BAC 2023-10620
Publicatiedatum 27-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Dienst Toeslagen / Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen
(hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 9 december 2022 (UHT-DCHA); 4 december 2023
(UHT-T OGS B)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 14 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2016.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 1 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2016.
- UHT heeft bij beschikking van 26 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 10 oktober 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat voor de betrokken jaren sprake was van evident geen recht en dat geen sprake is geweest van bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 9 december 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2012 tot en met 2016.
- Gemachtigde heeft bij brief van 17 januari 2023, ingekomen op 18 januari 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 4 december 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming voor de jaren 2012 tot en met 2016.
- Gemachtigde heeft bij brief van 12 januari 2024, ingekomen op dezelfde datum, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 9 oktober 2023 de bezwaarschriften aangevuld.
- UHT heeft op 28 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 27 maart 2025 heeft gemachtigde de Commissie verzocht de bezwaar-procedure op stukken af te doen. De Commissie ziet daarom op grond van artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende en adviseert op basis van de aan haar bekende stukken.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming te krijgen voor de jaren 2012 tot en met 2016 af te wijzen.
Vooringenomen handelen en evident geen recht
UHT heeft geconcludeerd dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vooringenomen heeft gehandeld jegens belanghebbende ten aanzien van de toeslagjaren 2012 tot en met 2016. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht,
komt zij daarmee in beginsel in aanmerking voor compensatie. Toekenning van compensatie blijft echter, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn.
Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was hiervan sprake gedurende alle beoordeelde jaren, omdat gebleken is dat belanghebbende toen geen kinderopvang heeft afgenomen.
De Commissie is van opvatting dat is komen vast te staan dat belanghebbende evident geen recht had op KOT. Uit de stukken blijkt hierover het volgende. Belanghebbende heeft in 2012 KOT aangevraagd voor opvang van haar kind bij de kinderopvanginstelling. In de jaren 2013, 2014, 2015 en tot 14 februari 2016 is deze aanvraag automatisch gecontinueerd. De KOT is vervolgens bij beschikkingen van 5 augustus 2016 op nihil gesteld voor de jaren 2014 en 2015, bij beschikking van 22 augustus 2016 op nihil gesteld voor het jaar 2016 en bij beschikkingen van
9 september 2016 op nihil gesteld voor de jaren 2012 en 2013. Uit interne notities van UHT van juli 2016 (producties 19, 35 en 55) volgt dat het vermoeden dat gefraudeerd is met de ingestuurde jaaropgaven van de jaren 2012 en 2014 de aanleiding is geweest van deze nihilstellingen. Dat vermoeden kwam volgens deze notities voort uit de volgende omstandigheden: het totaalbedrag aan kosten kwam niet overeen met de vermelde uren en het uurtarief; het debiteur- en contractnummer hoorde bij een andere klant (de nicht van belanghebbende); en het vermelde uurtarief en KvK-nummer kwamen niet overeen met de werkelijke gegevens van de kinderopvanginstelling in 2014. Daarnaast heeft de kinderopvanginstelling op 12 juli 2016 verklaard dat belanghebbende niet bekend was bij haar en niet voorkwam in haar administratie (productie 61). Belanghebbende is voorts strafrechtelijk veroordeeld met betrekking tot de KOT-jaren 2012 en 2014, zo volgt uit een e-mail van het Openbaar Ministerie van 21 juni 2022 (productie 56), die luidt:
“N.S. Caupain:
- voor welke feiten is ouder veroordeeld en over welke periode; WS 120 uur en GS 1 mnd vw tzv 225 lid 1 en lid 2 jo 47 Sr (medeplegen valsheid in geschrifte)
- of de zaak onherroepelijk is; OH sinds 4 april 2019
- op welke KOT jaren heeft de veroordeling betrekking; 2012 en 2014
- is er nog een verklaring van ouder beschikbaar over de feiten waarop de veroordeling/strafbeschikking ziet?
Onderzoek Caupain (FP Amsterdam) …”
Op 16 mei 2016 heeft belanghebbende middels een aanvraag de kinderopvang-instelling gewijzigd in De Wereldwijzer, met ingangsdatum 15 februari 2016 (productie 59). Deze kinderopvanginstelling heeft op 11 november 2016 verklaard dat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van opvang (productie 60).
In het informatie- en beoordelingsformulier en in het advies van de Commissie van Wijzen, wordt bovendien verwezen naar een verklaring van belanghebbende tegenover de FIOD. Zij zou hebben verklaard dat zij de KOT door een vriendin had laten aanvragen en dat zij geen opvang had afgenomen. De KOT werd op de rekening van belanghebbende gestort en een gedeelte is aan de vriendin betaald voor haar hulp.
In het kader van de integrale beoordeling en in dit bezwaar heeft belanghebbende verklaard dat zij wel kinderopvang heeft afgenomen.
De Commissie stelt vast dat UHT bovengenoemde verklaring uit het dossier van de FIOD niet heeft overgelegd wegens het vertrouwelijke karakter daarvan. Desondanks is de Commissie van opvatting dat het dossier voldoende aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat belanghebbende evident geen recht had op KOT in de jaren 2012 tot en met 2016. Dat de strafrechtelijke veroordeling niet ziet op de toeslagjaren 2013, 2015 en 2016 leidt niet tot een andere conclusie over die jaren. Immers kan uit de verklaringen van de kinderopvanginstellingen worden afgeleid dat belanghebbende gedurende de gehele aanvraagperiode geen klant is geweest. Belanghebbende heeft zowel tijdens de integrale beoordeling als in bezwaar geen stukken overgelegd die blijk geven van afgenomen opvang in de periode 2012 tot en met 2016. Evenmin zijn er andere gegevens voorhanden op basis waarvan de verklaringen van de kinderopvanginstellingen niet kunnen worden gevolgd.
De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar ongegrond te verklaren.
O/GS-tegemoetkoming
Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming.
UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende terecht de kwalificatie O/GS heeft gekregen over de terugvorderingen van de toeslagjaren 2012 tot en met 2016, en daarmee niet in aanmerking komt voor de O/GS-tegemoetkoming.
De Commissie overweegt hierover als volgt. Ingevolge artikel 2.6 van de Wht wordt een O/GS-tegemoetkoming toegekend indien sprake is van een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld en de aanvrager om die reden geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd. De Commissie stelt vast dat het dossier geen informatie bevat over een verzoek om een persoonlijke betalingsregeling of schuldenregeling. Gelet op wat hiervoor is overwogen met betrekking tot de jaren 2012 tot en met 2016, volgt de Commissie UHT in haar opvatting dat belanghebbende op goede gronden de O/GS-kwalificatie gekregen heeft. Indien B/T om die reden geweigerd heeft mee te werken aan een regeling met betrekking tot de terugvorderingen, dan kan gelet op de strafrechtelijke veroordeling worden aangenomen dat belanghebbende wist of behoorde te weten waarom zij deze kwalificatie gekregen had. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter