BAC 2022-12237
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 22 september 2022 met kenmerk UHT-HD CWS
Ontvangst bezwaarschrift: 17 oktober 2022
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 18 juli 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking met kenmerk UHT-HD CWS, waarbij aan belanghebbende na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) geen aanvullende compensatie is toegekend.
Op 5 november 2022 is de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) in werking getreden (Stb. 2022, 433). Op grond van artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten beschikkingen die in het kader van de hersteloperatie toeslagen zijn gegeven vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wht, vanaf dat tijdstip geacht worden te zijn genomen op grond van afdeling 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Bij beschikking definitieve compensatie CAF-11 van 26 maart 2020 (met kenmerk T-C DR CAF-11 CB 2) heeft UHT belanghebbende voor toeslagjaar 2013 gecompenseerd met een bedrag van € 7.611. Er is geen recht op compensatie over de jaren 2012 en 2014.
- Bij beschikking van 3 februari 2021 heeft UHT de compensatie op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000.
- Belanghebbende heeft op 17 april 2021 een verzoek om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade ingediend bij CWS.
- Belanghebbende heeft op 8 februari 2022 de schriftelijke vragen van CWS beantwoord.
- Belanghebbende heeft op 20 april 2022 een toelichtingsgesprek bij CWS gehad en een toelichting gegeven op haar verzoek om in aanmerking te komen voor vergoeding van de werkelijke schade.
- Op 19 augustus 2022 heeft CWS advies uitgebracht aan UHT. CWS heeft geadviseerd om geen aanvullende vergoeding van schade toe te kennen.
- Bij beschikking van 22 september 2022 met kenmerk UHT-HD CWS (hierna: de bestreden beschikking) heeft UHT het advies van CWS overgenomen en het verzoek om een aanvullende vergoeding afgewezen.
- Gemachtigde heeft tegen de bestreden beschikking met het bezwaarschrift van 13 oktober 2022, ingekomen op 17 oktober 2022, bezwaar aangetekend.
- UHT heeft met de schriftelijke reactie van 3 oktober 2023 gereageerd.
- Op 23 april 2023 heeft gemachtigde de Commissie verzocht de zaak op de stukken af te doen. De Commissie ziet daarom op grond van het bepaalde in artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af van het horen van belanghebbende.
- Op 28 april 2024 heeft gemachtigde een aanvullend bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 15 mei 2024 een aanvullende schriftelijke reactie gegeven.
- De Commissie heeft UHT op 8 januari 2025 verzocht te berichten wat de gevolgen zijn van het nieuwe beleidskader CWS voor de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade.
- Op 28 januari 2025 heeft gemachtigde per email een reactie gegeven op het nieuwe beleidskader CWS.
- Op 4 februari 2025 heeft UHT een reactie gegeven op het nieuwe beleidskader CWS.
- Gemachtigde heeft in de email van 5 februari 2025 om 12:44 uur gereageerd op de reactie van UHT.
- UHT heeft op de email van gemachtigde op 5 februari 2025 om 16:33 uur gereageerd.
- Gemachtigde heeft op de email van UHT op 5 februari 2025 om 17:15 uur gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is. Belanghebbende heeft meegedeeld af te zien van het recht te worden gehoord. Dit advies wordt uitgebracht op basis van de op de zaak betrekking hebbende stukken die aan de Commissie ter beschikking zijn gesteld.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Toetsingskader
In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid om - naast de (deels) forfaitaire compensatie - bij CWS een verzoek om vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade in te dienen. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt (i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en (ii) dat die schade het gevolg is van de handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al (forfaitair) gecompenseerd is.
Omdat de procedure bij CWS is ingesteld om gedupeerde ouders de gang naar de rechter te besparen, dient de adviesprocedure tegemoet te komen aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM.
Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, brengt zij advies uit aan UHT. UHT mag zich bij het nemen van een beslissing op het onderzoek en het advies van CWS baseren, nadat zij zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS als het advies zelf de motivering bevat en van het advies aan de belanghebbende kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet dan goed onderbouwd worden.
In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. In het geval UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden.
De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT zich in dit geval kon baseren op het advies van CWS.
Inkomensschade
Belanghebbende heeft gesteld door de stopzetting van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) in de problemen te zijn gekomen. Hierdoor moest zij de zorg voor haar kinderen op zich nemen. Op dat moment studeerde zij en had zij net de bacheloropleiding "Islam en Arabisch" afgerond. Zij wilde verder studeren en beginnen met de master "Religie en beleid". Deze (nieuwe) studie kon zij echter niet combineren met de zorg voor haar kinderen. Daarnaast kon zij vanwege haar depressiviteit, waarvoor zij onder behandeling was, niet verder studeren. Belanghebbende heeft aangegeven dat zij hierdoor kansen op een goede baan is misgelopen en een bedrag van € 2.500 per maand minder heeft verdiend over de periode september 2014 tot en met april 2021. Zij vraagt om een vergoeding van geleden inkomensschade van in totaal € 200.000.
Belanghebbende heeft toegelicht dat het maandbedrag van € 2.500 een bruto bedrag is dat gebaseerd is op het gemiddelde inkomensniveau van personen die zijn afgestudeerd met een master "Religie en beleid". In de jaren 2009 tot en met 2013 heeft zij de studie "Islam en Arabisch" gevolgd en op 31 juli 2013 haar bachelorsdiploma behaald. Zoals hiervoor vermeld, heeft zij zich in 2013 niet ingeschreven voor de masterstudie.
CWS heeft in haar advies van 19 augustus 2022 overwogen dat belanghebbende voor 2014 geen KOT had aangevraagd en dat de problemen met de KOT in 2013 nog niet speelden. De problemen met de KOT zijn ontstaan op 1 september 2014, toen B/T had beschikt dat de KOT over 2013 terugbetaald diende te worden. CWS overweegt dat er mogelijk andere oorzaken zijn geweest waardoor belanghebbende haar opleiding niet heeft vervolgd. CWS heeft daarom geadviseerd dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een vergoeding van de gestelde inkomensschade. UHT is van oordeel dat het advies van CWS ten aanzien van de verzochte vergoeding van inkomensschade voldoende gemotiveerd is en zorgvuldig is tot stand gekomen.
In het bezwaarschrift geeft belanghebbende aan dat CWS ten onrechte heeft geconcludeerd dat de KOT-problematiek pas speelde nadat zij haar studie had gestaakt. Volgens haar ontstonden de problemen met de KOT al eerder, waardoor zij zelf voor haar kinderen moest zorgen, geen opleiding kon volgen en ook geen baan kon aannemen. Dat zij naast de gemiste master ook niet kon werken, omdat zij geen andere opvang had zonder KOT leidt tot een andere vorm van inkomens-schade die nu niet is meegewogen.
UHT stelt in de schriftelijke reactie van 3 oktober 2023 dat het oordeel van CWS ten aanzien van inkomensschade voldoende gemotiveerd is en zorgvuldig tot stand is gekomen. In het bezwaarschrift zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.
In de email van 28 april 2024 wordt door gemachtigde verwezen naar het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid en naar de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 26 januari 2024. De stopzetting en de terugvordering van KOT hebben bij de keuzes die belanghebbende kon maken, een aanzienlijke rol gespeeld, zoals ook bij het verloop van haar studie en de mogelijkheid om te werken. Zij had het plan om na haar bachelor een master te volgen en dit te combineren met de zorg voor haar kinderen. Door de stopzetting van de KOT en de terugvordering daarvan moest zij volledig voor de kinderen zorgen, en, was er geen ruimte meer voor studeren en kon zij niet met haar master beginnen.
Dit heeft geleid tot direct inkomensverlies, omdat belanghebbende later met haar studie kon beginnen en later een betaalde baan kon aannemen. De stopzetting van de KOT door B/T is dus een van de oorzaken van deze schade. Belanghebbende acht dit voldoende aangetoond en gezien het tijdpad ook logisch. Gelet op deze verschillende oorzaken had CWS dit beter moeten onderzoeken en motiveren of stevig moeten doorvragen om te bepalen of het een deeloorzaak is of dat er sprake is van proportionele aansprakelijkheid voor de schade.
UHT is het eens met het advies van CWS. Zij verwijst naar de uitspraak van de Raad van State van 27 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3620), waaruit volgt dat het aan belanghebbende is om de schade aannemelijk te maken en dat er aanknopingspunten moeten zijn om causaliteit in een dergelijk geval aan te kunnen nemen. Belanghebbende ontving op 3 oktober 2014 de nihilstelling over het jaar 2013, waarbij zij een bedrag van € 6.142 moest terugbetalen. Zij heeft bezwaar aangetekend en daarna beroep ingesteld, waardoor dit bedrag niet is ingevorderd. Op 13 november 2015 ontving zij de definitieve beschikking waarin alsnog KOT werd toegekend over de betreffende periode. Belanghebbende is in juli 2013 afgestudeerd aan de RU in Religiewetenschappen en heeft zich daarna niet ingeschreven voor een masteropleiding. In 2014 heeft zij ook geen KOT aangevraagd. UHT ziet geen aanleiding om af te wijken van het CWS advies.
Naar het oordeel van de Commissie heeft CWS voldoende gemotiveerd dat de problemen met de KOT na 1 september 2014 zijn ontstaan en dat geen verband aannemelijk is geworden tussen het na het behalen van de bacheloropleiding "Islam en Arabisch" op 31 juli 2013 niet laten inschrijven voor de materopleiding "Religie en beleid" en die - later ontstane - problemen met de KOT. De Commissie merkt op dat de voorschotten KOT over de toeslagjaren 2011 en 2012 zijn aangepast c.q. bijgesteld door (reguliere) wijziging van het gezamenlijk toetsingsinkomen. De KOT over deze jaren is vervolgens definitief opwaarts bijgesteld naar respectievelijk € 2.575 en € 12.652. Dat belanghebbende over deze jaren te maken kreeg met enorme terugvorderingen is de Commissie niet gebleken. Over deze jaren gaat het immers om reguliere aanpassingen van de KOT en is er geen sprake geweest van vooringenomen handelen door B/T. Ook daarin is geen verband te zien met het niet direct starten van de masteropleiding in 2013.
De Commissie merkt nog op dat belanghebbende met de beschikking van
3 oktober 2014 werd geconfronteerd met een terugvordering van € 6.142 maar uit de LIC-verzichten van 2013 valt op te maken dat B/T niet daadwerkelijk tot inning van het bedrag aan teruggevorderde KOT is overgegaan. Belanghebbende heeft dan ook geen KOT hoeven terug te betalen. Door bezwaar te maken en vervolgens beroep in te stellen is het terugvorderingsbesluit, na nadere beoordeling door B/T, met de beschikking van 13 november 2015 ongedaan gemaakt en is aan belanghebbende alsnog een bedrag van € 6.720 aan KOT toegekend.
De Commissie merkt verder op dat belanghebbende tijdens het toelichtingsgesprek van 20 april 2022 heeft verteld dat zij na het behalen van haar bachelorsdiploma niet met haar masteropleiding is begonnen omdat zij dat niet kon combineren met de zorg over haar kinderen. Ook vanwege haar lichamelijke klachten was zij niet in staat om verder te studeren.
Belanghebbende heeft haar stelling dat zij door de KOT-problematiek lichamelijke en psychische klachten heeft gekregen niet met medische stukken onderbouwd. De Commissie heeft hiervoor in de onderliggende stukken ook geen aanknopingspunten aangetroffen.
De Commissie komt, gelet op het voorgaande, niet toe aan de beoordeling van de proportionele aansprakelijkheid, omdat er geen causaal verband is aangetoond tussen de KOT-problematiek en de geclaimde inkomensschade als gevolg van het niet behalen van de masterstudie.
De Commissie is dan ook van oordeel dat UHT het advies van CWS met betrekking tot deze inkomensschade terecht heeft gevolgd en aldus op goede gronden heeft geadviseerd om deze schade niet te vergoeden. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende heeft op basis van de compensatiebeschikking van UHT een bedrag van € 6.000 ontvangen voor immateriële schade. UHT heeft CWS verzocht te adviseren of er aanleiding is om aan belanghebbende een aanvullend bedrag voor immateriële schade toe te kennen. Belanghebbende heeft stress en verdriet ervaren door de KOT-problematiek over het toeslagjaar 2013. CWS heeft geconcludeerd dat een vergoeding voor het veroorzaakte geestelijk leed op zijn plaats is, gezien de aard en ernst van de problematiek en de gevolgen voor belanghebbende en haar gezin. Bij de bepaling van de omvang van deze vergoeding houdt CWS rekening met het volgende:
CWS is van oordeel dat het bericht over de terugvordering van de KOT impact heeft gehad op het leven van belanghebbende. Nadat belanghebbende op 1 september 2014 de mededeling ontving dat zij de KOT over 2013 moest terugbetalen, heeft zij een jaar in onzekerheid verkeerd. Belanghebbende heeft bezwaar moeten maken en beroep moeten instellen, waarna zij op 9 september 2015 een positieve beslissing ontving en de KOT over 2013 alsnog werd toegekend. CWS vindt het aannemelijk dat het doorlopen van de bezwaar- en beroepsprocedures en de daarmee gepaard gaande onzekerheid stress bij belanghebbende hebben opgeleverd. CWS vindt eveneens aannemelijk dat dit ook zijn weerslag heeft gehad op haar partner en haar kinderen maar heeft niet kunnen vaststellen dat de gezondheidsklachten van belanghebbende door de toeslagenaffaire zijn veroorzaakt.
De CWS weegt standaard mee hoeveel tijd er is verstreken vanaf de eerste negatieve beschikking tot aan haar advies. Belanghebbende ontvangt hiervoor een vaste vergoeding van € 500 per half jaar. Concreet gaat het om de periode van
3 oktober 2014 tot 19 augustus 2022, afgerond 16 halve jaren. Dit leidt tot een (forfaitaire) vergoeding van € 8.000. Belanghebbende heeft op grond van de compensatiebeschikking al een immateriële schadevergoeding van € 6.000 ontvangen. De CWS adviseert dit bedrag in mindering te brengen op de toe te kennen vergoeding voor immateriële schade.
De CWS adviseert om de immateriële schade te begroten op € 11.700, inclusief wettelijke rente. Dit bedrag omvat € 9.700 voor het leed van belanghebbende en haar partner en € 2.000 voor het leed van de kinderen. UHT heeft dit advies in de bestreden beschikking overgenomen.
In bezwaar stelt de gemachtigde dat de toegekende vergoeding voor immateriële schade ten onrechte met de uitkering ingevolge de Catshuisregeling is verrekend. Het verschil tussen € 11.700 en € 6.000 moet alsnog aan belanghebbende worden voldaan.
In de beschouwing van 3 oktober 2013 stelt UHT dat de wetgever uitdrukkelijk heeft bedoeld dat bij de berekening van de werkelijke schade rekening wordt gehouden met het eerder toegekende forfaitaire bedrag van € 30.000.
Als het totale bedrag aan compensatie of tegemoetkoming, inclusief die voor de werkelijke schade, lager is dan- of gelijk is aan € 30.000, vindt er geen aanvullende uitbetaling plaats. In dat geval wordt aangenomen dat belanghebbende met het forfaitaire bedrag van € 30.000 ook voor de werkelijke schade is gecompenseerd. Om dubbele compensatie te voorkomen, houdt de CWS bij het berekenen van de totale werkelijke schade, materieel en immaterieel, rekening met het aanvullende bedrag dat belanghebbende heeft ontvangen op grond van de Catshuisregeling en/of als een tegemoetkoming vanwege een onterechte opzet/grove schuld kwalificatie.
In de email van 28 april 2024 merkt gemachtigde op dat het belanghebbende niet duidelijk is hoe het bedrag aan immateriele schadevergoeding vanuit het CWS-advies is opgebouwd. Gemachtigde verwijst naar de Leidraad CWS Immateriele schadevergoeding en naar de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 26 januari 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:504). Uit die uitspraak volgt dat een duidelijke berekening en een specificatie met de bouwstenen moeten worden gemaakt. Uit de stukken en uit het CWS-advies blijkt daarvan niet. Voor het leed van belanghebbende en van haar partner gezamenlijk is € 9.700 opgenomen, terwijl €6.000 per partner het maximum is. Waarom dan de keuze voor € 9.700 en niet voor € 12.000? Andere factoren zoals stress, schulden, studievertraging en het tijdelijk opgeven van dromen zijn niet verdisconteerd of anderszins inzichtelijk gemaakt. Ook het aspect van de kinderen is niet meegenomen. Het bouwstenen systeem is onvoldoende toegepast, waardoor sprake is van een onjuiste beslissing. De beslissing is onvoldoende gemotiveerd en het is niet duidelijk waarom er geen hogere immateriële schadevergoeding is gegeven.
UHT geeft in haar aanvullende schriftelijke reactie van 15 mei 2024 aan dat het onderdeel immateriele schadevergoeding wel degelijk in het advies van CWS is gemotiveerd. Na het uitbrengen van dit advies heeft CWS het beleidskader begroting immateriele schadevergoeding (beleidskader ISV) vastgesteld, waarin diverse bouwstenen zijn opgenomen om de omvang van de immateriele schadevergoeding inzichtelijk te maken. UHT heeft in haar aanvullende schriftelijke reactie de motivering van het bedrag aan immateriele schade uit het advies en de van CWS ontvangen berekening getoetst aan het beleidskader ISV. UHT komt niet tot een hogere immateriele schadevergoeding. UHT heeft toegelicht hoe de immateriele schadevergoeding is opgebouwd:
Bouwsteen A (€ 3.000): UHT heeft de inhoud van het advies van CWS op dit onderdeel mede aan de hand van hetgeen tijdens het hoorgesprek naar voren is gekomen getoetst aan het beleidskader ISV. Hieruit heeft UHT de factoren gehaald die volgens het beleidskader voor de te berekenen vergoeding van belang zijn: sociale impact, bezwaar-en beroepsprocedure en stress (3 x € 500). CWS heeft eenmaal € 1.500 toegekend, terwijl belanghebbende ook een partner heeft. Daarom dient belanghebbende nog een aanvullende vergoeding te ontvangen van € 1.500. UHT is van mening dat daarmee alle feiten en omstandigheden, die van belang zijn, wat betreft bouwsteen A zijn meegenomen.
Bouwsteen B (€ 2.000): UHT is van mening dat de terugvorderingen een sociale impact op het leven van de twee kinderen hebben gehad. Daarom heeft de CWS een vergoeding van € 1.000 per kind toegekend. CWS is er daarbij correct vanuit gegaan dat belanghebbende voor niet meer dan een toeslagjaar als gedupeerde is aangemerkt. Daarnaast ging het om een terugvordering over een korte periode waarin van terugvordering sprake was, omdat deze terugvordering werd teruggedraaid met de gegrondverklaring van het bezwaar. Voor een eventuele aanvullende vergoeding voor de kinderen verwijst UHT belanghebbende naar de kindregeling.
Bouwsteen C (€ 200): De berekening is conform het beleidskader. Gezamenlijk inkomen van de ouder in relatie tot de teruggevorderde kinderopvangtoeslag: €6.000 (bedrag teruggevorderde kinderopvangtoeslag) / € 62.000 (gezamenlijk bruto jaarinkomen) x €1.500 = € 145 = afgerond € 200.
Bouwsteen E (€ 8.000): De berekening is conform het beleidskader. Het aantal jaren dat is verstreken tussen de datum van de eerste onterechte vermindering/stopzetting van de kinderopvangtoeslag en de datum van het advies van de CWS: 3 oktober 2014 tot en met 19 augustus 2022 is 16 halve jaren x € 500 = € 8.000.
Subtotaal: C 13.200: Dit is een hoger bedrag dan CWS heeft geadviseerd. Belanghebbende heeft op grond van de compensatiebeschikking een bedrag aan immateriele schadevergoeding van € 6.000 ontvangen. De door CWS geadviseerde aanvullende schadevergoeding wordt verrekend met het bedrag van het surplus Catshuisregeling. Dat volgt uit de aard van die regeling. Het surplus Catshuisregeling wordt aangemerkt als een vergoeding voor zowel materiele als immateriele schade. Dat betekent dat belanghebbende geen aanvullend bedrag aan schadevergoeding ontvangt.
Gemachtigde heeft in de reactie per email van 28 januari 2025 op de aanvullende schriftelijke reactie van UHT gesteld dat er geen sprake zou zijn van ruimhartigheid en dat er niet gekeken is naar de gevolgen voor belanghebbende, haar partner en haar gezin. Het huidige schadekader resulteert in een vergoeding van slechts €500, welk bedrag niet in verhouding staat tot het onrecht dat hen is aangedaan. Alleen de aspecten 1, 5 en 7 zijn bij de berekening betrokken, terwijl ook aspecten 4, 9, 10 en 21 een rol spelen.
Aspect 4 betreft de tijdsduur van de onzekerheid over de KOT, wat zou moeten leiden tot een vergoeding van € 1.500. Aspecten 9 en 10 betreffen de ongelijke behandeling en aantasting van eigenwaarde, wat leidt tot een vergoeding van €3.000. De spanningen in de relatie zouden moeten leiden tot een vergoeding van € 1.500. In totaal zou er aldus nog een vergoeding van € 6.000 moeten worden toegekend.
Volgens gemachtigde wordt het nieuwe beleid ook niet correct toegepast, waardoor belanghebbende ten onrechte slechts € 500 extra ontvangt. Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, omdat de bestreden beslissing herroepen moet worden.
UHT heeft op 4 februari 2025 gereageerd op de reactie van gemachtigde van 28 januari 2025 en bij de berekening van de immateriële schade alsnog de factor "Impact op de relatie" meegenomen. De kinderopvangtoeslagproblematiek heeft zijn weerslag gehad op het gezin, waarvoor € 1.500 wordt toegekend (tweemaal €750). De factor "tijdsduur" wordt beperkt toegepast vanwege de hoogte van het bedrag van de terugvordering en de beperkte tijdsduur van een jaar.
Op 1 september 2014 werd de KOT over 2013 stopgezet, wat leidde tot een terugvordering van € 6.142. Op 9 september 2015 werd geconstateerd dat de overeenkomst een uurtarief en opzegtermijn bevatte, waarna de KOT over 2013 opnieuw werd berekend. In de nieuwe beschikking van 13 november 2015 werd de hoogte van de KOT bepaald op € 6.371 en werd € 349 aan rente vergoed. Voor de factor tijdsduur wordt € 1.000 meegewogen (tweemaal € 500). Met de factoren 9 en 10 wordt geen rekening gehouden omdat hiervoor in het dossier geen aanknopingspunten te vinden zijn. Rekening wordt gehouden met een vergoeding van € 500 voor het voeren van de procedure bij CWS. De totale vergoeding voor de immateriële schade komt hiermee uit op C 18.500. Deze wijzigingen hebben geen invloed op het per saldo aan belanghebbende uit te keren bedrag.
In de reactie van 5 februari 2025 heeft gemachtigde -kort samengevat- nog het volgende naar voren gebracht.
- Het bezwaar van belanghebbende moet gegrond worden verklaard.
- Het is niet juist dat voor de factor "Tijdsduur" een bedrag van € 500 wordt vergoed, terwijl bij andere aspecten een bedrag van € 750 wordt gehanteerd. Verzocht wordt om deze bedragen gelijk te trekken.
- Ten onrechte zijn de factoren 9 en 10 niet meegenomen. Met deze aspecten wordt juist beoogd de immateriele schade te vergoeden vanwege de aantasting van de persoon (ervaren ongelijke behandeling en aantasting van eigenwaarde). Dit is in feite de kernoorzaak van de schade: het gevoel er niet bij te horen, anders behandeld te worden, strenger behandeld te worden, geen onderdeel te zijn van de samenleving. Verzocht wordt om deze aspecten alsnog bij de schadeberekening mee te nemen, wat leidt tot een (aanvullende) vergoeding van € 3.000 (tweemaal 2 x € 750).
In reactie op de email van de gemachtigde van 5 februari 2025 heeft UHT gesteld dat er geen aanleiding is om met deze laatste factoren rekening te houden. Verder heeft UHT benadrukt dat het bezwaarschrift ongegrond verklaard dient te worden omdat het oorspronkelijke besluit gebaseerd is op het toen geldende beoordelingskader.
In reactie op de email van UHT stelt gemachtigde dat het bezwaarschrift gegrond verklaard moet worden nu de hoogte van de vergoeding in bezwaar wordt gewijzigd.
De nadere begroting van de immateriele schade op een totaal bedrag van € 18.500 komt de Commissie als voldoende onderbouwd en aannemelijk voor. De Commissie kan zich vinden in het oordeel van UHT dat uit de onderliggende stukken niet is gebleken dat belanghebbende een ongelijke behandeling heeft ondervonden dan wel slachtoffer is geweest van discriminatie. Ook zijn er geen aanwijzingen aangetroffen waaruit blijkt dat belanghebbende door het handelen van B/T een aangetast gevoel van eigenwaarde heeft overgehouden. De Commissie kan zich verenigen met de motivering van UHT met betrekking tot het bedrag van € 500 voor de factor "tijdsduur".
De Commissie stelt vast dat belanghebbende als gevolg van de toepassing van het beleidskader ISV een hoger bedrag aan vergoeding voor immateriele schade ontvangt, namelijk € 18.500. Deze aanvullende vergoeding wordt echter op goede gronden met het surplus vanuit de Catshuisregeling verrekend. Belanghebbende ontvangt hierdoor per saldo geen hoger bedrag dan eerder is toegekend, namelijk € 30.000.
De Commissie kan zich vinden in het standpunt van UHT dat de wetgever uitdrukkelijk heeft bedoeld dat bij de berekening van de werkelijke schade rekening wordt gehouden met het eerder toegekende forfaitaire bedrag van €30.000 ingevolge de Catshuisregeling. Als het totale bedrag aan compensatie of tegemoetkoming, inclusief de werkelijke schade, lager of gelijk is aan € 30.000, vindt er geen aanvullende uitbetaling plaats. De Commissie verwijst hier naar het bepaalde in artikel 2.1, derde lid in combinatie met artikel 2.7 eerste en vierde lid Wht.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar van belanghebbende ongegrond te verklaren.
UHT heeft op basis van het beleidskader ISV aan belanghebbende een vaste vergoeding toegekend ter grootte van € 500 (inclusief wettelijke rente) per huishouden voor de tijd die zij kwijt is geweest aan de procedure bij CWS. Deze vergoeding wordt niet verrekend met de al ontvangen compensatie. Belanghebbende ontvangt daarom een aanvullende vergoeding van € 500,-.
Vergoeding kosten van rechtsbijstand
Nu het bezwaar ongegrond is, is er geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet dan ook, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren om een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter