Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-11362

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 8 december 2022 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 17 september 2025

Overdracht advies aan UHT: 23 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening conform de Bijlage compensatieberekening aan te passen, alsnog een vergoeding voor juridische kosten toe te kennen voor de toeslagjaren 2008, 2012 en 2013 en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €74.809,- voor de jaren 2008 tot en met 2013.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 4 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2008 tot en met 2013.
  • UHT heeft bij beschikking van 21 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 8 december 2022 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €74.809,- voor de jaren 2008 tot en met 2011 (vooringenomenheid) en 2012 en 2013 (hardheid).
  • UHT heeft op 28 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 10 januari 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 27 september 2023, het bezwaarschrift aangevuld.
  • Op 17 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 9 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar niet op gereageerd.
  • De Commissie heeft UHT op 3 november 2025 verzocht de bij de aanvullende beschouwing genoemde producties alsnog over te leggen. Op 18 december 2025 heeft de Commissie hiervoor een rappel verzonden. UHT heeft daarop niet gereageerd.
  • Op 12 januari 2026 heeft de Commissie aan de gemachtigde en UHT bericht dat zij, op basis van de beschikbare stukken, zal overgaan tot advisering over de toeslagjaren 2008 tot en met 2013.
  • UHT heeft op 3 maart 2026 alsnog een aanvullende beschouwing van
    25 februari 2026 met aanvullende producties overgelegd. De Commissie heeft besloten om dit bij de advisering te betrekken en gemachtigde in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren.
  • Gemachtigde heeft per e-mail van 16 maart 2026 gereageerd op de aanvullende beschouwing van UHT.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Overweging over de gang van zaken
Op de hoorzitting is besproken dat ook de jaren 2005 tot en met 2007 zouden worden beoordeeld. De beschouwing die daar uiting van is, werd niet vergezeld van stukken. Pas na een aantal maanden zijn in maart 2026 aanvullende gegevens door UHT overgelegd vergezeld van de beoordeling van de jaren 2005 tot en met 2007 en 2014 tot en met 2019. De Commissie betreurt deze gang van zaken omdat dit de advisering door de Commissie fors heeft vertraagd. De Commissie adviseert nu op basis van alle beoordeelde jaren 2005 tot en met 2019.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren tegen de beoordeelde jaren 2008 tot en met 2013 in het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2013 op de juiste wijze heeft berekend.

Op de zaak betrekking hebbende stukken en persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De beschouwing en de stukken die daaraan en aan het primaire besluit ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid met de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende De Commissie adviseert daarom UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling compensatieberekening
Belanghebbende is het niet eens met het toegekende compensatiebedrag ter hoogte van €74.809,-. Zij is van mening dat zij recht heeft op meer compensatie. Daarnaast stelt belanghebbende dat op basis van de toegezonden stukken niet te controleren is hoe de definitieve compensatieberekening tot stand is gekomen.
De bedragen die opgenomen zijn onder sub a tot en met r kloppen volgens belanghebbende niet.

UHT stelt zich op het standpunt dat het bezwaar gedeeltelijk gegrond is. In de Bijlage bij de compensatieberekening heeft UHT per component uiteengezet hoe het bedrag tot stand is gekomen.

De Commissie stemt in met de voorgenomen wijzigingen van de compensatieberekening, omdat zij die juist acht.

De vergoeding voor juridische hulp (component m)
Belanghebbende heeft geen vergoeding voor juridische hulp ontvangen. Dit blijkt uit de berekening bij het bestreden besluit (pagina 57, in afwijking van het beoordelingsformulier, pagina 36). Zij stelt dat zij hier wel recht op heeft, evenals een vergoeding voor het herzieningsverzoek dat is ingediend en dat heeft geleid tot bezwaar-en beroepsprocedures.

Uit artikel 2.3 lid 6 volgt dat enkel compensatie wordt geboden voor de procedures gericht tegen een besluit dat berust op vooringenomenheid of dat getuigt van hardheid van het systeem. Op grond van een advies van de BAC worden voor herzieningsverzoeken door UHT ook punten toegekend.

Omdat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op 15 december 2016 een herzieningsverzoek heeft ontvangen ten aanzien van de definitieve beschikkingen in de toeslagjaren 2012 en 2013 (producties 52 en 71), kent UHT alsnog twee punten toe.

Voor de bezwaar- en beroepsprocedures tegen de afwijzing van de herzieningsverzoeken kent UHT volgens Commissie dus ten onrechte geen procespunten toe, nu uit de uitspraak van de Rechtbank (pagina 297 dossier) blijkt dat een procedure over de jaren 2012 en 2013 is gevoerd waarin professionele rechtsbijstand aanwezig was.

In de aanvullende beschouwing van 9 oktober 2025 kent UHT voor het toeslagjaar 2008 alsnog één procespunt toe, omdat het aannemelijk is dat destijds bezwaar werd gemaakt, gelet op het feit dat er een beslissing op bezwaar bekend is. Voor 2009 heeft belanghebbende zelf bezwaar ingediend, zodat geen procespunt voor professionele rechtsbijstand wordt toegekend.

Voor 2010 en 2011 zijn geen bezwaarschriften of beslissingen op bezwaar aangetroffen, waardoor voor die jaren geen procespunten worden toegekend.

De Commissie adviseert met inachtneming van het voorgaande kosten voor juridische hulp bij de beslissing op bezwaar te vergoeden.

Ingangsdatum voor immateriële schade (component n)

Belanghebbende betoogt dat de toegekende vergoeding voor immateriële schade te laag is vastgesteld.

UHT stelt zich op het standpunt dat het bedrag onder component n terecht op €12.500,- is vastgesteld. Echter, de gehanteerde startdatum van 10 juni 2010 is onjuist en moet zijn 25 juni 2010. Dit is namelijk het eerste moment dat belanghebbende te maken kreeg met een onterechte neerwaartse correctie (productie 12). De gehanteerde einddatum van 1 december 2022 is onjuist en moet zijn 8 december 2022. Dit is namelijk de datum van de compensatie-beschikking (productie 5). De immateriële schadevergoeding behoort volgens UHT €12.500,- te bedragen. In de definitieve compensatieberekening is hetzelfde bedrag opgenomen.

UHT stelt zich op het standpunt dat nu het bezwaar gedeeltelijk gegrond is verklaard, de vergoeding voor immateriële schade zal doorlopen tot de datum van de beslissing op bezwaar.

De Commissie stelt vast dat in het RKT formulier is vermeld dat op 10 juni 2010 de behandelstap tot nihilstelling is gezet. Dat is de eerste expliciete vooringenomen zichtbare uiting van vooringenomenheid. Mede gegeven het door UHT gehanteerde begunstigende beleid bij de bepaling van de startdatum voor de immateriële schade, dient die datum te worden gehanteerd. Dat UHT de termijn laat doorlopen tot de beslissing op bezwaar acht de Commissie juist.

Overwegingen over de nader beoordeelde jaren 2005 tot en met 2007 en 2014 tot en met 2019

Toeslagjaren 2005, 2006 en 2014 tot en met 2019
UHT constateert dat volgens de gegevens van B/T voor bovengenoemde jaren geen KOT is aangevraagd. Er kan derhalve geen sprake zijn van vooringenomen handelen of hardheid. Daarnaast is geen sprake van een O/GS-kwalificatie. Gelet hierop heeft belanghebbende geen recht op een herstelregeling (productie 102). Gemachtigde heeft vermeld dat deze beoordeling voor kennisgeving wordt aangenomen. De Commissie ziet geen aanleiding de beoordeling door UHT voor onjuist te houden.

Toeslagjaar 2007
Bij de aanvullende beschouwing van 25 februari 2026 is UHT tot de volgende beoordeling gekomen. B/T heeft de KOT in 2007 niet verlaagd (productie 93 tot en met 95). Er is geen sprake van vooringenomen handelen. Ook is de hardheidsregeling niet van toepassing en is er geen sprake van een O/GS-kwalificatie (producties 92, 100 en 101).

Gemachtigde stelt in het aanvullend bezwaarschrift van 16 maart 2026 dat uit het LIC-overzicht blijkt dat op 20 september 2011 een nabetaling is ontstaan van €504,-. Dit bedrag is aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) uitbetaald. Belanghebbende heeft dit bedrag niet teruggestort gekregen, zodat dit bedrag ten onrechte niet aan belanghebbende ten goede is gekomen. Voorts had B/T bij belanghebbende moeten navragen op welk rekeningnummer het bedrag uitbetaald moest worden.

De Commissie overweegt als volgt.

Uit de gegevens in het SAS-overzicht volgt dat over toeslagjaar 2007 geen verlaging heeft plaatsgevonden (productie 94). Tevens blijkt uit LIC-overzicht over dit jaar dat geen sprake is geweest van een terugvordering dan wel verrekening (productie 100).

De KOT is in dat jaar volledig uitbetaald aan de KOI, zodat geen bedragen aan belanghebbende zijn verstrekt. Voorts is gebleken dat in 2011 een nabetaling van €504,- heeft plaatsgevonden, zonder dat daarvoor een nadere motivering in het dossier is aangetroffen. De Commissie ziet hierin, mede gelet op het ontbreken van aanwijzingen voor een verlaging, terugvordering of verrekening in 2007, geen grond voor het aannemen van vooringenomenheid over dat jaar.

Dat uit het dossier niet blijkt dat over de nabetaling destijds met belanghebbende is gecommuniceerd leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij acht de Commissie van belang dat de KOT over dit toeslagjaar in zijn geheel aan de KOI werd uitbetaald en belanghebbende geen bedragen heeft ontvangen. Onder deze omstandigheden is dit enkele nalaten onvoldoende om vooringenomenheid aan te nemen. De Commissie adviseert aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Onderliggende stukken O/GS-beoordeling
Gemachtigde verzoekt in het aanvullend bezwaarschrift om alle O/GS-stukken. Zij acht deze stukken van groot belang om een volledige beoordeling te kunnen maken.

Belanghebbende wordt in haar procesbelang geschaad doordat zij niet over de O/GS-stukken beschikt.

De Commissie stelt vast dat, behoudens over 2007, voor alle jaren waarin KOT is aangevraagd, compensatie is verstrekt. Op grond van artikel 2.6, vierde lid van de Wht is tegemoetkoming inzake O/GS dan niet aan de orde. Dat laat onverlet dat de Commissie meent dat belanghebbende recht heeft op de onderliggende stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de O/GS-beoordeling. De Commissie wijst in dit verband op de motie van het lid Ergin die op 10 maart 2026 is aangenomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) en waarin de Kamer heeft uitgesproken dat UHT standaard en actief inzage geeft in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS kwalificatie. Als de beoordeling van UHT (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet UHT die vaststelling onderbouwen met bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Volledigheidshalve verwijst de Commissie ook naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NKL:RBROT:2026:1545. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van bovenstaande, inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan het besluit op bezwaar.

Beslistermijnen overschreden – artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat Belastingdienst/Toeslagen in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in de betreffende toeslagjaren.

Voor zover belanghebbende betoogt dat met de gestelde termijnoverschrijding sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.

HOTHOR-systeem en discriminatie
Belanghebbende is van mening dat er schadevergoeding moet worden toegekend vanwege discriminatie en jegens haar gehanteerde HOTHOR-regime.

De Commissie overweegt dat het instellen van een (extra) controle of het tussentijds opvragen van gegevens op zichzelf onvoldoende is om te concluderen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld. Daarvoor is meer nodig. Een uitvraag of controle als gevolg van het door de B/T jegens haar gehanteerde HOTHOR-regime, dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar levert daar op zichzelf niet het bevestigende antwoord voor op. Bijkomende omstandigheden die tot een bevestigend antwoord leiden zijn in het geval van belanghebbende onvoldoende aannemelijk geworden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Werkelijk geleden schade
Belanghebbende betoogt dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. De Commissie betreurt dit, maar overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in www.schadeherstel.toeslagen.nl.

Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2.

Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • de compensatieberekening aan te passen conform de beschouwing en Bijlage compensatieberekening;
  • de startdatum voor de vergoeding voor immateriële schade te berekenen van
    10 juni 2025 tot en met de dagtekening van de beslissing op bezwaar;
  • alsnog een vergoeding voor juridische kosten toe te kennen voor toeslagjaren 2008, 2012 en 2013 zoals in dit advies is overwogen;
  • belanghebbende inzage te geven in alle stukken die ten grondslag liggen aan de O/GS-kwalificatie en om belanghebbende de gelegenheid te geven hierop te reageren;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter