Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-12228

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Bestreden beschikking: 28 april 2022 (UHT-HD CWS)

Hoorzitting: 2 december 2024 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 4 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking op onderdelen te herroepen, de aanvullende schadevergoeding opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de toenmalige gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).

UHT heeft bij de bestreden beschikking, met toepassing van de Compensatie-regeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020,
nr. 45904), aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van € 129.513.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 5 augustus 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2010 tot en met 2015.
  • UHT heeft bij beschikking van 30 april 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende meegedeeld dat haar een compensatie wordt toegekend voor een bedrag van € 56.997.
  • UHT heeft bij beschikking van 17 augustus 2021 met kenmerk UHT-DC I over de toeslagjaren 2010 en 2012 tot en met 2015 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 57.072.
  • Belanghebbende heeft op 14 augustus 2021 verzocht om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade.
  • CWS heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 8 maart 2022 aan UHT toegestuurd.
  • UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij de bestreden beschikking aan belanghebbende de aanvullende compensatie voor een bedrag van € 129.513 toegekend.
  • De toenmalige gemachtigde heeft bij brief van 8 juni 2022 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • De toenmalige gemachtigde heeft bij e-mailberichten van 18 januari 2023 en
    30 november 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
  • Gemachtigde heeft bij e-mailbericht van 20 januari 2024 het bezwaarschrift nader aangevuld.
  • UHT heeft bij beschikking van 2 februari 2024 met kenmerk UHT-DCHO ook over het toeslagjaar 2009 compensatie toegekend. Aan belanghebbende is over de toeslagjaren 2009, 2010 en 2012 tot en met 2015 een definitief compensatiebedrag van € 76.613 toegekend.
  • UHT heeft op 24 april 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • UHT heeft, op verzoek van de Commissie, op 12 november 2024 een aanvullende beschouwing ingediend naar aanleiding van het gewijzigde schadekader van CWS.
  • Gemachtigde heeft op 21 november 2024 een aanvullend bezwaarschrift ingediend naar aanleiding van de aanvullende beschouwing van UHT.
  • UHT heeft op 29 november 2024 schriftelijk gereageerd op dit aanvullende bezwaarschrift.
  • Op 2 december 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Op 2 december 2024 heeft gemachtigde aanvullende stukken ingediend.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 9 december 2024 een aanvullende beschouwing ingediend.
  • Belanghebbende heeft op 18 december 2024 schriftelijk gereageerd op de aanvullende beschouwing van UHT.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft de bezwaren behandeld en dit advies uitgebracht.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden beschikking

Toetsingskader

In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid - naast de (deels) forfaitaire compensatie - ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Dit verzoek kan door de gedupeerde ouder worden ingediend bij CWS. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.

Omdat CWS is ingesteld om gedupeerde ouders de gang naar de rechter te besparen, dient de adviesprocedure tegemoet te komen aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM.

Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, brengt zij haar advies uit aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Daarbij is van belang dat het advies past binnen de door CWS vastgelegde beleidskaders.

UHT kan ter motivering van haar beschikking over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de zojuist bedoelde 'vergewisplicht'. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. Als UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden.

Op 12 november 2024 heeft UHT in de aanvullende beschouwing de bestreden beschikking van 28 april 2022 getoetst aan het ruimere schadekader van CWS, gepubliceerd op 1 juli 2024. De Commissie constateert dat UHT in deze beschouwing aan belanghebbende een aanvullend bedrag van € 10.800 aan materiele schadevergoeding toekent. Belanghebbende krijgt daarnaast een bedrag van € 500 voor de gevolgde procedure bij CWS.

Persoonlijke lening voor aankoop woning
Belanghebbende stelt dat de lening die zij is aangegaan om een woning te kunnen kopen en de rente over deze lening moeten worden vergoed. Belanghebbende stelt dat zij deze lening niet had hoeven afsluiten als zij geen problemen had gehad met de KOT. Zij stelt dat zij zonder deze problemen eerder een woning had kunnen kopen in de tijd dat de inbreng van eigen vermogen geen vereiste was voor het kunnen kopen van een woning. Zij had dan enkel een hypotheek hoeven afsluiten en niet daarnaast ook een persoonlijke lening.

CWS oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat belanghebbende de lening heeft moeten aangaan door de stopzetting van KOT. Hoe de financiele positie van het gezin van belanghebbende was geweest zonder de problemen veroorzaakt door de toeslagenaffaire is van veel onzekere (externe) factoren afhankelijk. De hoofdsom van de lening is geen werkelijke schade, omdat hier de waarde van de woning tegenover staat.

De Commissie overweegt als volgt. De Commissie acht het aannemelijk dat belanghebbende zonder de problemen met de KOT eerder een woning had kunnen kopen. Het klopt dat eigen inbreng destijds niet noodzakelijk was. De Commissie onderkent dat de kans dat belanghebbende eerder een woning had kunnen kopen, van veel onzekere (externe) factoren afhankelijk was. Dit houdt niet in dat de problemen met de KOT in hun geheel geen negatief effect hebben gehad op het niet eerder kunnen kopen van een woning. De hoofdsom van de lening komt niet voor vergoeding in aanmerking. Op grond van het gewijzigde schadekader komt de rente van een lening voor vergoeding in aanmerking indien een verband bestaat tussen het ontstaan van de bijkomende kosten en de problemen met KOT. Er hoeft geen causaal verband te bestaan tussen het aangaan van de lening en de problemen met de KOT. UHT acht het niet aannemelijk dat een verband bestaat tussen het ontstaan van de bijkomende kosten en de problemen met de KOT, omdat ten tijde van het afsluiten van de lening geen verrekeningen en/of betalingen van de KOT zijn gedaan. Verder acht UHT het niet aannemelijk dat belanghebbende zonder de problemen met de KOT geen extra lening had moeten afsluiten om de financiering van haar koopwoning rond te krijgen. De Commissie overweegt dat belanghebbende uitgebreid heeft onderbouwd dat zij met haar inkomen en in de situatie op de woningmarkt van destijds, wel degelijk een woning had kunnen kopen. Destijds was het niet verplicht eigen vermogen in te brengen. Het geleende bedrag is deels gebruikt voor de aankoop van de woning en deels voor de kosten van de verhuizing en het opknappen van de woning. De kosten van de verhuizing en van het opknappen van de woning zouden ook zijn gemaakt bij de eerdere aankoop van een woning zonder de problemen met de KOT. Uit de koopovereenkomst van de woning volgt het bedrag van de persoonlijke lening dat is gebruikt voor de aanschaf van de woning. De Commissie acht het aannemelijk dat de persoonlijke lening voor dit bedrag niet noodzakelijk was geweest indien belanghebbende zonder de problemen met de KOT eerder een huis had gekocht. De Commissie acht de onderbouwing van UHT daarom niet begrijpelijk en adviseert UHT in redelijkheid een substantieel gedeelte van de rente over deze lening te vergoeden.

Gemiste opbouw van vermogen
Belanghebbende stelt dat zij geen vermogen heeft kunnen opbouwen door de problemen met de KOT. Zij stelt dat zij zonder de problemen met de KOT eerder een woning had kunnen kopen en daardoor vermogen had kunnen opbouwen.
Zij hoopt dat in redelijkheid naar dit onderdeel wordt gekeken en hiervoor een passend bedrag wordt uitgekeerd.

CWS oordeelt dat de vraag of belanghebbende en haar partner zonder de problemen veroorzaakt door de toeslagenaffaire vermogen hadden opgebouwd, afhankelijk is van veel (externe) factoren. Dit geldt ook voor de hoogte van eventueel opgebouwd vermogen. CWS kan daarom niet adviseren hiervoor een vergoeding toe te kennen. UHT volgt het advies van CWS.

Op grond van het gewijzigde schadekader van CWS kan gemiste vermogensopbouw door het niet kunnen kopen van een woning worden vergoed indien het aannemelijk is geworden dat er serieuze aankoopplannen voor een woning waren en dat (mede) door de problemen met de KOT de ouder de woning destijds niet heeft kunnen kopen. De Commissie overweegt dat dit, op zichzelf bezien, niet aannemelijk is geworden. Dat neemt niet weg dat het niet geheel onvoorzienbaar was dat belanghebbende zonder de problemen met de KOT eerder een woning had kunnen kopen en daardoor meer vermogen had kunnen opbouwen. Het antwoord op de vraag of belanghebbende meer vermogen had kunnen opbouwen zonder de problemen met de KOT, is afhankelijk van veel (externe) factoren. De Commissie acht het aannemelijk dat de problemen met de KOT hierop zeker voor een deel van invloed zijn geweest. CWS is in haar advies niet ingegaan op deze bepaald niet denkbeeldige mogelijkheid. Zij heeft daardoor onvoldoende gemotiveerd waarom deze gestelde schade niet in meer of mindere mate voor vergoeding in aanmerking zou komen. Door het volgen van dit advies heeft UHT geen juiste invulling gegeven aan haar vergewisplicht. De Commissie adviseert UHT daarom de bestreden beschikking op dit punt te herzien.

Inkomensschade partner van belanghebbende
Belanghebbende stelt dat de toegekende vergoeding voor de inkomsensschade van haar partner te laag is vastgesteld. Zij stelt dat haar partner zonder de problemen met de KOT een opleiding tot cameraman had afgerond en daardoor meer had verdiend dan het inkomen op basis waarvan de vergoeding voor de inkomensschade is berekend.

CWS acht het aannemelijk dat de partner van belanghebbende inkomensschade heeft geleden doordat hij zich door de stopzetting van de KOT gedwongen zag te besluiten om te stoppen met werken. CWS heeft geadviseerd de inkomensschade van de partner van belanghebbende te vergoeden tot en met 2022. CWS is bij de berekening uitgegaan van het inkomen van de partner over 2015. Belanghebbende stelt dat het inkomen van haar partner hoger zou zijn geweest, omdat hij zonder de problemen met de KOT zijn opleiding tot cameraman zou hebben afgemaakt. CWS oordeelt dat het onvoldoende aannemelijk is dat een relatie bestaat tussen het stoppen met deze opleiding en de problemen met de KOT. Het dossier bevat over de persoonlijke situatie van de partner van belanghebbende te veel onzekere destijds toekomstige factoren om conclusie te rechtvaardigen dat het aannemelijk is dat de partner van belanghebbende zonder de toeslagenaffaire de hier bedoelde opleiding had kunnen afronden en de daardoor gestelde hogere inkomensschade heeft geleden. UHT heeft hierbij de omstandigheid genoemd dat de partner een periode in detentie heeft gezeten.

Belanghebbende verzoekt ook voor de jaren 2023 tot en met 2025 een vergoeding voor de inkomensschade van haar partner toe te kennen. UHT acht het gelet op de verklaring van de behandelaar onvoldoende aannemelijk dat het niet kunnen werken in deze periode enkel het gevolg is van de problemen met de KOT. Uit de verklaring van de behandelaar kan volgens UHT niet worden opgemaakt dat de partner van belanghebbende niet kon werken enkel door klachten die zijn veroorzaakt door de problemen met de KOT.

De Commissie overweegt hierover als volgt. Dat er te veel destijds onzekere toekomstige factoren bestonden om te kunnen concluderen dat de partner van belanghebbende zonder de toeslagenaffaire de opleiding tot cameraman had kunnen afronden en de daardoor gestelde hogere inkomensschade heeft geleden, betekent niet dat de KOT-problematiek hierin in het geheel geen rol heeft gespeeld. De Commissie acht het aannemelijk dat het jaarinkomen van de partner zonder de problemen met de KOT in enige mate hoger zou zijn geweest dan het jaarinkomen op basis waarvan CWS de schadevergoeding heeft berekend.
De Commissie overweegt dat wanneer meerdere oorzaken aan zijn te wijzen en/of sprake is van een mate van onzekerheid over de oorzaak, aansluiting dient te worden gezocht bij het leerstuk van proportionele aansprakelijkheid. Dit geldt ook voor de inkomensschade in de jaren 2023 tot en met 2025. Uit de verklaring van de therapeut volgt dat de stress waaraan belanghebbende en haar partner jarenlang hebben blootgestaan pas tot rust kan komen als deze zaak rechtvaardig is afgerond. De Commissie acht dit aannemelijk en oordeelt dat het niet kunnen werken van de partner van belanghebbende tot en met 2025 in ieder geval in een mate van betekenis is toe te rekenen aan de problemen met de KOT. Er hebben in de jaren 2010-2013 in het persoonlijke leven van de partner ook ingrijpende gebeurtenissen plaatsgevonden die mede een verklaring kunnen vormen voor zijn latere psychische problemen. Belanghebbende heeft niets aangevoerd waaruit de Commissie zou kunnen afleiden dat die gebeurtenissen zelf (mede) zijn veroorzaakt door de problemen met de KOT. Evenmin is aannemelijk geworden dat hierin de enige verklaring voor deze problemen schuilt. Alles bijeengenomen concludeert de Commissie dat de beoordeling van de gestelde inkomensschade niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden en dat de bestreden beschikking in zoverre onvoldoende is gemotiveerd. De Commissie adviseert UHT daarom de vergoeding voor de inkomensschade van de partner van belanghebbende opnieuw te berekenen.

Kosten therapie

Belanghebbende stelt dat, in plaats van een vergoeding voor de kosten van therapie een keer in de twee weken, een vergoeding moet worden toegekend voor de kosten van wekelijkse therapie. Belanghebbende stelt dat ook de kosten voor therapie over 2023 tot en met 2025 moeten worden vergoed. CWS heeft geadviseerd om de helft van de verzochte vergoeding van de kosten van therapie te vergoeden. CWS acht het aannemelijk dat belanghebbende en haar partner een keer in de twee weken therapie nodig hebben. In het advies wijst CWS belang-hebbende erop dat zij opnieuw een verzoek kan indienen bij CWS indien blijkt dat extra kosten zijn gemaakt na 2022.

Belanghebbende heeft de facturen van de gevolgde therapie uit 2023 en 2024 overgelegd. UHT is van oordeel dat de problemen waarvoor belanghebbende en haar partner therapie volgen niet alleen het gevolg zijn van de problemen die zijn ontstaan door de toeslagenaffaire. De andere omstandigheden die mogelijk meespelen zijn pas aan het licht gekomen nadat CWS haar advies had uitgebracht. UHT acht het daarom redelijk om de helft van de gemaakte kosten voor therapie te vergoeden.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat de kosten voor therapie over 2022 tweemaal de kosten bedragen die al zijn vergoed. Ten aanzien van de kosten van therapie over 2023 en 2024 overweegt de Commissie dat belanghebbende een verklaring van de therapeut van haar partner en haarzelf heeft overgelegd, waarin de therapeut uitlegt dat de problemen van belanghebbende en haar partner zijn ontstaan uit financiele nood. De Commissie is daarom van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat de noodzaak van de therapie het gevolg is van de problemen met de KOT. De Commissie acht het oordeel van UHT om de helft van de gemaakte kosten over 2023 en 2024 te vergoeden daarom niet begrijpelijk. De Commissie adviseert UHT het gehele bedrag te vergoeden.

Ten aanzien van 2025 heeft de therapeut verklaard dat de behandelingen ook in dat jaar mogelijk nog nodig zullen zijn. UHT vindt deze verklaring onvoldoende om te kunnen vaststellen dat deze behandelingen werkelijk nodig zullen zijn, en zo ja, in welke frequentie. Ook vindt UHT deze verklaring onvoldoende om te kunnen aannemen dat de behandelingen die nodig zijn alleen zijn veroorzaakt door de problemen met de KOT. De Commissie acht het op basis van de verklaring van de behandelaar voldoende aannemelijk dat de noodzaak van het volgen van therapie voor belanghebbende en haar partner ook in 2025 het gevolg is van de problemen met de KOT. De Commissie acht de motivering van UHT ten aanzien hiervan daarom niet begrijpelijk en adviseert het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en alsnog een vergoeding toe te kennen.

Rente en boetes
Aan belanghebbende is een aanvullende vergoeding toegekend voor de rente en incassokosten die zijn gemaakt als gevolg van de financiele problemen en betalingsachterstanden veroorzaakt door de stopzetting van de KOT. Belanghebbende stelt dat tweemaal dit bedrag moet worden vergoed, omdat de schade door de betaalde kosten hoger is. CWS stelt in haar advies niet mee te kunnen gaan in dit verzoek, omdat het door gebrek aan informatie onvoldoende aannemelijk is dat de schade wegens de betaalde rente en kosten werkelijk het dubbele bedraagt.

De Commissie overweegt hierover als volgt. Belanghebbende beschikt niet over stukken die aantonen dat schade door de betaalde kosten werkelijk tweemaal het bedrag van € 8.896 bedraagt. De Commissie overweegt dat dit echter niet het juiste criterium is. Belanghebbende hoeft dit enkel aannemelijk te maken. CWS heeft geadviseerd het verzoek van belanghebbende om tweemaal het toegekende bedrag af te wijzen, omdat zij het niet aannemelijk acht dat de schade werkelijk het dubbele bedraagt. CWS heeft geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de schade in een mate van betekenis hoger ligt dan het toegekende bedrag.
De Commissie acht het oordeel van UHT om het verzoek van belanghebbende in zijn geheel af te wijzen daarom niet voldoende gemotiveerd en vindt het bezwaar op dit punt gegrond. De Commissie acht het aannemelijk dat de schade door de betaalde rente en kosten in enige mate hoger is dan het vergoede bedrag van €8.896. De Commissie adviseert UHT een aanvullend bedrag toe te kennen op grond van een substantieel percentage van het verzochte bedrag en daarbij het beginsel van redelijkheid en billijkheid - gegeven ook de hier vereiste ruimhartigheid - in acht te nemen.

Kosten huurbeeindiging
Belanghebbende stelt dat een vergoeding moet worden betaald voor de kosten die zij heeft betaald aan een verhuurder na de oplevering van een huurwoning. Belanghebbende heeft deze kosten moeten betalen na een gerechtelijke procedure in verband met een vermeende huurachterstand en vermeende schade aan de huurwoning bij oplevering. Omdat belanghebbende en haar partner geen advocaat konden betalen, hebben zij ingestemd met een regeling op grond waarvan zij de kosten moesten betalen.

CWS oordeelt dat het antwoord op de vraag of deze kosten niet waren gemaakt zonder de toeslagenaffaire, van te veel (externe) factoren afhankelijk is. De Commissie komt tot de slotsom dat UHT zich met het advies van CWS terecht op het standpunt stelt dat niet voldoende aannemelijk is dat de kosten als gevolg van de huurbeeindiging het gevolg zijn van de toeslagenaffaire. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Vergoeding voor immateriele schade
Belanghebbende stelt dat zij en haar kinderen evenveel immateriele schade hebben geleden als haar partner en dat zij evenveel vergoeding hiervoor zouden moeten ontvangen.

Het advies van CWS is uitgebracht voordat het nieuwe schadekader van CWS is gepubliceerd. Op grond hiervan heeft UHT de vergoeding voor immateriele schade opnieuw berekend. De Commissie acht de uiteenzetting van UHT over de toetsing van het nieuwe schadekader van CWS aan de verschillende zogenoemde bouwstenen begrijpelijk en zorgvuldig en ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen reden tot een ander oordeel. Omdat de vergoeding voor immateriele schade op een lager bedrag uitkomt dan reeds is toegekend, zal deze vergoeding niet worden aangepast.

Leningen en creditcardschulden
Belanghebbende stelt dat zij als gevolg van de financiele problemen veroorzaakt door de gebeurtenissen met betrekking tot de KOT leningen moest aangaan en dat zij hierdoor creditcardschulden had.

Volgens CWS vormen deze leningen en schulden geen materiele schadepost, omdat de geleende bedragen zijn aangewend om te voorzien in het levensonderhoud en om andere lopende kosten te voldoen. Deze kosten had belanghebbende ook gemaakt indien zij geen financiele problemen had door de toeslagenaffaire. Enkel de rente of kosten die zijn verbonden aan de leningen en creditcardschulden die zijn veroorzaakt door de toeslagenaffaire, komen voor vergoeding in aanmerking. Dit is uiteengezet onder de schadepost rente en boetes.

Naar het oordeel van de Commissie heeft UHT op dit punt het advies van CWS mogen volgen. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Kosten Google Ads
Belanghebbende stelt dat de kosten die haar partner heeft gemaakt door het gebruik van Google Ads moeten worden vergoed. Belanghebbende stelt dat deze kosten niet waren gemaakt zonder de problemen met de KOT. UHT volgt het advies van CWS waarin geen vergoeding wordt toegekend. CWS acht het niet aannemelijk dat de kosten zijn gemaakt als gevolg van de problemen met de KOT.

De Commissie overweegt dat belanghebbende niet voldoende heeft onderbouwd en inzichtelijk heeft gemaakt dat het gebruik van Google Ads noodzakelijk was om schulden veroorzaakt door de problemen met de KOT af te lossen. Belanghebbende stelt dat een grote rekening binnenkwam waardoor haar partner een noodgreep heeft moeten doen. Belanghebbende heeft geen voorbeelden genoemd van wat de inzet van de Google Ads heeft opgeleverd - of redelijkerwijs had kunnen opleveren - aan omzet (en winst) of extra bestellingen. Belanghebbende heeft ook geen toelichting gegeven over de rekening die de aanleiding was om over te gaan tot het gebruik van Google Ads waaruit de noodzaak of de gerede kans van slagen van het gebruik hiervan is gebleken. Vaststaat dat het geen terugvordering of verrekening van de KOT betrof.

De Commissie acht het advies van CWS en de aanvulling van UHT op dit onderdeel daarom voldoende gemotiveerd en begrijpelijk. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Verletdagen
Belanghebbende stelt dat ook de verlofdagen die zij heeft opgenomen door de noodzakelijke zorg voor haar kinderen moeten worden vergoed. Op grond van het gewijzigde schadekader van CWS heeft UHT toegezegd dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van deze verlofdagen. De Commissie adviseert UHT dit aan te passen in haar beslissing op bezwaar.

Vergoeding voor het voeren van de procedure bij CWS
UHT kent op grond van het gewijzigde schadekader een vaste vergoeding toe van €500 (inclusief wettelijke rente) voor de tijd en kosten van het voeren van de procedure bij CWS. Deze vergoeding wordt niet verrekend met de al te ontvangen compensatie. De Commissie adviseert UHT dit te betrekken in haar beslissing op bezwaar.

Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft niet verzocht om een proceskostenvergoeding. Aangezien belanghebbende is bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener en de bestreden beschikking naar het oordeel van de Commissie moet worden herroepen, adviseert de Commissie om belanghebbende een forfaitaire vergoeding toe te kennen op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en:

  • de bestreden beschikking te herroepen en het compensatiebedrag, ingevolge het gewijzigde beleidskader van CWS en met inachtneming van dit advies, opnieuw te berekenen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening] [handtekening]

Secretaris Fungerend voorzitter