Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-12232

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 15 augustus 2022 (UHT-CWS VS A)]

Hoorzitting: 6 oktober 2025

Overdracht advies aan UHT: 4 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren voor wat betreft het onderdeel “vervangende opvangkosten” en het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren. Verder adviseert de Commissie om belanghebbende de gebruikelijke proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen aanvullende compensatie.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 23 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007, 2008, 2010 en januari tot en met september 2014.
  • UHT heeft bij besluit van 26 mei 2022 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 59.274,-.
  • Belanghebbende heeft op 23 juni 2022 verzocht om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
  • De CWS heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 17 april 2024 aan UHT toegestuurd.
  • UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij het bestreden besluit aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van €-11.122,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 31 mei 2024, ingekomen op 3 juni 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 27 maart 2025 schriftelijk gereageerd het bezwaarschrift.
  • Op 6 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 16 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 27 oktober 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Toetsingskader

In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.

CWS vervult hierbij een adviserende rol. Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, wordt advies uitgebracht aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet dan goed onderbouwd worden.

In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar.

In het geval UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden.

De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT zich in dit geval kon baseren op het advies van CWS. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende aangegeven dat de bezwaren zich beperken tot de hierna te bespreken aspecten.

Vervangende opvangkosten 2012 en 2013

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de vergoeding voor vervangende opvangkosten voor het oudste kind over toeslagjaren 2012 en 2013. Daarnaast maakt belanghebbende bezwaar tegen het niet toekennen van vervangende opvangkosten voor het jongste kind over diezelfde jaren. Ook vindt belanghebbende dat voor de overige jaren vervangende opvangkosten moeten worden toegekend. De Commissie overweegt als volgt. In haar aanvullende beschouwing heeft UHT het standpunt ingenomen dat belanghebbende alsnog een vergoeding toegekend moet krijgen voor de vervangende opvangkosten van het jongste kind over de toeslagjaren 2012 en 2013. Ook geeft UHT aan dat zij, vanwege het aangepaste schadekader, de vergoeding voor vervangende opvangkosten ten behoeve van het oudste kind opwaarts aanpast. In haar reactie op de aanvullende beschouwing heeft belanghebbende aangegeven dat zij zich daarin kan vinden. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren en te beslissen overeenkomstig hetgeen daarover wordt opgemerkt in haar aanvullende beschouwing.

Vervangende opvangkosten vanaf 2014

Belanghebbende maakt ook bezwaar tegen de afwijzing van vergoeding van vervangende opvangkosten voor de toeslagjaren vanaf 2014. De Commissie overweegt dat uit het dossier volgt dat belanghebbende in 2014 met haar kinderen in Suriname is gaan wonen en dat zij daar is gaan werken. Daardoor kon belanghebbende geen aanspraak maken op KOT. In haar reactie op de aanvullende beschouwing heeft belanghebbende haar standpunt ten aanzien van dit onderwerp gehandhaafd, maar geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die een ander licht werpen op de zaak. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Reiskosten

De Commissie onderschrijft de conclusie van CWS dat belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van reiskosten in verband met de aanvraag voor toelating tot de WSNP en het vertrek naar Suriname. Uit de stukken blijkt dat belanghebbende reeds vóór de problemen met de KOT aanzienlijke schulden had, die bij de WSNP-aanvraag circa € 62.000,- bedroegen (exclusief toeslagschulden). Niet aannemelijk is dat de gemaakte reiskosten zijn veroorzaakt door de kinderopvangtoeslagproblematiek. Voorts volgt uit het vonnis van Rechtbank Rotterdam van 23 april 2014 dat de schuldsanering voortijdig is beëindigd wegens het niet nakomen van de informatie- en sollicitatieplicht. Het latere vertrek naar Suriname vond plaats omdat belanghebbende weg wilde vanwege schuldeisers en kan niet in redelijkheid worden aangemerkt als gevolg van de toeslagenaffaire. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Vrije dagen

Hetzelfde geldt voor het verzoek om vergoeding van vrije dagen. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden dat belanghebbende vrije dagen heeft opgenomen als gevolg van de kinderopvangtoeslagproblematiek. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

WSNP

Ten aanzien van de WSNP-aanvraag overweeg de Commissie, onder verwijzing naar de overweging over de reiskosten, dat de schulden wegens terugvordering van KOT niet zijn opgenomen in de bij de aanvraag ingediende schuldenlijst. De Commissie acht het daarom niet aannemelijk dat de aanvraag tot toelating tot de WSNP het gevolg was van de kinderopvangtoeslagproblematiek. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Zoon

De Commissie heeft er oog voor dat belanghebbende vanwege de autismediagnose van haar zoon en zijn plaatsing op speciaal onderwijs veel tijd en aandacht aan hem moest besteden. In het dossier zijn echter geen aanknopingspunten te vinden dat de problemen met de KOT ertoe hebben geleid dat belanghebbende hiervoor vrije dagen heeft moeten opnemen. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Inkomensschade

De Commissie ziet onvoldoende aanknopingspunten dat belanghebbende door de kinderopvangtoeslagproblematiek inkomensschade heeft geleden. Uit het huisartsenjournaal blijkt dat belanghebbende al vóór 2010 gezondheidsklachten had en deze ook nadien behield, zonder medische onderbouwing dat deze klachten hun oorsprong vinden in de toeslagenaffaire. Nadere informatie, waar door CWS om is gevraagd, is niet verstrekt. Ook de stelling dat vanaf 2014 sprake was van depressiviteit is niet onderbouwd. Belanghebbende heeft tot 2014 gewerkt als docent, is vervolgens naar Suriname gegaan waar zij eveneens als docent gewerkt heeft, en heeft vanaf 2016 in België als docent gewerkt. Hoewel belanghebbende in Suriname en België minder verdiende dat in Nederland, heeft de Commissie geen aanwijzingen gevonden dat die keuzes het gevolg waren van de kinderopvangtoeslagproblematiek. De Commissie acht het daarom niet noodzakelijk om (alsnog) een schade-expert of medisch adviseur in te schakelen en adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Studiekosten

De Commissie acht het niet aannemelijk dat belanghebbende haar studie psychologie in 2013 of 2020 heeft moeten staken vanwege de kinderopvangtoeslagproblematiek. In 2013 liep belanghebbende in het kader van het WSNP-traject weliswaar tegen financiële en persoonlijke problemen aan, maar die kunnen niet worden toegeschreven aan de toeslagenaffaire. In 2020 hebben geen terugvorderingen plaatsgevonden zodat een verband met de toeslagenproblematiek geheel ontbreekt. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Immateriële schade

De Commissie stelt vast dat de immateriële schadevergoeding door CWS is vastgesteld overeenkomstig het destijds geldende beleidskader, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden zijn meegewogen, waaronder de duur van de problemen met de kinderopvangtoeslag en de daarmee gepaard gaande stress voor het gezin. UHT heeft daarbij de periode waarover de vergoeding wordt berekend, bij wijze van uitzondering, in het voordeel van belanghebbende verlengd tot de datum van de beschouwing. Het door CWS gehanteerde schadekader bepaalt dat de zogenoemde “stressvolle periode” wordt vergoed tot aan het moment van herstel. Als “moment van herstel” wordt in de regel de datum van het advies van CWS aangehouden. Nu de stressvolle periode als vaststaand gegeven wordt beschouwd, dient de Commissie te beoordelen wat in dit geval als moment van herstel moet worden aangemerkt. De Commissie is van oordeel dat herstel pas is bereikt wanneer belanghebbende daadwerkelijk alles heeft ontvangen waarop zij recht heeft. In deze zaak is weliswaar met het besluit gedeeltelijk herstel geboden, maar nog geen volledig herstel gerealiseerd. Belanghebbende was immers genoodzaakt bezwaar te maken om tevens vergoeding te verkrijgen van de vervangende opvangkosten voor haar jongste kind over de toeslagjaren 2012 en 2013. UHT heeft toegezegd deze kosten te zullen vergoeden en dit vast te leggen in de beslissing op bezwaar. Daarmee staat vast dat belanghebbende pas volledig herstel wordt geboden op het moment dat op haar bezwaar is beslist. Dit brengt mee dat de immateriële schadevergoeding dient te worden doorgetrokken tot aan dat moment.

De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren.

Huidige schadekader

De Commissie heeft het besluit van 13 mei 2024 getoetst aan het inmiddels aangepaste schadekader van CWS. Dit kader werkt uit in het voordeel van belanghebbenden en leidt in veel gevallen tot hogere vergoedingen. Dat betekent echter niet dat de eerdere adviezen van CWS onjuist of niet-navolgbaar waren; de verhogingen zijn het gevolg van beleidswijzigingen en niet van een aan UHT te wijten onrechtmatigheid. De Commissie acht de aangepaste berekening juist, adviseert UHT het besluit dienovereenkomstig te wijzigen, en het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren, met wijziging en aanvulling van de motivering.

Proceskosten

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren voor wat betreft het onderdeel “vervangende opvangkosten” en het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren. Verder adviseert de Commissie om belanghebbende de gebruikelijke proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter