BAC 2022-12406
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 17 november 2022 (UHT-DHR en UHT DC I)
Hoorzitting: 22 november 2024
Overdracht advies aan UHT: 23 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigd namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna:cWht) compensatie toegekend voor een bedrag van €33.635 over de toeslagjaren 2009cen 2010
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 29 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Beoordeeld zijn de jaren 2009 en 2010.
- UHT heeft bij beschikking van 30 april 2021 met kenmerk CAP/UCF/21/093 UHT
aan belanghebbende meegedeeld dat zij nog niet in aanmerking komt voor een
betaling van €30.000. - Gemachtigde heeft bij brief van 6 juli 2022, ingekomen per e-mail op dezelfde
datum, tegen de beschikking van 30 april 2021 met kenmerk CAP/UCT/21/191
UHT-BTV een voorlopig bezwaarschrift ingediend. - UHT heeft bij de bestreden beschikking van 1 september 2022 met kenmerk UHTVHR over het toeslagjaar 2010 aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend van €33.577. Hiermee is UHT tevens tegemoet gekomen aan het bezwaar inzake de lichte toets.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 17 november 2022 met kenmerk
UHT-DC I over het toeslagjaar 2009, met uitzondering van de periode van 19 mei 2009 tot en met 15 september 2009, aan belanghebbende een definitieve
compensatie toegekend van €33.635, waardoor zij nog €58 zal ontvangen. - UHT heeft bij de bestreden beschikking van 17 november 2022 met kenmerk
UHT-DHR met betrekking tot het toeslagjaar 2009 bericht dat, met uitzondering
van de periode van 19 mei 2009 tot en met 15 september 2009, en over het jaar
2010, tevens sprake was van hardheid en de definitieve compensatie €33.635
bedraagt, waardoor zij nog €58 zal ontvangen. - Gemachtigde heeft bij brief van 28 december 2022, ingekomen per e-mail op
dezelfde datum, tegen de beschikkingen met kenmerken UHT-DHR en UHT-DC I
een voorlopig bezwaarschrift ingediend. - Bij brief van 26 oktober 2023 heeft gemachtigde een aanvullend bezwaarschrift
ingediend tegen de beschikkingen met kenmerken UHT-DHR en UHT-DC I. - UHT heeft op 12 december 2023 middels een beschouwing schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 22 november 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Op 22 november 2024 heeft gemachtigde een brief d.d. 30 april 2022 met het
onderwerp FSV aangeleverd. - Op 10 januari 2025 en 3 februari 2025 herinnert de Commissie UHT aan het
verzoek om de tijdens de hoorzitting opgevraagde informatie aan te leveren. - Op 26 februari 2025 heeft UHT de opgevraagde gegevens aangeleverd.
- Op 28 maart 2025 heeft gemachtigde gereageerd op de verstrekte gegevens.
- Op 31 maart 2025 heeft UHT een aanvullende schriftelijke reactie ingediend.
- Op 2 april 2025 heeft gemachtigde daarop gereageerd.
- De Commissie, bestaande voorzitter en leden, heeft het bezwaar van
belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies uitgebracht.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2009 en 2010 op de juiste wijze heeft vastgesteld.
Procedurele bezwaren
Belanghebbende heeft aangevoerd dat UHT heeft verzuimd stukken, waaronder het persoonlijk dossier, te overleggen, die voor de beoordeling van het bezwaar relevant zijn. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad omdat ze niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en onderliggende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden. De Commissie vindt, behoudens het hierna overwogene, dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. Blijkens het vermelde in het 'procesverloop' zijn er na afloop van de zitting tijdens het voortgezette schriftelijke
debat tussen partijen nog enkele stukken aan het dossier toegevoegd die, hoewel op de zaak betrekking hebbend, niet ter inzage waren gelegd. In zoverre is het bepaalde in artikel 7:4, tweede lid wel geschonden. Belanghebbende heeft evenwel de gelegenheid gekregen, en daarvan gebruik gemaakt, om haar standpunt ter zake in het voortgezette schriftelijke debat, nader toe te lichten. Het is de Commissie derhalve niet gebleken dat belanghebbende door deze gang van zaken in haar processuele belangen is geschaad.
Daarnaast bevat het persoonlijk dossier meer informatie over de bredere relatie tussen belanghebbende en de belastingdienst die niet relevant is voor deze bezwaarprocedure die beperkt is tot de integrale beoordeling van de destijds ontvangen KOT. Het niet hebben van het gehele persoonlijk dossier staat belanghebbende niet in de weg om op basis van het bezwaardossier inzicht te krijgen in hoe het compensatiebedrag tot stand is gekomen. Daarnaast gaat deze procedure in beginsel niet over een eventuele FSV kwalificatie. Tevens heeft UHT aannemelijk gemaakt dat wel degelijk sprake is geweest van een oudergesprek met UHT.
De namens belanghebbende in dit verband naar voren gebrachte bezwaren kunnen derhalve niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Verzending vooraankondiging en beschikking
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het feit dat de vooraankondiging en de vooraankondigingsbeschikking niet aan gemachtigde zijn verstuurd, waardoor zij niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken.
De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. Uit de vooraankondigingsbeschikking blijkt overigens dat de inhoud ervan door de PZB-er met belanghebbende is besproken. Omdat verder niet is aangegeven welk nadeel belanghebbende heeft gehad, laat de Commissie dit bezwaar verder buiten beschouwing. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening
Aanvangsdatum rentevergoeding over gemiste KOT
Belanghebbende stelt dat bij gebreke van de onderliggende stukken de juistheid
van de startdatum rentevergoeding over de gemiste KOT niet kan worden gecontroleerd. UHT heeft in de schriftelijke reactie van 12 december 2024 de rentevergoeding over gemiste KOT nogmaals beoordeeld. UHT licht toe dat in de bestreden beschikking in het voordeel van belanghebbende teveel rentevergoeding is toegekend. Over 2009 is een bedrag van € 5.358 toegekend terwijl dit €5.159 had moeten zijn (productie 33). UHT stelt dat correctie hiervan een nadeel voor belanghebbende meebrengt en zij daarom het bedrag van € 5.358 zal handhaven. Over 2010 is €1.230 toegekend terwijl dit €1.158 had moeten zijn (productie 34). UHT zal het bedrag van €1.230 handhaven in de beslissing op bezwaar en het teveel betaalde niet corrigeren omdat dit in het nadeel van belanghebbende zou zijn.
UHT concludeert tevens dat het bezwaar - vanwege voormelde omissie in het voordeel van belanghebbende - gegrond is, en dat daarom tevens de periode voor de immateriële schadevergoeding doorloopt tot de beslissing op bezwaar.
De Commissie adviseert UHT haar op dit punt gedane toezeggingen bij de beslissing op bezwaar gestand te doen.
Compensatiebedrag 2009
Belanghebbende stelt dat de compensatie hoger had moeten worden vastgesteld dan €11.547 en stelt daarbij een aantal vragen. UHT heeft in de bijlage berekening
compensatieberekening bij de schriftelijke reactie (pagina 7) in detail toegelicht hoe zij dat bedrag heeft berekend.
De Commissie constateert dat uit het dossier blijkt dat belanghebbende in 2009 een bijstandsuitkering ontving maar via een integratietraject vanuit de gemeente cursussen ging volgen en opvang nodig had. Zij heeft toen KOT aangevraagd maar vanwege het faillissement van de kinderopvanginstelling ('KOI') geen opvang gebruikt, terwijl de KOT wel aan de KOI werd betaald. Na het faillissement van de KOI werd belanghebbende verzocht de KOT terug te betalen. Zij ging daartegen in bezwaar op 16 oktober 2009 en kwam later in aanmerking voor een betalingsregeling. Omdat de KOI niet geregistreerd was in het LRK voorafgaand aan de aanvraag van de KOT, werd belanghebbende volgens informatie van het UHT op de FSV lijst geplaatst. Volgens het ouderverhaal is het integratietraject in die periode stopgezet.
De Commissie verwijst naar artikel 2.2 sub a Wht. Hieruit volgt dat UHT het
compensatiebedrag had moeten vaststellen op het bedrag van de (neerwaartse)
beschikking tot het verminderen of niet toekennen van de KOT (van €9.622 naar 0). In dit geval heeft UHT in afwijking van de Wht in het voordeel van belanghebbende ten onrechte twee bedragen opgeteld bij de neerwaartse beschikking (namelijk €2.888 en €1.443). Na een pro rata vermindering van de niet gebruikte opvang kwam het bedrag per saldo uit op €11.547. Uit het LIC overzicht over 2009 (productie 31) blijkt echter dat het opgetelde bedrag € 2.888 geen kosten van het faillissement betreffen zoals UHT in de bestreden beschikking
aannam, maar een terechte interne afboeking op het voorschotbedrag voor het gehele toeslagjaar 2009. Dat bedrag is dus niet betaald aan de KOI en ook niet (terug)betaald door belanghebbende, zodat het niet had moeten worden opgeteld bij het compensatiebedrag. Ook het bedrag van €1.443 dat op 2 april 2009 werd betaald aan de nieuwe KOI, is onterecht opgeteld bij de compensatie. Volgens het LIC overzicht werd dit bedrag immers al 18 dagen later weer grotendeels door de KOI terugbetaald.
De Commissie merkt op dat belanghebbende op 8 augustus 2010 in een
antwoordformulier aan B/T heeft verklaard dat zij in 2009 geen opvang heeft afgenomen. Ook in het voormelde bezwaarschrift van 16 oktober 2009 verklaarde de toenmalige gemachtigde van belanghebbende dat zij in 2009 geen opvang heeft kunnen gebruiken. Een en ander is in lijn met het ouderverhaal in het invulformulier, waarin belanghebbende verklaart daardoor geen kans te hebben gekregen om terug te keren op de arbeidsmarkt.
De Commissie concludeert dat UHT belanghebbende aldus bepaald niet tekort heeft gedaan en kan voormelde standpunt van belanghebbende (dat de compensatie te laag is vastgesteld) in het kader van de Wht niet volgen.
De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Compensatiebedrag 2010
Belanghebbende stelt dat UHT belanghebbende over geheel het jaar 2010 compensatie had moeten toekennen.
UHT heeft in de bijlage bij de schriftelijke reactie toegelicht dat dit bedrag correct is
vastgesteld op €2.745. Op 16 april 2010 is de KOT automatisch gecontinueerd.
Vervolgens heeft belanghebbende of de kinderopvanginstelling de KOT stopgezet per 1 januari 2010. Dit betreft geen vooringenomen handeling. Uit het LIC overzicht blijkt dat een bedrag van €2.745 ten goede is gekomen aan de kinderopvanginstelling (productie 32). Daarom vindt UHT dat over het bedrag van €2.745 recht bestaat op compensatie op basis van hardheid.
De Commissie overweegt dat uit een door UHT aangeleverd XML bestand voldoende aannemelijk is geworden dat belanghebbende de KOT over 2010 heeft stopgezet. Uit het dossier is verder niet gebleken dat belanghebbende opvang heeft gebruikt in 2010.
De Commissie merkt op dat het LIC overzicht over 2010 ook laat zien dat het bedrag van €2.745 dat aan de kinderopvanginstelling ('KOI') werd uitbetaald binnen een maand na de terugvordering in mei 2010 is terugbetaald. Onduidelijk is gebleven of de KOI of de belanghebbende dat bedrag heeft terugbetaald.
De Commissie concludeert dat UHT aan belanghebbende het voordeel van de twijfel heeft gegeven en daarmee mogelijk in het voordeel van belanghebbende compensatie heeft toegekend over 2010. Voor het standpunt van belanghebbende dat over geheel 2010 compensatie zou moeten worden toegekend, zijn geen feiten aannemelijk geworden.
De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
O/GS kwalificatie
Uit het dossier is niet gebleken van een (onterechte) O/GS kwalificatie. Belanghebbende is verder al gecompenseerd voor de toeslagjaren 2009 en 2010 op basis van de ruimere compensatieregeling op basis van hardheid. Omdat de wetgever dubbele compensatie wenst te voorkomen, is een O/GS vergoeding voor die jaren niet aan de orde. Verder heeft belanghebbende een betalingsregeling gekregen over het jaar 2009 en is het teveel uitgekeerde bedrag over 2010 binnen een maand na terugvordering terugbetaald.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Kosten juridische bijstand
In antwoord op het bezwaar van belanghebbende dat UHT de kosten van juridische bijstand over het bezwaar over toeslagjaar 2009 niet heeft meegerekend in sub m van de compensatieberekening, heeft UHT ter zitting toegezegd dit punt te corrigeren in de beslissing op bezwaar.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.
Immateriële & materiële schadevergoeding
Belanghebbende stelt recht te hebben op een hogere vergoeding voor (im)materiële schade. UHT heeft daarop geantwoord dat zij op grond van de Wht verplicht is om in deze procedure de compensatie te berekenen aan de hand van de wettelijke forfaitaire 'standaard' vergoedingen. Indien een belanghebbende stelt meer werkelijke schade te hebben geleden, dan kan belanghebbende een verzoek indienen bij de Commissie Werkelijke Schade.
De Commissie overweegt verder dat volgens artikel 2.3 lid 4 Wht de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding is van €500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om tijdens deze bezwaarprocedure die gaat over de integrale beoordeling af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen.
De Commissie overweegt tevens dat UHT heeft gesteld dat zij, indien een bezwaar
(gedeeltelijk) gegrond is, de datum van de beslissing op het bezwaar als einddatum zal hanteren bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade, in afwijking van de Wht. Zoals hiervoor toegelicht ziet de Commissie in dit geval geen reden voor aanpassing van de bestreden beschikking omdat de rente gemiste KOT verkeerd zou zijn berekend in de bestreden beschikking. De Commissie constateert echter wel dat de bestreden beschikking een omissie bevat ten aanzien van component m (juridische bijstand). Omdat het bezwaar op dit punt gegrond is, adviseert de Commissie UHT de einddatum van de immateriële schadevergoeding vast te stellen op de datum van de beslissing op bezwaar.
Werkelijke schade
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van voornoemde forfaitaire (standaard)vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) bestemd. Gemachtigde heeft tijdens de hoorzitting verklaard namens belanghebbende al een verzoek te hebben ingediend bij CWS tot vergoeding van de werkelijke schade. Tijdens deze procedure kan belanghebbende eventuele hogere werkelijke schade(s), bijvoorbeeld als gevolg van de gestelde discriminatie of opname op een FSV lijst, voorleggen aan CWS, waarbij belanghebbende de schade(s) aannemelijk dient te maken.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie (deels) moet worden
herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen.
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT om:
- het bezwaar deels gegrond te verklaren en component m (kosten juridische bijstand) en alle daarmee samenhangende componenten (waaronder de einddatum van de immateriële schadevergoeding en de extra vergoeding van 1%) van de bestreden beschikking aan te passen conform dit advies;
- een vergoeding van de proceskosten voor deze bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter