BAC 2023-11219
Publicatiedatum 29-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 25 november 2022 (UHT-DC-I A)
25 november 2022 (UHT-DH A)
Hoorzitting: 20 november 2024 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 10 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikkingen met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH A ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens de belanghebbende ingediende bezwaar is gericht tegen de op 25 november 2022 door UHT genomen beschikkingen met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH A. Hierbij is over de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 geen compensatie wegens vooringenomenheid of hardheid bij de uitvoering aan belanghebbende toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft UHT 16 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van zijn kinderopvangtoeslag. UHT heeft bij de herbeoordeling gekeken naar de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 en haar voorgenomen beschikkingen voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (hierna: CvW).
- CvW heeft de voorgenomen beschikking(en) beoordeeld en geconcludeerd dat belanghebbende over de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 geen recht heeft op compensatie. Over het toeslagjaar 2017 heeft geen aanvraag kinderopvangtoeslag plaatsgevonden. Over de toeslagjaren 2018 en 2019 heeft er voor twee van de drie kinderen geen kinderopvang plaatsgevonden, en ontving de moeder bij wie het derde kind woonachtig was kinderopvangtoeslag. Belanghebbende was bovendien in die jaren niet woonachtig op hetzelfde woonadres als de kinderen.
- UHT heeft belanghebbende bij beschikkingen van 25 november 2022 met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH A medegedeeld dat over de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 geen compensatie wegens vooringenomenheid of hardheid bij de uitvoering wordt toegekend.
- Gemachtigde heeft op 2 januari 2023 bezwaar tegen de beschikkingen met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH A ingediend. Zij heeft de gronden van het bezwaar bij schrijven van 19 april 2024 aangevuld.
- UHT heeft op 24 april 2024 schriftelijk gereageerd.
- Het bezwaar van belanghebbende is 20 november 2024 op hoorzitting bij de Commissie behandeld. Het verslag van de hoorzitting is bij het advies gevoegd.
- UHT heeft op verzoek van de Commissie 28 november 2024 een aanvullende beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft 19 december 2024 gereageerd.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter en 2 commissieleden, heeft het volgende advies vastgesteld.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar van belanghebbende ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Geen schending inzagerecht en/of equality of arms
Ingevolge artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft belang-hebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
UHT heeft gedurende de bezwaarprocedure het bezwaardossier overgelegd. Bij schriftelijke reactie van 24 april 2024 is het dossier aangevuld met productie 29 tot en met 56. Het komt de Commissie voor dat belanghebbende hiermee kan beschikken over de op de zaak betrekking hebbende stukken. UHT is niet gehouden gedurende deze bezwaarprocedure het persoonlijk dossier aan belanghebbende te verstrekken.
Gemachtigde wijst erop dat de LIC-overzichten over 2017 en 2019 ontbreken en het dossier daarom niet compleet is. Uit de gegevens in het dossier blijkt dat over deze toeslagjaren geen kinderopvangtoeslag aan belanghebbende is toegekend, zodat deze LIC-overzichten blanco zouden zijn. Daarom kan niet gezegd worden dat met het ontbreken van deze LIC-overzichten, die een overzicht geven van het betalingsverkeer tussen de Belastingdienst/Toeslagen en belanghebbende, het dossier incompleet is.
Beoordeling afwijzing compensatie over de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019
Volgens UHT heeft belanghebbende over de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 geen recht op compensatie. Over het toeslagjaar 2017 is geen kinderopvang-toeslag door belanghebbende aangevraagd. Over het toeslagjaar 2018 vond een nihilstelling plaats (van € 3.545,- met een tussenstap naar nihil) en over het toeslagjaar 2019 werden de (herhaalde) aanvragen van belanghebbende afgewezen, maar pas nadat belanghebbende niet reageerde op diverse informatieverzoeken. Belanghebbende woonde niet op hetzelfde adres als de kinderen en correspondentie met kinderopvanginstelling Kibeo wees uit dat geen kinderopvang meer plaatsvond.
Deze feiten zijn niet door belanghebbende betwist, noch ziet de Commissie in het aangevoerde of het bezwaardossier aanleiding voor een andere lezing. Ingevolge artikel 2.1 lid 1 aanhef Wht bestaat slechts recht op compensatie indien er een aanvraag kinderopvangtoeslag is gedaan. Nu belanghebbende over het toeslagjaar 2017 geen aanvraag kinderopvangtoeslag heeft gedaan (noch sprake was van automatische continuering) sluit dat hem uit van compensatie over dat jaar onder de Wht.
Bij schriftelijke reactie heeft UHT haar standpunt gewijzigd en gezegd dat over het toeslagjaar 2018 sprake was van vooringenomenheid door de Belastingdienst/Toeslagen, nu bij de afwijzing van de tweede aanvraag (nadat een informatieverzoek naar aanleiding van de eerste aanvraag onbeantwoord was gebleven) afwijzing plaatsvond in afwachting van de verstrekking van gegevens door belanghebbende. Er zou echter sprake zijn geweest van evident geen recht, omdat niet aannemelijk is dat kinderopvang heeft plaatsgevonden.
De Commissie overweegt als volgt. Met ingang van 29 augustus 2018 doet belanghebbende vier aanvragen voor kinderopvangtoeslag met ingang van 1 mei 2018, naar aanleiding waarvan de Belastingdienst/Toeslagen informatieverzoeken aan belanghebbende stuurt. Ook bij de latere stopzettingsbrief verzoekt de Belastingdienst/Toeslagen om informatie. Belanghebbende heeft niet op deze informatieverzoeken gereageerd. De Belastingdienst/Toeslagen had goede redenen om informatie uit te vragen, nu de drie kinderen niet op zijn adres stonden ingeschreven.
Het is de vraag of de handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen over het toeslagjaar 2018 wel als vooringenomen valt aan te merken. Gelet op de hiervoor genoemde gegevens mocht de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag 2018 in redelijkheid ambtshalve op nihil stellen en mocht zij in afwachting van informatie de aanvraag over het toeslagjaar 2019 afwijzen. Bij gebrek aan andere gegevens die aanknopingspunten bieden voor vooringenomenheid of hardheid bij de uitvoering is de Commissie van oordeel dat compensatie terecht is afgewezen.
Uit de correspondentie uit 2019 met de kinderopvanginstelling (productie 22) volgt verder dat de aanvragen van belanghebbende over 2018 en 2019 onjuist waren, nu slechts één van de kinderen van belanghebbende bij de desbetreffende kinderopvang bekend was. In zoverre was eveneens sprake van een situatie dat belanghebbende evident geen recht op kinderopvangtoeslag had. Het bezwaar van belanghebbende kan niet slagen.
Ten aanzien van de andere aangevoerde bezwaargronden
De andere bezwaren die door gemachtigde namens belanghebbende zijn aangevoerd, zijn vooral vragen naar de gang van zaken destijds en nu maar geen bezwaargronden die in het kader van de Wht tot een andere beschikking kunnen leiden. UHT heeft in alle redelijkheid zoveel mogelijk toegelicht. Het niet-verstrekken van gevraagde stukken gedurende de aanvraagprocedure of het ontbreken van een definitieve beschikking kinderopvangtoeslag over een toeslagjaar zijn geen zaken die invloed hebben op de beoordeling van een compensatiebeschikking onder de Wht.
Gemachtigde stelt verder vragen namens belanghebbende en stelt aspecten van de toeslagen en compensatieregeling in de desbetreffende toeslagjaren ter discussie, maar verbindt aan haar vragen en stellingen geen standpunten waarover de Commissie advies kan uitbrengen. De Commissie ziet dan ook geen aanleiding – mede gelet op de generieke aard van de bezwaargronden – om hier nader op in te gaan.
Schending motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Bij bestreden beschikkingen is per toeslagjaar toegelicht waarom belanghebbende geen recht heeft op compensatie. Uit het dossier volgt dat de bestreden beschikkingen voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Het ontbreken van het ouderverhaal is door UHT op de hoorzitting betreurd. De Commissie merkt verder op dat uit het IB-formulier volgt dat belanghebbende meermaals in de gelegenheid is gesteld om zijn verhaal te doen. Het beroep van belanghebbende op het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel slaagt niet.
Proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter