Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-12596

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 3 oktober 2022 (UHT-DC- I A, UHT DH5 A en UHT-DC I)

Hoorzitting: 4 maart 2025 om 10:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 11 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de
beschikking van 3 oktober 2022 met kenmerk UHT-DC I te herroepen en een vergoeding van de proceskosten toe te wijzen. De Commissie adviseert voorts om de bezwaren gericht tegen de beschikkingen met kenmerken UHT-DC-I A en UHT DH5 A ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

De door belanghebbende op 27 oktober 2022 en het door gemachtigde namens belanghebbende op 2 maart 2023 ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) van 3 oktober 2022 met kenmerken (UHT-DC-I,
UHT-DC-I A en UHT DH5 A).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en
vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna:
Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van € 125.507 voor de jaren 2008 tot en met 2011 en is geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2007.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 13 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT.
  • UHT heeft bij beschikking van 3 juni 2021 (UHT-B DMB2) aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van €30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 16 augustus 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende het toeslagjaar 2007 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikkingen van 3 oktober 2022 met kenmerken
    (UHT-DC-I A en UHT DH5 A) aan belanghebbende geen compensatie toegekend
    voor het toeslagjaar 2007.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 3 oktober 2022 met kenmerk UHTDC-I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van
    €125.507 voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 27 oktober 2022 en gemachtigde op 2 maart
    2023 tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 19 en 20 februari 2024 de bezwaarschriften
    aangevuld.
  • UHT heeft op 4 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 4 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten

Schending beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende meent dat bij de voorbereiding en totstandkoming van de besluiten niet de vereiste zorgvuldigheid in acht is genomen.

De Commissie overweegt dat UHT de bestreden beslissingen weliswaar niet uitvoerig heeft toegelicht, maar dat dit niet impliceert dat er van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van mening dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van het invullen beoordelingsformulier, beschikkingen en overige producties, de bestreden besluiten voldoende van een motivering zijn voorzien en zijn genomen in overeenstemming met de doelen die de wet wil bereiken. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel is volgens de Commissie derhalve ook geen sprake. Op dit punt treft het bezwaar geen doel.

Geen compensatie toeslagjaar 2007
Door de verschillende 'specificaties voorschotbeschikkingen KOT' en het 'informatie- en beoordelingsformulier', die zijn gevoegd bij de schriftelijke reactie van UHT, alsmede het LIC overzicht, acht de Commissie dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2007 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT is op basis van reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet en correct uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven, gelet op artikel 2.1 lid 1 onder b Wht, in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. In reactie op de veronderstelling van gemachtigde dat de aanduiding 1994-03-19 in de gegevens van haar cliënte betrekking heeft op een (onbekende) persoon met geboortedatum 19 maart 1994 heeft UHT in haar
schriftelijke reactie alsmede op de hoorzitting toegelicht dat dit getal betrekking heeft op de ingangsdatum van de relatiecode.
De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[Kind] niet meegenomen in beoordeling
In bezwaar stelt belanghebbende dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de vaststelling van de KOT van [kind] voor de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011. Uit de schriftelijke reactie van UHT blijkt dat voor het toeslagjaar 2009 de
Belastingdienst/Toeslagen al bezig was met de definitieve vaststelling (productie 20) waardoor er voor 2009 geen toeslag was toegekend voor dit kind. Voor 2010 zijn er geen aanvragen gevonden en voor het jaar 2011 heeft belanghebbende voor [kind] een aanvraag ingediend op 31 maart 2011 bij het Kinderdagverblijf X met ingangsdatum 3 januari 2011 (productie 33). Naar aanleiding hiervan zou er een verzoek om informatie zijn gestuurd om aanvullende bewijsstukken op te vragen. Ondertussen was de toeslag op nihil beschikt en was er geen toeslag toegekend voor [kind]. Dit duidt op vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen en is daarom betrokken bij de beoordeling over het toeslagjaar 2011 (productie 4). Echter blijkt dat de buurvrouw heeft opgepast op dit kind, waardoor er geen sprake is geweest van daadwerkelijk gekwalificeerde opvang. Dergelijke opvang is wel een voorwaarde om KOT te kunnen ontvangen. Er bestaat daarom geen recht op KOT of compensatie voor [kind]. De Commissie kan deze beredenering van UHT volgen en adviseert UHT om het bezwaar ook op dit punt ongegrond te verklaren.

Compensatie toeslagjaren 2008 tot en met 2011
Volgens UHT is over de jaren 2008 tot en met 2011 wel sprake van vooringenomenheid. Op basis hiervan is aan belanghebbende compensatie toegekend. UHT verwijst voor de uitleg van de compensatieberekening naar de bijlage van het bestreden besluit, de schriftelijke reactie en het informatie- en beoordelingsformulier.

UHT heeft aangegeven dat de periode waarover de rentevergoeding over gemiste KOT is berekend niet juist is. De Commissie wijst erop dat, nu component o in de compensatieberekening zal worden aangepast het besluit zal worden herroepen, zodat de immateriële schadevergoeding (component n) volgens vast beleid van UHT berekend dient te worden tot de datum van de beslissing op bezwaar, waardoor ook de aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal) aangepast dient te worden. De Commissie adviseert hieraan in de beslissing op bezwaar uitvoering te geven.

Proceskosten
De Commissie adviseert om de componenten n en o van de ''Berekening definitieve beslissing compensatiebedrag kinderopvangtoeslag'' aan te passen op de door UHT in haar schriftelijke reactie aangegeven wijze. Aangezien het bestreden besluit UHT-DC-I daardoor wordt herroepen, dient er een proceskostenvergoeding toegekend te worden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (bezwaarschrift). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding toe te kennen (wegingsfactor 2).

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaarschrift gegrond te verklaren en het bestreden besluit (UHT-DC-I) te herroepen op de wijze zoals die hiervoor is aangegeven;
    • De bezwaren tegen de bestreden besluiten UHT-DC-I A en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren;
  • een vergoeding voor proceskosten toe te kennen van 2 punten met een wegingsfactor 2 tegen het hoogst geldende tarief;

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter