BAC 2022-12264
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 10 november 2022 (UHT-DC I, UHT-DC-I A en UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 25 maart 2025
Overdracht advies aan UHT: 30 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om
het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te
kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de volgende door UHT op 10 november 2022 en met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) genomen beschikkingen:
De beschikking met kenmerk UHT-DH5 A, waarin UHT beslist dat belanghebbende
geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2012, 2014 (mei tot en met
december) en 2015. De reden is dat niet is gebleken dat B/T te streng is geweest bij
het uitvoeren van de regels van de KOT.
De beschikking met kenmerk UHT-DC I waarin UHT aan belanghebbende een definitief compensatiebedrag van €30.785 toekent voor de toeslagjaren 2013 en 2014 (januari tot en met april). De Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) voor deze jaren fouten gemaakt.
De beschikking met kenmerk UHT-DC-I A, waarin UHT beslist dat belanghebbende
geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2012, 2014 (mei tot en met
december) en 2015. De reden is dat bij de beoordeling van de KOT voor deze perioden geen fouten zijn gemaakt.
Procesverloop
Belanghebbende heeft op 15 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de toeslagjaren 2012 tot en met 2015.
- Bij beschikking van 26 april 2021 heeft UHT naar aanleiding van de eerste toets
aangegeven dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000. - Op 6 oktober 2022 heeft de Commissie van Wijzen als advies uitgebracht dat de
compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn op de
toeslagjaren 2012, 2014 (mei tot en met december) en 2015. - Op 19 oktober 2022 heeft UHT als vooraankondiging aan belanghebbende een
compensatiebedrag van €30.741 toegekend. - Op 10 november 2022 heeft UHT de hierboven genoemde beschikkingen genomen. Aan belanghebbende is een definitief compensatiebedrag van €30.785 toegekend voor de toeslagjaren 2013 en 2014 (januari tot en met april). Compensatie voor de toeslagjaren 2012, 2014 (mei tot en met december) en 2015 is afgewezen.
- Op 6 december 2022 heeft gemachtigde hiertegen een bezwaarschrift ingediend.
- Op 25 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Naar aanleiding van de hoorzitting heeft UHT diezelfde dag als aanvullend stuk een melding van de stopzetting van KOT voor toeslagjaar 2015 toegestuurd. Op 19 mei 2025 heeft gemachtigde hierop gereageerd.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid heeft dit advies behandeld.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich voor de vraag gesteld of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en compensatie voor de toeslagjaren 2012, 2014 (mei tot en met december) en 2015 terecht heeft afgewezen. Daarnaast zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.
Oudergesprek en uitstel termijn zienswijze
Gemachtigde stelt dat zij onterecht niet is betrokken bij het oudergesprek dat de
persoonlijk zaakbehandelaar met belanghebbende heeft gevoerd. Tevens is geen gehoor gegeven aan het verzoek om uitstel voor het aanleveren van een zienswijze en overschrijdt UHT structureel de beslistermijnen.
UHT heeft tijdens de hoorzitting aangegeven dat een en ander inderdaad anders had moeten verlopen, maar dat dit geen reden is om het bezwaar gegrond te verklaren.
De Commissie overweegt dat belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. De eventuele tekortkomingen zijn daarmee hersteld. Met betrekking tot de beslistermijnen overweegt de Commissie dat de wet de termijnen stelt. Voor belanghebbenden bestaat de mogelijkheid om bij termijnoverschrijding na een ingebrekestelling, een beroep niet tijdig beslissen in te dienen, hetgeen belanghebbende ook heeft gedaan. De Commissie adviseert UHT om deze onderdelen van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening 2013 en 2014 (januari tot en met april)
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing aangegeven dat de compensatieberekening op twee onderdelen niet klopt. De rentevergoeding over de gemiste KOT (component o van de compensatieberekening) had voor toeslagjaar 2013 €6.705 moeten zijn in plaats van €6.929 en voor 2014 €2.058 in plaats van €2.416. Deze onjuistheden vallen uit in het voordeel van belanghebbende. In verband met het verbod van reformatio in peius zal UHT het compensatiebedrag niet aanpassen. UHT acht het bezwaar op dit punt ongegrond.
De overige bedragen in de compensatieberekening zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen en de definitieve beschikkingen. De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de uitgebreide schriftelijke reactie, de toelichting tijdens de hoorzitting, de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC-overzichten) en de overige producties, de compensatieberekening en het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand is gekomen.
Met betrekking tot de nabetaling van 352 aan de kinderopvanginstelling op 31
augustus 2018, welke blijkt uit het LIC-overzicht van 2013, merkt de Commissie op dat UHT na de hoorzitting niet meer heeft toegelicht waarom deze betaling aan de
kinderopvanginstelling is gedaan in plaats van aan belanghebbende. Nu dit echter geen invloed heeft op de compensatieberekening voor toeslagjaar 2013 en dus buiten de omvang van deze bezwaarprocedure valt, laat de Commissie dit verder buiten beschouwing.
(Im)materiële schadevergoeding en juridische kosten
Belanghebbende is het niet eens met de wijze waarop de (im)materiële schade is
berekend. Gemachtigde stelt dat de berekende compensatie niet de schade dekt die belanghebbende heeft geleden.
De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van forfaitaire vergoedingen. De Commissie heeft in hetgeen gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om te komen tot het oordeel dat toepassing van het in de Wht neergelegde compensatiestelsel in een geval als het onderhavige buiten toepassing zou moeten blijven. Zulks te meer omdat de Wht ook voorziet in de mogelijkheid om vergoeding van de daadwerkelijke (im)materiële schade te vragen via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS). De Commissie verwijst in dit verband tevens naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. Het betoog van gemachtigde
op dit punt slaagt niet. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren. Gemachtigde heeft in het aanvullende bezwaarschrift aangegeven dat een verzoek bij de CWS reeds is ingediend.
Afgewezen toeslagjaren 2012, 2014 (mei tot en met december) en 2015
Gemachtigde stelt dat sprake is van vooringenomen handelen voor toeslagjaar 2012 omdat de wijzigingen in eerste instantie juist werden verwerkt, maar vervolgens foutief werden veranderd zonder dat er enige uitvraag bij belanghebbende is gedaan.
Voor toeslagjaar 2014 wijst gemachtigde op de voorafgaand aan de hoorzitting
ontvangen factuur voor toeslagjaar 2014, waaruit blijkt dat wel degelijk het gehele jaar kinderopvang is afgenomen.
Met betrekking tot 2015 stelt gemachtigde het volgende. Belanghebbende heeft de KOT niet zelf stopgezet. Uit het door UHT na de hoorzitting toegestuurde stuk (productie 66) blijkt dat sprake is van een 009-melding. Dit betreft een wijziging die door de B/T is gedaan en niet door belanghebbende zelf. Tevens is voor toeslagjaar 2015 de KOT uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en teruggevorderd bij belanghebbende. Belanghebbende dient daarom gecompenseerd worden op grond van hardheid. Vermeerderd met de eigen bijdrage komt het teruggevorderde bedrag boven de gestelde grens van €1.500 uit. Daarnaast spreekt de wet uitsluitend van een verlaging van €1.500. Voor de toetsing aan de hardheidsregeling is het daarom volgens belanghebbende niet relevant aan wie de KOT daadwerkelijk ten goede is gekomen.
De Commissie overweegt over deze drie toeslagjaren als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wet hersteloperatie toeslagen, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.
In de bestreden besluiten, de schriftelijke beschouwing en het informatie- en
beoordelingsformulier is voor de toeslagjaren 2012, 2014 (mei tot en met december) en 2015 uitgebreid beschreven welke neerwaartse en opwaartse wijzigingen in de KOT hebben plaatsgevonden.
UHT stelt dat door een fout in de verwerking van de gegevens, de KOT in toeslagjaar 2012 neerwaarts is bijgesteld. Dit is na contact met belanghebbende hersteld. Deze omstandigheid leidt er op zichzelf niet toe dat er sprake is van een vooringenomen handelwijze of hardheid in de toepassing van het stelsel. Voor toeslagjaar 2012 is ook geen KOT teruggevorderd.
Voor toeslagjaar 2014 is belanghebbende gecompenseerd voor de maanden januari tot en met april. Omdat in de maanden april tot en met december geen geregistreerde kinderopvang meer is afgenomen, heeft UHT zich op het standpunt heeft gesteld dat voor die maanden geen aanspraak bestaat op (reguliere) compensatie. Uit de voorafgaand aan de hoorzitting toegestuurde jaaroverzichten voor toeslagjaar 2014, gedateerd op 2 februari 2015, blijkt dat het aantal afgenomen opvanguren gelijk staat aan vier maanden opvang.
Met betrekking tot toeslagjaar 2015 heeft UHT na de hoorzitting een overzicht van een melding toegestuurd waarin staat dat belanghebbende op 9 september 2015 telefonisch heeft doorgegeven de KOT per 1 september 2015 te willen stoppen. Op 21 oktober 2015 is de KOT vervolgens (regulier) neerwaarts bijgesteld. Het aantal opvanguren uit het jaaroverzicht 2015 (productie 60) en het gehanteerde maandbedrag uit de overeenkomst met de kinderopvanginstelling (productie 48) duiden ook op acht maanden opvang (januari tot en met augustus). Uit het LIC-overzicht voor 2015 blijkt verder dat €706 aan KOT voor september 2015 is uitbetaald aan de opvanginstelling en bij belanghebbende is teruggevorderd. Derhalve komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie vanwege hardheid.
Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het advies van de CvW en het standpunt van UHT met betrekking tot de afgewezen toeslagjaren onjuist te achten. De Commissie is verder van oordeel dat met het indienen van het schriftelijke verweer, de LIC-overzichten en de overige (aanvullende) producties, de bestreden besluiten ten aanzien van de afgewezen toeslagjaren voldoende zijn onderbouwd en zorgvuldig tot stand zijn gekomen. De Commissie acht de bezwaren op dit punt ongegrond.
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht.
Overschrijding termijn bij definitieve KOT-beschikking
Gemachtigde stelt dat sprake is van vooringenomen handelen omdat de definitieve KOT-beschikkingen buiten de termijn van artikel 19 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) zijn genomen en dat belanghebbende daarom recht heeft op compensatie. De Commissie ziet in die omstandigheden onvoldoende aanknopingspunten om tot vooringenomenheid te concluderen en deelt voorts de mening van UHT dat dit bezwaar buiten het bestek van de Wht valt. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
HOTHOR
Gemachtigde stelt dat uit het RKT-bestand blijkt dat het kenmerk HOTHOR - hoge
toeslag/hoog risico - is toegevoegd. UHT stelt dat zich in het dossier geen RKT-bestand bevindt.
De Commissie overweegt dat in de tijdlijn voor toeslagjaar 2013 in het Informatie- en beoordelingsformulier, in een op 1 april 2014 gedane notitie de term HOTHOR terugkomt. In zijn algemeenheid merkt de Commissie het volgende op. HOTHOR is een kenmerk dat, naar de Commissie uit de nadere toelichting van UHT begrijpt, geautomatiseerd wordt toegevoegd in situaties waarin sprake is van een laag inkomen, waardoor recht ontstaat op een relatief hoog bedrag aan toeslagen. Dit kenmerk heeft, aldus deze toelichting, tot gevolg dat een extra handmatige controle plaatsvindt. UHT stelt dat het doel van deze extra controles is gelegen in het behoeden van ouders voor hoge terugvorderingen.
Het instellen van een (extra) controle of het tussentijds opvragen van gegevens is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat de B/T vooringenomen heeft gehandeld. Daarvoor is meer nodig. Een uitvraag of controle als gevolg van het door de B/T gegeven kenmerk HOTHOR dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar levert daar op zichzelf niet het doorslaggevende bevestigende antwoord op. Aanwijzingen dat die vraag in het geval van belanghebbende in laatstbedoelde zin moet worden beantwoord zijn, geplaatst tegen de achtergrond van de andere feiten en omstandigheden, onvoldoende aannemelijk geworden. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Discriminatie
Gemachtigde heeft verzocht om bij de beoordeling van de schadevergoeding rekening te houden met de gevolgen van discriminatie van belanghebbende. De Commissie overweegt dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet beoordeelt of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie.
Persoonlijk dossier
Gemachtigde stelt dat het volledige persoonlijk dossier nog altijd niet is toegezonden. Op grond van de informatie uit het onderliggende bezwaardossier kan geen volledig beeld gevormd worden.
De Commissie overweegt dat op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2, leden 3 en 4, Wht een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht heeft op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke reactie, met alle van belang zijnde producties, is aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren. De Commissie tekent hierbij nog aan dat de stukken behorende tot het zogenoemde 'persoonlijk dossier' niet per definitie samenvallen met de op de zaak betrekking hebbende stukken, als hiervoor bedoeld.
Proceskostenvergoeding
Nu het advies van de Commissie niet strekt tot herroeping van de betreden besluiten, bestaat op grond van artikel 7:15 lid 2 Awb geen aanleiding voor een
proceskostenvergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en geenproceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter