Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

BAC 2022-12253

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]

Primair besluit: 1 april 2021 met kenmerk UHT-B DMBB2, 6 december 2021 met kenmerk UHT-O GS B, 7 december 2021 met kenmerk UHT-DC-I A en 3 mei 2022 met kenmerk UHT-HD CWS

Datum bezwaarschriften: 23 april 2021 en 6 november 2022

Overdracht advies aan UHT: 20 september 2023

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om bezwaarschrift 1 ongegrond te verklaren en om Bezwaarschrift 2 voor zover gericht tegen de besluiten met kenmerk UHT-DC-I A en kenmerk UHT-OGS B ongegrond te verklaren.
De Commissie houdt de behandeling van bezwaarschrift 2 aan voor zover gericht tegen het besluit met kenmerk UHT-HD CWS.

Onderwerp van advies

Bezwaarschrift 1

Het door (hierna: belanghebbende) ingediende bezwaarschrift van 23 april 2021 is gericht tegen de door UHT genomen beschikking van 1 april 2021 op de aanvraag van belanghebbende om toekenning van een zogenoemde Catshuisuitkering

Bezwaarschrift 2

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift van 6 november 2022 is
gericht tegen de door UHT genomen beschikking ‘afwijzing compensatie
kinderopvangtoeslag’’ van 7 december 2021 (UHT-DC I A), de beschikking
‘aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie
Werkelijke Schade (CWS)’ van 3 mei 2022 (UHT-HD CWS) en de definitieve
beschikking “tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS)’ van 6 december 2021
(UHT-O OGS B).

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden (Stb. 2022, 433).

Artikel 8.6 Wht bepaalt dat beschikkingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn gegeven vóór het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 2.1, vanaf dat tijdstip worden aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens de van toepassing zijnde artikelen van deze afdeling. Gelet daarop moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 11 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (KOT) over de jaren 2015 en 2019.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 2 november 2021 aan UHT toegestuurd.
  • Bij besluit van 1 april 2021 (UHT-B DMBB2) is aan belanghebbende het forfaitaire bedrag van € 30.000 toegekend.
  • Belanghebbende heeft in een brief van 23 april 2021, ingekomen op 2 april 2021, aangegeven niet tevreden te zijn met de hoogte van deze compensatie. Dit schrijven is ten onrechte niet als bezwaarschrift aangemerkt.
  • Bij besluit van 6 december 2021 (UHT-O GS B) is belanghebbende een O/GS- tegemoetkoming toegekend van € 10.190. Omdat deze tegemoetkoming lager is dan de reeds door belanghebbende ontvangen compensatie van € 30.000 is er geen extra bedrag uitbetaald.
  • Bij besluit van 7 december 2021 (UHT-DC-I A) is belanghebbende bericht dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2014 tot en met 2019.
  • Bij besluit van 3 mei 2022 (UHT-HD CWS) is belanghebbende bericht dat zij geen aanvullende schadevergoeding krijgt toegekend.
  • Bij brief van 6 november 2022, ingekomen op 8 november 2022, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de beschikkingen met kenmerken UHT-HD CWS en UHT-OGS B.
  • UHT heeft op 30 januari 2023 een schriftelijke reactie op de bezwaren van belanghebbende ingediend. Deze is aan belanghebbende toegestuurd.
  • Belanghebbende heeft op 3 augustus 2023 per verschillende e-mailberichten nog aanvullende stukken gestuurd.
  • Op 25 augustus 2023 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden in aanwezigheid van partijen. Het verslag daarvan is achter haar advies gevoegd.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

De ontvankelijkheid van de bezwaarschriften is niet in geding.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Bezwaarschift 1

Belanghebbende heeft in haar brief van 23 april 2021, ingekomen op 29 april
2021, aangegeven niet tevreden te zijn met de hoogte van de compensatie van
€ 30.000. Dit had bij UHT tot de conclusie moeten leiden dat belanghebbende
het met het besluit niet eens was. Deze brief is dan ook ten onrechte niet als
bezwaarschrift aangemerkt. De Commissie adviseert dit alsnog te doen en zal over dit bezwaarschrift haar advies uitbrengen.

Het uitkeren van het forfaitair bedrag van € 30.000 is gebaseerd op de Wht.
Aan een aanvrager van een KOT die in aanmerking komt voor toepassing van
een herstelmaatregel en daarvoor voor 1 januari 2024 een aanvraag heeft
ingediend, wordt ambtshalve eenmalig een forfaitair bedrag toe van € 30.000
toegekend. Dit bedrag wordt verminderd met het forfaitaire bedrag dat de
aanvrager op grond van een herstelmaatregel ontvangt.
Indien de aanvrager daarnaast voor aanvullende compensatie voor werkelijke
schade in aanmerking wil komen, moet hij daarvoor een verzoek indienen bij
UHT.

De inhoud van het bezwaarschrift geeft de Commissie geen reden om de
conclusie te trekken dat bij de toekenning van het bedrag van € 30.000 de Wht
niet goed is uitgevoerd; belanghebbende heeft slechts aangegeven dat de
compensatie niet alle schade dekt.

Belanghebbende heeft aangegeven inmiddels een verzoek voor aanvullende
compensatie te hebben ingediend.

Bezwaarschrift 2

Hoewel blijkens het briefhoofd dit bezwaarschrift zich enkel lijkt te richten tegen
de besluiten met de kenmerken UHT-HD CWS en UHT-OGS B, adviseert de
Commissie dit, gelet op de inhoud, ook te beschouwen als te zijn gericht tegen
het besluit met kenmerk UHT-DC-I A.

De klachten over de gang van zaken bij de herstelprocedure

Belanghebbende is zeer ontevreden over de gang van zaken, met name over de
inspanningen van haar persoonlijk zaakbehandelaar. De Commissie heeft
geconstateerd dat deze klachten inmiddels zijn opgepakt door UHT en gaat
ervan uit dat deze naar behoren zullen worden afgedaan.

Het besluit met kenmerk UHT-HD CWS

Belanghebbende heeft een e-mailbericht van de secretaris van CWS van 5 juli
2023 overgelegd. De Commissie maakt uit dit bericht op dat het bezwaar van
belanghebbende alsnog aanleiding heeft gegeven tot het inschakelen van een
medisch adviseur.

De Commissie wacht de uitkomst daarvan af en zal de behandeling van het bezwaar tegen dit besluit tot nader orde aanhouden.

Het besluit met kenmerk UHT-DC-I A

Ondanks het feit dat belanghebbende op 24 februari 2014 KOT heeft aangevraagd en toegekend gekregen, zijn er volgens UHT in de systemen van de Belastingdienst/Toeslagen geen gegevens bekend die wijzen op opvang bij
een dergelijke instelling. Dit komt overeen met de verklaring van belanghebbende dat zij nooit enige opvang voor haar kinderen heeft gehad. Vaststaat, althans niet in geschil is dan ook dat belanghebbende in de jaren 2014 tot en met 2019 geen opvang heeft afgenomen bij een geregistreerde kinderopvanginstelling

Voor een compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in
aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of
haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van
een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen.
UHT geeft aan dat belanghebbende in de jaren 2014 tot en met 2017
vooringenomen is behandeld.
Ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht wordt echter geen compensatie toegekend indien
de door de aanvrager van een KOT geleden schade is te wijten aan ernstige
onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. Volgens de toelichting op dit
artikellid is daarvan in ieder geval sprake indien uit het dossier blijkt dat er
evident geen recht op KOT bestond in de onderzochte toeslagjaren.
Dat belanghebbende naar haar zeggen financieel misbruikt is door haar ex-echtgenoot en een vriendin maakt dat voor de hier toepasselijke regelgeving, niet anders. Feit blijft dat de kinderen van belanghebbende niet naar een geregistreerde opvang zijn geweest waardoor er geen recht op KOT bestond.
De neerwaartse bijstellingen en terugvorderingen geven gelet op artikel 2.1 lid 1
onder b Wht, ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.

De vraag of er ten aanzien van de toeslagjaren 2018 en 2019 sprake is geweest van hardheid of van institutionele vooringenomenheid hoeft door de Commissie niet beantwoord te worden nu belanghebbende ook in deze jaren geen opvang heeft genoten en er geen bedragen zijn teruggevorderd.

UHT-OGS B

Belanghebbende heeft over de jaren 2014 tot en met 2017 een O/GS tegemoetkoming toegekend gekregen; immers is aan haar vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de KOT, geen persoonlijke betalingsregeling toegekend. Conform artikel 2.6. tweede lid Wht bedraagt deze tegemoetkoming 30 procent van het bedrag van de terugvordering. Belanghebbende stelt dat zij aanzienlijk meer schade heeft geleden.

De Commissie wijst in dit verband op het derde lid van artikel 2.6. Wht op grond waarvan belanghebbende voor een aanvullende O/GS in aanmerking kan komen
indien zij aannemelijk kan maken dat, en in welke mate, de door haar werkelijk
geleden schade als gevolg van de onbillijkheden van overwegende aard, bedoeld
in het eerste lid van genoemd artikel, overeenkomstig het civiele
schadevergoedingsrecht hoger is dan de toegekende O/GS-tegemoetkoming.

Zoals al eerder aangegeven, heeft belanghebbende inmiddels UHT om een dergelijke aanvullende vergoeding gevraagd.

Advies

Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie om:

  • bezwaarschrift 1 ongegrond te verklaren;
  • bezwaarschrift 2 voor zover gericht tegen de besluiten met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-OGS B ongegrond te verklaren.

De Commissie houdt de behandeling van bezwaarschrift 2 aan voor zover gericht tegen het besluit met kenmerk UHT-HD CWS.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter