Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-12325

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 9 november 2022 (UHT-DH A en UHT-DC I A)

Hoorzitting: 3 juli 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 10 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT
om het bezwaarschrift ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in
stand te laten en het verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding af te
wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2018 en 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 3 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2018. Nadien is dit
    verzoek in overleg met belanghebbende uitgebreid met het toeslagjaar 2019.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 21 september 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van
    institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden, nu de
    beschikkingen van 3 april 2020 en 20 juli 2020 voor het toeslagjaar 2018 en de
    beschikkingen van 28 december 2019 en 3 april 2021 voor het toeslagjaar 2019
    geen verband houden met (vooringenomen) handelingen van vóór 23 oktober
    2019.
  • UHT heeft bij beschikkingen van 9 november 2022 met de kenmerken UHT-DH A
    en UHT-DC I A aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op
    compensatie, een tegemoetkoming wegens hardheid of een tegemoetkoming
    wegens onterecht O/GS voor de jaren 2018 en 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 7 december 2022 tegen deze beschikkingen een
    bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 22 maart 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 8 augustus 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 3 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een
    verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Op 9 juli 2025 heeft gemachtigde bericht dat belanghebbende afziet van een
    nadere reactie.
  • Dit advies wordt uitgebracht door voorzitter en leden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Toeslagjaar 2018

Belanghebbende stelt dat de nihilstelling van haar KOT over het toeslagjaar 2018
onterecht is. Zij betwist dat zij twee uitvraagbrieven heeft ontvangen en geeft aan dat zij slechts één brief heeft ontvangen, gedateerd 6 juni 2019. Volgens belanghebbende heeft zij op deze brief gereageerd, maar is door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) niets met haar reactie gedaan. Uiteindelijk is de KOT over het toeslagjaar 2018 ten onrechte op 3 april 2020 op nihil gesteld.

De Commissie merkt op dat de bezwaren van belanghebbende betrekking hebben op handelingen van B/T dan wel beschikkingen die zijn genomen na 23 oktober 2019. Op grond van artikel 2.1, lid 1, Wht kan alleen compensatie worden verleend indien voor 23 oktober 2019 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van de toepassing van het wettelijke systeem. De Commissie is niet bevoegd om te oordelen over handelingen die zich na die datum hebben voorgedaan tenzij die handelingen causaal verband houden met vooringenomen handelingen van voor die datum.

Uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende op 22 januari 2018 KOT heeft
aangevraagd met ingang van 31 januari 2018. Op 21 februari 2018 is een eerste
voorschotbeschikking afgegeven, waarin is vastgesteld dat belanghebbende recht heeft op KOT ter hoogte van € 10.267. Op 4 februari 2019 heeft B/T aanvullende informatie opgevraagd, waarna op 15 maart 2019 een tweede voorschotbeschikking is genomen, waarbij het bedrag ongewijzigd is gebleven. Vervolgens heeft B/T twee uitvraagbrieven met identieke adressering verzonden, op respectievelijk 6 juni 2019 en 22 augustus 2019. In het systeem van de UHT is geen reactie op deze brieven teruggevonden. Belanghebbende heeft bovendien op geen enkele wijze kunnen aantonen dat zij wél heeft gereageerd op de brief van 6 juni 2019. Op basis hiervan is de KOT op 3 april 2020 op nihil vastgesteld. Belanghebbende heeft op 23 april 2020 bezwaar ingediend. Dit bezwaar is op 20 juli 2020 op basis van de tegelijk met het bezwaarschrift ingediende stukken
gegrond verklaard, waarna de KOT definitief is vastgesteld op € 5.025.

Uit bovenstaande blijkt dat tot 23 oktober 2019 geen neerwaartse bijstelling van het voorschot heeft plaatsgevonden. Van vooringenomen handelen door de B/T is aldus voor de periode tot 23 oktober 2019 voor het toeslagjaar 2018 geen sprake. Ook is niet gebleken dat de beschikkingen van 3 april 2020 en 20 juli 2020 voor het toeslagjaar 2018 verband houden met vooringenomen handelingen van vóór 23 oktober 2019. Gezien deze feiten voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarden om als gedupeerde in de zin van artikel 2.1 Wht te worden aangemerkt. De Commissie adviseert de UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toetsingsinkomen 2018 en 2019

Belanghebbende stelt dat de B/T bij de berekening van de KOT over de jaren 2018 en 2019 is uitgegaan van een onjuiste toetsingsinkomen.

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen
handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen. Belanghebbende verzoekt onder meer om een aanpassing van de hoogte van de KOT over de toeslagjaren 2018 en 2019 zoals deze indertijd definitief is vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding
conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, adviseert de Commissie belanghebbende om geen proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het
bestreden besluit in stand te laten en het verzoek tot toekenning van een
proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter