BAC 2023-10605
Publicatiedatum 11-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 28 november 2022 (UHT-DH5 A en UHT-DC-I A)
Hoorzitting: geen
Overdracht advies aan UHT: 2 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de bestreden besluiten ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar ingediend tegen de onderscheiden besluiten van 28 november 2022 waarbij belanghebbende is meegedeeld:
- dat niet is gebleken dat de kinderopvangtoeslag over 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016 te laag is vastgesteld waardoor belanghebbende geen aanspraak maakt op een tegemoetkoming (UHT-DH5 A);
- dat bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016 niet is gebleken dat er fouten zijn gemaakt, zodat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie (UHT-DC-I A).
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 16 februari 2021 een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- Bij brief van 1 april 2021 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader van de eerste toets, recht heeft op een bedrag van € 30.000.
- Op 7 juli 2022 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat er geen aanwijzingen zijn dat de definitief vastgestelde bedragen aan KOT voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2016 onjuist zijn of dat de Belastingdienst/Toeslagen voor deze institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. De CvW is van oordeel dat de correcties van de KOT zijn gebaseerd op de door belanghebbende doorgegeven wijzigingen, toegezonden gegevens en op inkomenswijzigingen. Tot slot is de CvW van mening dat evenmin sprake is van bijzondere omstandigheden die toepassing van de hardheidscompensatie rechtvaardigen. De CvW is verder van oordeel dat voor het toeslagjaar 2013 wel een O/GS-tegemoetkoming dient te worden verleend.
- Bij brieven van 28 november 2022 zijn vorenstaande besluiten genomen.
- Bij brief van 23 december 2022 heeft gemachtigde hiertegen bezwaar gemaakt.
- Bij brief van 10 oktober 2023 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Op 22 december 2023 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 24 maart 2025 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
- Op 16 april 2025 heeft UHT hierop gereageerd.
- Op verzoek van de gemachtigde brengt de Commissie op basis van de stukken advies uit. Er heeft geen hoorzitting plaatsgevonden.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft dit advies behandeld.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Onzorgvuldig genomen besluit
Belanghebbende heeft gesteld dat de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, omdat geen inzicht is gegeven in de onderliggende stukken. De Commissie is van oordeel dat UHT door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van LIC-overzichten en overige producties alsnog de bestreden besluiten voldoende heeft onderbouwd. Gelet op deze omstandigheden is de Commissie van oordeel dat de schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Herbeoordeelde toeslagjaren
De KOT voor 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016 is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van door belanghebbende zelf aangeleverde informatie. Uit die informatie volgt dat in deze jaren (onder andere) minder kinderopvanguren zijn afgenomen dan waarop de voorschotbeschikkingen waren gebaseerd. Ook is sprake van een wijziging van het toetsingsinkomen. De LIC-overzichten en de andere stukken uit het dossier die UHT heeft aangeleverd geven de Commissie geen aanleiding om aan te nemen dat deze onjuist zijn. Gesteld maar niet is gebleken dat in 2013 meer opvang is afgenomen dan is vermeld in KOI-viewer.
Met betrekking tot toeslagjaren 2014, 2015 en 2016 is een beroep gedaan op de KOT naar Kinderopvanginstelling-regeling. Echter, niet is gebleken dat de KOT in de genoemde periodes aan een kinderopvanginstelling is overgemaakt (producties 49 tot en met 53).
Voorts is niet gebleken van een O/GS-kwalificatie ten aanzien van toeslagjaren 2014, 2015 en 2016, zodat voor die jaren geen recht bestaat op een O-GS-tegemoetkoming.
De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast.
Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan komen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.
De Commissie begrijpt dat het terugbetalen van de KOT voor belanghebbende niet makkelijk zal zijn geweest, maar haar situatie houdt uiteindelijk geen verband met de problematiek waarvoor de hersteloperatie in het leven is geroepen.
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- het bezwaar ongegrond te verklaren en
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter