdeling.
Toeslagjaar 2014
Belanghebbende heeft gesteld dat het bedrag van € 7.349 onder ‘g’ van de compensatieberekening ten onrechte in mindering is gebracht op het compensatiebedrag, omdat zij dit bedrag nooit zou hebben ontvangen. UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat dit bedrag in mindering is gebracht bij component G, omdat belanghebbende dit bedrag (inderdaad) nooit heeft ontvangen en ook nooit daadwerkelijk is teruggevorderd. De Commissie overweegt dat in de bijlage bij de compensatieberekening bij onderdeel ‘g’ is opgenomen dat het gaat om onterecht terugbetaalde of verrekende KOT. Echter, in dit geval is gesteld en erkend dat belanghebbende dit bedrag aan KOT nooit heeft ontvangen. Naar het oordeel van de Commissie kan derhalve het bedrag van € 7.349 onder ‘g’ van de compensatieberekening niet in mindering worden gebracht op het compensatiebedrag zoals in de schriftelijke beschouwing is gesteld. Bovendien zou dit een wijziging zijn ten nadele van belanghebbende inhouden, omdat in de oorspronkelijke compensatieberekening dit bedrag niet in mindering is gebracht. De Commissie wijst er op dat de belanghebbende er door het instellen van bezwaar in beginsel niet slechter voor mag komen te staan dan wanneer geen bezwaar was gemaakt.
Toeslagjaar 2016
Belanghebbende heeft gesteld dat zij door de terugvorderingen minder te besteden had dan de voor haar geldende beslagvrije voet. Zij is van mening dat er sprake is van hardheid.
De Commissie merkt op dat uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de systematiek van de compensatieregeling niet kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is verder ook met zoveel woorden terug te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Daar komt bij dat in de wetsgeschiedenis, namelijk in de nota naar aanleiding van het verslag, wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14), zie ook de uitspraak van de rechtbank Zeeland West-Brabant van 18 juli 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:4672.
De bezwaargrond dat B/T bij de verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet leidt derhalve niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Vergoeding toeslagrente over gemiste KOT
In de schriftelijke beschouwing heeft UHT aangegeven dat component O van de compensatieberekening onjuist is vastgesteld. Onder verwijzing naar hetgeen daarover is opgemerkt in de schriftelijke reactie, adviseert de Commissie om de rentevergoeding over gemiste KOT opnieuw te berekenen bij de beslissing op bezwaar.
Immateriële schadevergoeding
Nu de rente over gemiste KOT moet worden aangepast, en het bezwaar op dit punt derhalve gegrond is, dient de vergoeding voor immateriële schade te worden doorberekend tot aan de datum van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade bij de beslissing op bezwaar opnieuw dient te worden vastgesteld.
Aanvullende vergoeding van 1 procent
Het advies van de Commissie om de vergoeding voor de rente over gemiste KOT en de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade aan te passen, leidt ertoe dat de aanvullende vergoeding van 1 procent in de beslissing op bezwaar over een hoger subtotaal moet worden berekend dan het geval is in de definitieve compensatiebeschikking.
Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren gedeeltelijk gegrond zijn en op onderdelen leiden tot herroeping van de bestreden beschikking, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15 lid 2 Awb in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- het bezwaar gegrond te verklaren ten aanzien van de berekening van de rente over de gemiste KOT, de niet terugbetaalde KOT 2014 (onderdeel ‘g’), de vergoeding immateriële schade en de aanvullende vergoeding van 1 procent;
- de bestreden beschikking op deze punten te herroepen en de compensatie opnieuw te berekenen (UHT-DC-I);
- de overige bezwaren ongegrond te verklaren;
- een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter