Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de footer

BAC 2022-12246

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van [belanghebbende]

Primair besluit: 4 oktober 2022 met kenmerk UHT-HD CWS

Ontvangst bezwaarschrift: 14 november 2022

Hoorzitting: 25 augustus 2023

Overdracht advies aan UHT: 8 september 2023

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door [belanghebbende] ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT) genomen beschikking ‘aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade’ (hierna: CWS) van 4 oktober 2022.

In die beschikking is aan belanghebbende meegedeeld dat aan hem geen aanvullende
schadevergoeding wordt betaald.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden (Stb. 2022, 433). Hiermee is de regelgeving in het kader van de
hersteloperatie kinderopvangtoeslag, waaronder de artikelen, 49, 49b en 49c van de
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), de Compensatieregeling en het
Besluit uitbreiding Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag (Stct. 2021, nr. 28304), komen te vervallen. Op grond van artikel 9.2, aanhef en onder e van de Whot werkt afdeling 2.1., voor zover hier relevant, terug tot en met 26 januari 2021.
Artikel 8.6 Wht bepaalt voorts dat beschikkingen, onder andere ter zake van
compensatie, aanvullende compensatie voor werkelijke schade en tegemoetkomingen in het kader van opzet/grove schuld (O/GS) die in het kader van de hersteloperatie
toeslagen zijn gegeven vóór het tijdstip van inwerkingtreding van afdeling 2.1, vanaf dat tijdstip worden aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens de van
toepassing zijnde artikelen van deze afdeling.

Gelet op het voorgaande moet de bestreden beschikking van 4 oktober 2022 geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft zich bij UHT gemeld met een verzoek om herbeoordeling van zijn situatie ten aanzien van de aan hem uitgekeerde kinderopvangtoeslag (hierna: kot).
  • Bij beschikking van 23 december 2021 heeft UHT aan belanghebbende een definitieve compensatie kinderopvangtoeslag toegekend van € 7.662 voor de toeslagjaren 2009 en 2011, welk bedrag op grond van de zogenoemde Catshuisregeling is aangevuld tot € 30.000.
  • Op 29 december 2021 heeft belanghebbende tevens verzocht om een aanvullende schadevergoeding.
  • Op 13 september 2022 heeft CWS aan UHT geadviseerd over het verzoek om aanvullende schadevergoeding.
  • Bij beschikking van 4 oktober 2022 heeft UHT dit advies gevolgd en aan belanghebbende meegedeeld dat hij geen aanvullende schadevergoeding ontvangt.
  • Bij brief van 9 november 2022, door UHT ontvangen op 14 november 2022, heeft belanghebbende hiertegen bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 11 april 2023 een schriftelijke reactie ingediend op de bezwaren van belanghebbende.
  • Op 28 augustus 2023 heeft de Commissie een hoorzitting gehouden. Hiervan is een verslag gemaakt.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend en ontvangen.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Toetsingskader

De Commissie stelt ten aanzien van de door haar te verrichten toetsing van het bestreden besluit van UHT het volgende voorop.

In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt het kabinet gedupeerde
ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Dit verzoek kan door de gedupeerde ouder worden ingediend bij CWS. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (vgl. het eerdere advies van de BAC van 29 april 2022, zaak nr. BAC 2021-2219, te raadplegen via www.herstel.toeslagen.nl). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.

Omdat CWS is ingesteld om gedupeerde ouders de gang naar de rechter te besparen, dient de adviesprocedure tegemoet te komen aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM.

Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, wordt het advies uitgebracht aan UHT. UHT mag zich volgens vaste jurisprudentie op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Daarbij is van belang dat het advies past binnen de door CWS vastgelegde beleidskaders.

UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met
verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het
advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die afwijkt van het advies van de CWS, maar dit moet dan goed
onderbouwd worden.
In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. In het geval UHT is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden.

De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT zich in dit geval kon baseren op het advies van CWS.

Beoordeling

De vraag of UHT zich in het besluit mocht baseren op het advies van CWS, beantwoordt de Commissie bevestigend. De Commissie meent, gelet op de stukken en het onderzoek ter zitting, dat het advies op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, inzichtelijk gemotiveerd en navolgbaar is. De Commissie ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, geen aanknopingspunten die twijfel doen rijzen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. De Commissie neemt daartoe het volgende in aanmerking.

Belanghebbende heeft gesteld dat zijn echtgenote ten gevolge van de kot- problematiek veel stress heeft ondervonden en daardoor gokverslaafd is geworden. Door de gokschulden en de vele terugbetalingen van kot, was het nodig de woning te verkopen en daarbij is een restschuld ontstaan. UHT heeft in navolging van CWS geen causaal verband tussen de kot problemen en de gokschulden en evenmin tussen de gokschulden en de verkoop van de woning aanwezig geacht. Ook meent UHT, in navolging van CWS, dat niet aannemelijk is geworden dat de woning is verkocht voor een bedrag dat lager is dan de marktwaarde.

In bezwaar heeft belanghebbende aangevoerd dat weliswaar niet bewezen kan worden dat de gokverslaving is ontstaan door de kot problemen, maar dat de gokverslaving zeker getriggerd is door de vele verrekeningen en terugbetalingen van de kot en dat UHT en CWS dit zouden moeten erkennen. Daarom zou UHT de schade door de verkoop van de woning en het bedrag van de geldlening van de schoonouders van belanghebbende dienen te vergoeden.

Hoewel in het kader van het herstelrecht minder zware eisen aan het bewijzen van de
schade en het causaal verband gesteld worden dan in het civiele recht gebruikelijk is, dient de belanghebbende wel de door hem geleden schade en het door hem gestelde
causale verband aannemelijk te maken.
De Commissie heeft er op zich zelf oog voor dat de vele verrekeningen en de
terugbetalingen kot hebben geleid tot stress bij belanghebbende en zijn echtgenote. Het antwoord op de vraag of een causaal verband bestaat tussen de kot problematiek, de ontstane gokschulden en de verkoop van de woning, kan echter in dit geval, hoe
onbevredigend dat voor belanghebbende ook zal zijn, in het midden blijven.
Al aangenomen dat sprake zou zijn van een causaal verband tussen de kot problemen en het ontstaan van de gokverslaving en de daaruit voortvloeiende gevolgen is in ieder
geval niet, althans onvoldoende, aannemelijk geworden dat er op dit punt sprake is van schade die zou bestaan uit een verkoopopbrengst van de woning die lager lag dan de toenmalige marktwaarde.
Bij deze stand van zaken concludeert de Commissie dat UHT zich heeft mogen baseren
op het advies van CWS en heeft kunnen besluiten dat de gestelde schade door verkoop
van de woning niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Ook ten aanzien van de geldlening bij de schoonouders van belanghebbende heeft UHT het advies van CWS kunnen volgen. CWS heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een lening als zodanig geen schadepost is.

Wellicht ten overvloede wijst de Commissie er ter voorlichting van belanghebbende op
dat vergoeding van eventuele aanvullende werkelijke schade pas aan de orde is als die
schade hoger is dan het bedrag waarmee de compensatie is aangevuld tot het forfaitaire bedrag van € 30.000, in het geval van belanghebbende dus in geval de werkelijke schade hoger zou zijn dan € 22.338.

Conclusie en advies

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om het bezwaarschrift ongegrond te verklaren

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter